terug naar overzicht
De opmerkelijke visie van Bruning op de natuur en de mens!

Overgenomen uit een brief van 26 oktober 1960 ().

(..) Voor jou houdt de natuur op bij de stad, de mensen, de cultuur, de oncultuur en heel die ontaarde, aan haar hartstochten uitgeleverde bende. Voor mij niet. Voor mij is dat alles precies zo "natuur", maar op de wijze der mensen. Een mens die een huis bouwt en daaraan alle zorg besteedt, volgt voor mij (in wezen) geen ander instinct dan een vogel die zijn nest bouwt, of bijen die hun "bijenstad" bouwen, of mieren die hun kunstige en gecompli­ceerde gangen graven etc. Een kunstenaar (Rembrandt b.v.) die zichzelf prachtig realiseert, leeft even subliem en feilloos uit zichzelf als een boom (maar op de wijze van de mens, - die een scheppend wezen is). Men kan dat ook zeggen van alle culturen die dan hier, dan daar op deze wereld opkwamen, groeiden en vergingen. En alle catastrofen in de wereld der mensen zijn evenzeer noodzakelijk uit de natuur der mensen voortkomende dingen als de catastrofen in de natuur. Het zijn geen enkel-maar-parallel lopende dingen, zij zijn volstrekt identiek, zij behoren voor mij tot precies dezelfde orde. Ik kan mij niet één voelen met de schepping en tegelijk los maken van de mensen. Zij behoren, in hun zijn zoals zij zijn (met alle gevolgen van dien) precies zo bij het leven der cosmos als de planten, de dieren, de sterren etc. Zij zijn (dáárom) even groots, gevaarlijk, verwarrend, vernietigend en zich weer herstellend als heel de overige schepping. De ontbinding waaraan het leven der mensen en der mensheid in sommige stadia is uitgeleverd, is even onvermijdelijk als de ontbinding waaraan de natuur ten prooi is. De ontbinding ontaarding in het leven der mensen kan mij met afgrijzen vervullen, maar ik weet dat datzelfde leven in zich precies zo scheppend leven is (scheppend leven voorbereidt: contra-krachten activeert) als de ontbinding waaraan de natuur onderhevig is, een ontbinding die onverminderd voortleven en voorbe­reiden van de zomer is. Ik weet dat ik mij buiten de cosmos stel, als ik mij buiten de mensen (of buiten mezelf) stel. Ik heb alleen deel aan de cosmos, als ik deel heb aan het leven der mensen. Ik houd van de aarde, maar ik houd ook van alles van de mensen. Ik ben met al mijn vezels aan het leven gehecht en aan alles van het leven. En ook aan mijn eigen leven. Ik kan mij van niets losmaken. Mijn diepste levensdrift is die van al het geschapene: mijzelf te realiseren. Ik weet wel dat ik, als ik mezelf op een bepaalde manier beschouw, geheel onbelangrijk ben, dat het er niets toe doet of ik mezelf ben of niet, zoals het van generlei betekenis [is] of een grasje leeft of onder de voet vertreden wordt, maar: zoals dat grasje maar één drift is, n.l. het grasje te zijn dat het is, zo ben ik ook maar een drift - en dat ene is tevens ook mijn plicht. Ik kan niet zeggen, dat alles in wezen onbelangrijk is; juist in wézen is alles van het hoogste belang. Dat vind ik ook het grote van het boeddhisme; terwijl het in wezen een cosmisch beleven is en alles tegelijk schijn is, is tegelijk alles van zo'n wezenlijke betekenis gebleven en wordt alles met zo'n diepe deelname, deernis, liefde, bezorgdheid, onrust - en stilte - beschouwd en beleefd.
Ik zou dit alles nog wel eens willen uitwerken. Toen ik 'n jaar of tien geleden aan het slot van een artikel over stedenbouw een poging deed het verschil tussen stad (cultuur) en natuur op te heffen, werd juist deze passage zorgvuldig door de redactie geschrapt. Maar ik zie het niet anders. Als ik de stad betreed, verlaat ik niet de natuur, ik betreed opnieuw natuur, maar in een andere gedaante. Doch de redactie meende waarschijnlijk, dat ik niets andere bedoelde dan dat er in en boven de stad ook lucht is en dat er ook bomen zijn en mooi en lelijk weer, net als buiten. Maar ik vind een concert, een toneelvoorstelling, een tentoonstelling, een goochelaarsavond, een cabaret, het bouwen van een huis, een stad, met alles wat tot het leven van een stad behoort, in wezen (maar op de wijze van de mens) een nòg altijd even oorspronkelijk oergebeuren als het fluiten van een vogel of het nijvere en economische en prachtige bedrijf van bijen, mieren, apen, beren etc., een noodweer, een zomeravond etc. etc. Vandaar mijn gedicht Song of Innocence ()e.d. of het kort na de oorlog gepubliceerde, maar in geen bundel opgenomen, als gedicht mij niet bevredigende: Millennium.
























terug naar homepage

aangemaakt: 15-08-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 15-08-2012