lijst van werken
vorige bladzijde


122

DE KRINGLOOP NAAR HET SENTRUM
ROMAN-FRAGMENT

   Eerst toen de trein begon te remmen dacht hij aan Frits: even, onverschillig:
    Enfin, na n week was hij van hem af.
    Dan kwam Frits op hem toe, voelde hij een hand de zijne omklemmen; keek hij in twee hartelik-lachende ogen.
    Hij lachte terug, maar voelde dat hij hem daarmee bedroog.
    Dolf voelde het weer als een pijn: er was iets verloren gegaan, er was iets verbroken, iets was onherroepelik voorbij. Maar tegelijk was het of iemand zijn hand op hem legde: dat hij de pijn minder voelen zou.
    Ik ben een andere. In wie jij.... nee, dat deel van mij waarin jij twee jaar lang hebt geloofd dat bestaat niet meer, peinsde Dolf.
    Ze gingen naar buiten. Voor hen liepen nog twee andere reizigers. Handelsreizigers? Toen de trein onder de overkapping uitgleed lag het perron weer leeg en stil als voor enkele minuten. In de verte nog even hoorbaar het gekras en gepiep van een lorrie waarop wat bagage lag en een postzak: een man zeulde het karretje achteloos achter zich aan naar een loods.
    Niets dan het perron van een klein plaatsje op een stillen zomermiddag. Dolf nam het snel in zich op. Hij onderging een ontroerende pijn, alsof iets zachts en warms hem omving.
    Kom zeg, dan gaan we ns naar buiten. Vind je t zon mi station dat je zo kijkt, spotte Frits.
    Dolf glimlachte; deed alsof hij in gedachten was geweest en niet bepaald naar t station had gekeken.
    Het stationsplein was groot, vl te groot voor dat rijtuig met zn paard aan de voerbak en die ne vergeefse taksie. De zon die de lijn van een booglamp in het midden van het plein verscherpt, maakte het plein nog wijder en leger.
    Recht voor hem wat schaduw van hoog geboomte: daar scheen een singel, een park met gracht; en tussen het groen verscholen witte geveltjes van kleine propere villaatjes met rode daken.
    Plotseling kwam ergens een jongen met een hoepel spelen.
    Wat vriendelik, wat vriendelik was hier alles. Hoe klein en gelijkmatig. Opeens dacht hij aan zon avend op zijn sjambret, als de laatste der tien torenslagen als een teedre, blauwe tent over de aarde stond. En k over hm, k over hm.... Hij dacht aan die toren, die tren die als een grote kning boven die daken stond....
    Kar je? volgende bladzijde






















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 02-08-2010 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-10-2010