lijst van werken
vorige bladzijde


vorige bladzijde van het religieuze leven van die Majestas doordrongen en doortrild is, een fundamenteel ontheiligde religie is.

20. Ja, ik schreef dat we niet Gd kunnen beminnen. Misschien is de situatie welke ik bedoel met het navolgende beeld te verduidelijken, waarmee dan tevens de sfeer doorbroken wordt waarin ik tot dusver over dit onderwerp geschreven heb. Doch bedenk alsjeblieft dat het beeld, het verhaal, dat ik hier uitwerk, ondanks de iks en de mijns geheel en al fictief is! Mijn dochter houdt, zoals men dat uitdrukt en zijzelf ook gelooft, echt van haar vader. En inderdaad, er gaan bepaalde gevoelens van genegenheid, eerbied, offervaardigheid etcetera van haar naar mij uit: ze vindt me, voorzover ze me kent, een echt lieve vader, vrolijk, welbespraakt en n ventje dat echt alles voor zn kinderen overheeft; er bestaat tussen ons een zeer innige verhouding, en hl lief en aantrekkelijk vind ik het in haar, dat ze niet van mijn boeken houdt, hoewel ze boeken van anderen (die van Rudolf Otto bijvoorbeeld) met veel pleizier inkijkt en soms ook met een ernstig toetje zit te lezen en er lang geen domme opmerkingen over maakt; maar het is duidelijk geworden: van bepaalde passages bij die Otto houdt ze toch ook niet. Maar mijn boeken pruimt ze helemaal niet Ze heeft bezwaren tegen mijn stijl en eigenlijk tegen mijn hele manier van denken en tegen mijn conclusies enzovoort, enzovoort. Ze vindt het in de grond allemaal maar lief gedaas, dat haar na een uurtje dan ook weer vlot en helemaal ontgaan is. Maar dat paatje des dagelijksen levens, dat is haar heerlijke paps. Nu, ik vind dat laatste heel prettig en ruim voldoende ook; er is ook nooit iets tussen ons, ze zou niets erger vinden dan een onenigheid, en ik vind het heerlijk om na afloop van mijn kantoorwerk (ik ben accountant en ik verdien goed) en van de maaltijd een wandeling met haar te maken, arm in arm, door dat Nijmegen dat een nachtmerrie voor me is maar dat met haar aan mijn arm, dat zonnige kind, me in het geheel niet meer raakt, integendeel, de stad is met haar getransformeerd tot iets anders en blijders. En dat ze mn boeken niet leest en onleesbaar vindt, och, met haar kan ik daar echt grapjes over maken, niet alleen over haar niet-lezen, maar ook over die boeken van me. Maar niettemin ... niettemin... Die boeken van me.. Soms doet dat onbegrip, die geheel negatieve verhouding van haar tot mijn werk, die innerlijke afkeer mag ik wel zeggen, me pijn, diep pijn ook wel. Ik denk dan: kijk, in die boeken wil ik iets van mijn wezenlijkste zelf uitschrijven, mijn stijl behoort tot mijn wezenlijkste zelf evenzeer als de gedachten die ik ontvouw, maar zie, daar waar ik een beetje aan mezelf toekom, daar besta ik niet voor haar (hoewel ze het anderzijds erg prettig voor me vindt en er zich oprecht over verheugt; dat er weer een boek van me verschenen is etcetera). Ik zelf heb zo het gevoel dat ik met de tien lijvige boekdelen die ik geschreven heb, its van mijn wezenlijkste zelf heb uitgesproken, maar... dat ik nog tien, twintig andere boeken kan schrijven om nog n stuk van dat wezenlijkste zelf kenbaar te maken, en dat ik bij mijn dood, als ik alles heb uitgeschreven wat er tijdens n mensenleven valt uit te schrijven, mijn wezenlijkste volgende bladzijde

245





















volgende bladzijde



aangemaakt: 24-04-2011 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 02-08-2013