lijst van werken
vorige bladzijde


L O F   V A N   H E T   O N V O L M A A K T E / III *)



5

Het weinige

vorige bladzijde Men kan niet zeggen dat Rembrandt, wanneer hij is geworden wat hij als schilder geworden is, dit resultaat aan ’zichzelf’ te danken heeft gehad, aan verdiensten zijnerzijds. Datgene wat voor het ontstaan van dit oeuvre beslissend is geweest: zijn (reeds aanstonds) grandioos en visionair verbeeldingsleven, zijn hartstocht voor de realiteit (dat doordringend beschouwen en begrijpen der aardse en menselijke realiteit);! zijn excessieve scheppingswil, een vorm-wil die aan het verbeeldingsleven materieel (met de middelen en op de wijze der schilderkunst) rusteloos gestalte moèst geven; zijn vormkracht die van meetaf het tenslotte bereikte als mogelijkheid in zich had; de subtiele structuur van zijn hersens, zijn overgevoelige en tegelijk sterke zenuwen- en zintuigenleven, – het is alles met Rembrandts wezen gegeven, en waarlijk niet enkel als ’aanleg’: als aanleg die hij voor de rest vrij zou zijn geweest tot ontwikkeling te brengen. Ook het geleidelijk zich als schilder realiseren voltrekt zich noodwendig, onder een innerlijke dwang waaraan het hem niet mogelijk is zich werkelijk, anders dan in schijn, te onttrekken. Het behoort nu eenmaal tot de categorische imperatief van de vormwil al de gegeven mogelijkheden van de vormkracht te realiseren; de perfectie te worden die als mogelijkheid met het eigen wezen gegeven is. De vormwil rust niet voor de laatste mogelijkheid van de vormkracht bereikt en ontgonnen is; hij berust niet in een minder bereiken (hij rust en berust dus nooit). Juist waar zulk een grandioos en visionair verbeeldingsleven de uitdaging is aan zulk een vehemente vormwil en vormkracht, is de wil tot perfectie een onbezweerbare categorische imperatief. Er is dan ook in heel dat worden tot wat hij geworden is geen vrijheid, anders dan in schijn. Geringeloord door zijn verbeeldingsleven is hij de slaaf van die vormwil, en met alles wat hij is, wil (moet) hij die slaaf zijn. Rembrandt kon wel – tijdelijk – zijn werk en zijn lot vervloeken en contra-krachten in zich toelaten, maar het speelt geen rol, het kan de grote gang van zijn ontwikkeling niet verstoren, niet in de war sturen, niet tegenhouden; na elke weigering om verder te gaan, wordt hij opnieuw voortgedreven, voortgejaagd door dat waarvan hij bezeten is: zijn verbeeldingen en zijn scheppingswil. Men zegt wel (en terecht zegt men dat, ook bij Rembrandt ongetwijfeld) dat kunst voor 2 % inspiratie is en voor het overige zwoegen, doch men moet niet menen, dat hij door dat zwoegen het bereikte aan zichzelf heeft te danken. Er is geen verdienstelijkheid, volgende bladzijde

*) Derde en laatste deel. De eerste twee delen zijn gepubliceerd in het februari- en maartnummer van Te Elfder Ure.

232





















volgende bladzijde



aangemaakt: 27-10-2010 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 27-04-2011