Eerdere documentatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Raymund Bruning

 

NSB-collaboratie?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NSB-collaboratie?

 

 

 

 

inhoud

I. ter introductie

1. 2009. “De Oorlog van Ad van Liempt”: een ontmythologisering

2. Mussert en de NSB bij Van Liempt

3. werk voor de bezetter dekmantel voor illegale activiteiten: verzet onder het mom van collaboratie?

II. de oorlog

1. Mussert. doel van zijn collaboratie: zelfstandigheid

2. Henri Bruning

a. voor de oorlog

b. 1940. doel: zelfstandigheid

c. ook na 1940 het doel: zelfstandigheid

3. Brunings antisemitisme: antisemitisme?   

a. negatief

b. positief

c. Brunings inzet Het drama der joden gepubliceerd te krijgen

4. doelstelling van Mussert en Bruning positief te beoordelen?

III. na 1945: begrip voor verzet onder het mom van collaboratie onmogelijk

1. 1945

2. 1954: Victor van Vriesland

3. 1954: Bruning en Van Vriesland

4. jaren 60 en daarna:

a. De Jong

b. het goed-fout paradigma

IV. 1990: een moment van begrip voor verzet onder het mom van collaboratie

V. NIOD: verzet onder het mom van collaboratie afgewezen  

1. NIOD

a. 2004: J.C.H. Blom

b. 2008: prof.dr. Marjan Schwegmann en David Barnouw

VI. 2009: besluit

1. oorlogsbeeld gecorrigeerd

2. ronduit schrijnend

3. Israël Querido


VII. 2010: Nagekomen teksten

 


 

I. ter introductie

 

1. 2009. “De Oorlog van Ad van Liempt”: een ontmythologisering

 

De negendelige televisieserie “De Oorlog” Van Ad van Liempt, geadviseerd door prof. dr. J.C.H. Blom, is een ingrij­pende correctie van het oorlogsbeeld waarmee Loe de Jong, indertijd directeur van het NIOD, in de 60-ger en 70-ger jaren van de vorige eeuw de Nederlander vertrouwd heeft gemaakt. Het verzet heeft in deze nieuwe versie zijn buitengewoon lofwaardige rol verloren en is van de nodige vraagtekens voorzien, de grijze, doorploeterende massa krijgt het nodige begrip. Geen Nederlander zal in dit verhaal gezien ons gedrag in de oorlogsjaren jegens de joden opnieuw aanleiding vinden voor Nederland de rol van moreel gidsland voor de wereld op te eisen. De oorlog wordt niet langer geïdentificeerd met Auschwitz en daardoor ook niet langer meer gezien als een mythische strijd tussen Goed en Fout en belast daardoor de huidige jeugd niet opnieuw met de morele imperatief “Zo moet het en zo mag het nooit meeer”, wat bij de eerste naoorlogse generatie van de babyboomers het geval geweest is. “De Oorlog” van Van Liempt betekent onze definitieve bevrijding van het goed-fout paradigma, waarvan onze jongste generatie al niet meer beseft hoe dit dank zij De Jongs beeld  decennia ons besef van de 2de Wereldoorlog bepaald heeft. Dat beeld is door Van Liempt zonder het met zoveel woorden te zeggen, in feite,tot een zeer grote geschiedvervalsing, tot een mythologisering van ons oorlogsverleden, herleid en vergruizeld.

 

2. Mussert en de NSB bij Van Liempt

 

Op een, zeker niet onbelangrijk, punt, namelijk het punt dat in De Jongs mythologische beeld synoniem was met Fout, met het Kwaad, brengt van Liempts serie geen fundamentele verandering. Nu ja, met de afschaffing van het goed-fout paradigma worden Mussert en zijn Nationaal Socialistische Beweging, de NSB, niet langer meer met Hitler en Himmler op de hoop van het Absolute Kwaad gegooid en dat is natuurlijk een, eigenlijk onmetelijke, correctie is.

Maar meteen in het begin wordt met een spannend verhaal een concreet beeld van de bezetting gegeven. Daarin worden drie NSB’ers  ten tonele gevoerd die verhinderden dat de explosieven onder de Maasbrug bij Gennep tot ontploffing werden gebracht. Daardoor konden twee Duitse pantsertrei­nen, volgeladen met wapens, geschut en militairen ongehinderd de Maas over en dwars door de Peel-Raamstelling denderen. Hoeveel kijkers zullen niet gedacht hebben: “Verdomd, zie je wel, daar heb je die vuile landverraders”. Van Mussert horen wij bij Van Liempt, hoe hij al in 1937 over de joden beweerde: “Ik ben hun vijand en zal dat altijd zijn.”  Van Liempt constateert: “Tot aan zijn dood blijft hij eenvurig bewonderaar van Hitler” die, staande voor zijn rechters, over Hitler gezegd heeft: “Misschien ben ik de enige die nog in hem gelooft.”, na hem al eerder te hebben horen uitroepen: “Wij geloven in den Führer die door God gezonden is”. Hoeveel kij­kers zullen daarbij niet gedacht hebben: “Ja, ja, en samen met hem alle joden uitroeien, ongelooflijke schoft”. Van Liempt vertelt: “iedereen had een hekel aan NSB’ers” en ook: De “haat van het Nederlandse volk richt zich meer op de NSB dan op de Duitse bezetter. Die gemeenschappelijke haat be­­werkstelligde aldus een eenheid onder het Nederlandse volk”. “Nou, en terecht”, zal de kijker gedacht hebben. Halverwege Van Liempts verhaal wordt alvast afscheid van Mussert genomen met de opmerking: “Na de Duitse inval in mei 1940 had Mussert nog maar twee doelen: leider worden van het Nederlandse volk en een regering vormen onder zijn leiding.” Maar: “De leider zal zijn doel niet bereiken.” Impliciete suggestie: het ging Mussert alleen om de macht; daar had hij zelfs collaboratie met Hitler-Duitsland voor over.

Kortom:  Wat er door van Liempt ook aan verzachtende omstandigheden wordt aangevoerd, dat Mussert een voortreffelijk waterstaatkundig ingenieur en een sober levende, hardwerkende man is geweest, die dag en nacht stug arbeid verrichtte ten dienste van zijn partij, dat hij  zelfs een tijd joden leden van zijn partij heeft laten zijn – terwijl hij nog wel tot hun dood toe hun vijand zou zijn - en dat hij er idealen op heeft nagehouden, waarin de tienduizenden van zijn aanhangers geloofd hebben, maar die zijn met z’n allen toch maar tot het bittere eind met die weerzinwekkende aartscollaborateur blijven meecollaboreren.

Wat nu volgt is de verdere correctie van het beeld van De Jong, misschien de enige ingrijpende correctie die Van Liempt, geadviseerd door Blom, nog achterwege heeft gelaten.

 

3. werk voor de bezetter dekmantel voor illegale activiteiten: verzet onder het mom van collaboratie?

 

Op 1 april 2009  werd in de NRC het boek Recht op wraak. Liquidaties in Nederland, 1940-1945 besproken, een studie van Jack Kooistra en Albert Oosthoek. Het gaat hierin om liquidaties van collaborateurs, gepleegd door mensen van het verzet. De twee volgende constateringen werden daarbij uit het boek geciteerd:

“Sommige aanslagen lijken impulsief of in een roes gepleegd, of ze droegen het karakter van een afrekening. Ronduit schrijnend zijn de paar gevallen waarin de slachtoffers hun werk voor de bezetter als dekmantel voor illegale activiteiten gebruikten.”

Er zijn dus een aantal verzetsmensen geliquideerd door de eigen verzetsmensen als gevolg van het feit dat eerstgenoemden zich voordeden als collaborateurs, hun verzetsdaden tegen de nazi’s dus pleegden onder het mom van collaboratie. Dit doet de vraag rijzen: hebben er wellicht meer Nederlanders op deze wijze verzet gepleegd zònder dat dit tot op heden onderkend is?

 

 

II. de oorlog

 

1.     Mussert. doel van zijn collaboratie: zelfstandigheid

 

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog  versloeg Hitler-Duitsland in no-time Frankrijk; dat Hitler de oorlog zou winnen leek zeer aannemelijk en dat Duitsland waarschijnlijk decennialang de suprematie in Europa zou houden, al evenzeer. Ons land was bezet en de regering had ons land verlaten. Mussert, leider van de NSB, vreesde in deze omstandigheden inlijving van ons grondgebied bij Duitsland. In zijn verdediging tijdens zijn proces na de Bevrijding in 1945 omschreef hij de grondidee van zijn politiek tijdens de oorlog als volgt:

      “de eenige mogelijkheid, die ik toenmaals gezien heb en die ik nu nog zie om te voorkomen dat, wanneer Hitler won, Nederland zou worden ingelijfd en zijn ziel als volk zou worden kapot gemaakt, zag ik daarin: laten wij probeeren een statenbond te maken, laat Nederland daarin als gelijkberechtigd lid worden opgenomen ( ), de eenige mogelijkheid om, wanneer Hitler overwonnen zou hebben, de vreemde heerschappij over ons land te doen eindigen, ( ). ( ) Duitschland liet ons hier doelbewust zonder eigen regeering. Wij waren het eenige volk in Europa, waar Duitschland geen eigen regeering heeft toegelaten. Dit was funest voor ons, want nog altijd meen ik, dat zelfs de slechtste Nederlandsche regeering, laat ze zoo slecht zijn als een N.S.B.-regeering, beter is dan een Duitsche, Fransche of Engelsche regeering voor ons volk. ( ) Altijd weer heb ik getracht de Duitsche bezettingsmacht zoover te brengen, dat er toch een Nederlandsche regeering zou komen. ( )  Wilden wij een zelfstandig Nederland, dan moesten wij blijven vechten. Wij hadden den plicht ons in te zetten en door te zetten, de N.S.B. zoo sterk mogelijk te maken uit liefde voor het Vaderland, anders nergens om. ( ) Ik kon niet zeggen: “Mijne volksgenooten, begrijpt toch goed, de bedoeling van mijn verbond met Hitler is om den noodigen ruggesteun te hebbben in mijn strijd tegen Himmler en Goering, die ons vaderland willen annexeeren. Wij  moeten zorgen, dat, als Hitler gewonnen heeft, wij toch weer als Nederlandsch volk in een Nederlandschen staat zelfstandig kunnen leven.” Dit fundament van onzen strijd moest ik verzwijgen. Op het moment, dat ik het dualisme geopenbaard had, was het uit, zou ik ter zijde geschoven zijn wegens ondermijning van het Duitsche gezag en zouden mijn tegenstanders hun zin hebben gekregen.”

Musserts biograaf Jan Meyers heeft deze uitspraken met grote stelligheid bevestigd:

De omstandigheden brachten met zich mee dat naar buiten toe niets bekend werd van zijn (Musserts RB) worsteling tegen de bezettingspolitiek. Wat kenbaar was - al nam de vijandig gezinde massa er nauwelijks of geen kennis van - waren niet die daden, maar zijn woorden - in Volk en Vaderland en radiotoespraken, waarin hij zich wel moest solidariseren met de Duitsers wilden die niet de NSB - die hij de verzekeringspolis voor het Nederlandse volk noemde - uitschakelen. Voor het oog kon hij dan ook niet anders zijn dan de loyale supporter van de vreemde terreur en uitbuiting en aldus samenvallen met het beeld dat de anti-propaganda van hem ophing, dat van marionet, verrader, volksvijand nummer 1.

@@Musserts collaboratie beoogde dus bij een Duitse overwinning het voortbestaan van Nederland als zelfstandige staat veilig te stellen, toch het nationale belang bij uitstek. Dat is dus zijn motief geweest om, toen Nederland bezet werd, als overtuigd nationalist de voor hem ongetwijfeld buitengewoon zware beslissing te nemen toch de kant van die bezetter te kiezen, en dus niet omdat hij als nationaalsocialist het vanzelfsprekend vond zich bij het Duitse nationaalsocialisme aan te sluiten.

 

2.     Henri Bruning

 

a. voor de oorlog

Henri Bruning, mijn vader, geboren in 1900, vatte als katholiek zijn geloof ernstig op. W. van Leeuwen, schrijver van Drift en bezinning, een in 1950 verschenen overzicht van de moderne Nederlandse literatuur, karakteriseerde hem daarin maar liefst als de zich voor God verterende Henri Bruning. Kenmerkend voor mijn vader was, dat hij sterk op zijn eigen inzichten afging. klik voor vergroting De titel van zijn in 1936 verschenen publicatie, Subjectieve Normen, geeft dat aan. De bekende cultuurfilosoof, essayist en criticus uit die jaren, Menno ter Braak constateerde dit reeds als volgt: de titel alleen al ware bij Van Duinkerken of Engelman ondenkbaar, aangezien de eerste op dogmatische en de ander op aesthetische òbjectiviteit uit is. klik voor vergrotingIn 1938 verscheen bij Meulenhoff Brunings meest bekende werk: Verworpen christendom. Johan Brouwer, de hispanoloog en kenner van de Spaanse mystiek, omschreef er de betekenis van als volgt:

Het boek van Henri Bruning, "Verworpen Christendom", is een der beste requisitoirs welke tegen het bastaard Christendom zijn geschreven. ( ) Hij houdt het beeld van het oorspronkelijke, essentieele Christendom tegenover het verworden officieele Christendom, en toont daardoor aan dat het laatste een karikatuur van het eerste is.

Mijn vader beschouwde zijn gedichten echter als zijn meest persoonlijke werk. Er zijn van hem de volgende bundels verschenen: 1924 De Sirkel, 1925 De Tocht, 1937 Fuga, 1942 Voorspel gedichten 1924-1942, 1944 Nieuwe Verten; 1951 In Vitro, 1952 Van Ziel en Aarde, 1957 Objectief Brevier.

klik voor vergrotingDe dichtbundel Fuga uit 1937 werd door Frans van Oldenburg Erkmke in het weekblad De groene Amsterdammer als volgt aangekondigd:

      De boeiende persoonlijkheid, die Bruning is, - om zijn granieten ernst, de hardnekkigheid van zijn gelijk, naaldscherpte van zijn compas-achtig accurate oprechtheid - heeft blijkens deze verzen dan eindelijk ook in de poëzie een eigen uitingsvorm gevonden. ( ­) De ménsch Bruning is vollediger dan ooit in deze gave poëzie aanwezig.

Begin 1934 werd Bruning samen met zijn vrienden Ernest Michel en Ernst Voorhoeve, met wie hij gedurende 1933 het blad De Christophore had uitgegeven, lid van het Verdinaso, het Verenigd Diets Nationaal-solidarisme, de Belgische beweging onder leiding van Joris van Severen. Met zijn politieke beweging stelde Van Severen zich ten doel de vereniging van België, Luxemburg en Nederland tot een nieuwe, machtige staat, Dietsland, met een sociaal-economische ordening op corporatieve grondslag, met uitschakeling dus van het kapitalisme, en dit alles op geweldloze wijze. Mijn vader onderschreef die doelstellingen met begeestering. Op sociaal gebied beschouwde hij ze als hetgeen er verwezenlijkt diende te worden om een menselijke samenleving te realiseren, niet in de laatste plaats omdat de Kerk op dit punt verstek had laten gaan. Zijn ideeën werden als fascistisch beschouwd, verwant aan die van Mussolini. Toch kon iemand als de atheïst Menno ter Braak grote achting voor mijn vader opbrengen:

      hier hoort men een geluid, dat de niet-katholiek ( ) werkelijk raakt; en het hele geheim van deze verwantschap is, dat Bruning, hoezeer katholiek en bovendien nog fascist ook, ernst maakt met het denken,( )met zich rekenschap geven, tot de bodem toe. ( )Wanneer dus een onafhankelijke geest zoals Henri Bruning fascistisch denkt, dan zal ik de laatste zijn om hem te gaan beschoolmeesteren en hem voor te houden, dat hij beter democraat zou kunnen zijn.##

 

b. 1940. doel: zelstandigheid

Voor mijn vader was Van Severen een waarachtig staatsman met grootse visie. Direct aan het begin van de oorlog was deze leider van het Verdinaso echter in Abbeville, Noord-Frankrijk, vermoord. Ook voor mijn vader was, na de bezetting van Nederland, de vraag: wat nu? Zijn geestestoestand op dat moment wordt goed weergegeven door zijn brief van 21 juni 1940 aan zijn uitgever J.R. Meulenhoff.

      Ik heb een zeer moeilijken tijd achter den rug. De politieke gebeurtenissen van de laatste weken hebben mij niet onberoerd gelaten, omdat ik er het definitieve einde in zag van alles wat ik op politiek gebied heb gewild; méér nog heeft mij echter de reactie van het Nederlandsche volk aangegrepen - beschaamd en vernederd; dit doen alsof de oude verhoudingen en de oude toestanden nog wel eens zouden terugkeeren, terwijl een terugkeer dáárheen, d.w.z. een niét­hernieuwd en niét-herboren opstaan van ons volk, bij een overwinning van Duitschland, enkel en alleen zou kunnen beteekenen, dat wij als zelfstandig volk zonder meer en zonder pardon zouden worden weggevaagd. In een overwinning van de geallieerden heb ik nooit geloofd; zij zou ons trouwens überhaupt geen énkele (levens)káns meer laten.

Maar al spoedig had hij een uitweg gevonden: blijkens de zelfverdediging die hij in 1947 ten behoeve van zijn rechters op papier had gezet, zocht hij het heil van Nederland in dezelfde richting als Mussert. Ook tot hem was namelijk doorgedrongen:

de noodzaak eener poging de Nederlandsche nationaalsocialisten - tot dan toe over verschillende kampen verdeeld - tot een zoo sterk mogelijk front te verenigen: tot een front van Nederlanders die zedelijk onkreukbare en zoo zuiver (onaanvechtbaar) mogelijk gerichte nationaalsocialisten, en van nationaalsocialisten die gerichte, strijdbare en waarachtige Nederlanders zouden zijn, - het tegendeel dus van een innerlijk-voze, opportunistische massa-rel. Alleen zóo zouden wij, hier, het nationaalsocialisme in dezen wereldstrijd redden en... tot een zuivere (gezuiverde) kracht maken in ons volk; en alléén de aanwezigheid van zulk een front in Nederland, zou ons, bij een Duitsche overwinning, recht tot meespreken en macht tot handelen geven: recht op onze rechten als volk, en macht en gezag om deze rechten te verdedigen.

Kort na het begin van de bezetting en nog voor hij tot de NSB toetrad heeft Bruningklik voor vergroting een brochure gepubliceerd met als titel Een hard en ernstig woord tot mr. Linthorst Homan, het Nederlandsche volk en de rechtse fronten. Het was een hartstochtelijke oproep aan de Nederlanders de, volgens hem laatste kans om de ondergang van Nederland als zelfstandige staat te voorkomen, met beide handen aan te grijpen. Linthorst Homan was een van de drie gezamenlijke leiders van de Nederlandse Unie, een beweging die door aanpassing aan de door de bezetting ontstane situatie en door voorzichtige toenadering tot de nazi’s er óók op uit was van de bezetter de regering in handen gegeven te krijgen en aldus de zelfstandigheid van ons land te verzekeren. De kans daarop leek niet denkbeeldig, want het ledental van de Unie nam op dat moment pijlsnel toe.

In zijn brochure gaf mijn vader aan, dat, ook al zou het aantal leden van de Unie de miljoen passeren, de aanpassing van de Unie toch te zeer noodgedwongen, te veel stukje bij beetje en met te weinig overtuiging plaats vond om te kunnen voldoen aan de eisen die rijkscommissaris Seyss Inquart had gesteld om voor de eventuele overdracht van de politieke macht in aan merking te komen. De vurig gekoesterde hoop van de Unie de macht in handen te krijgen, liep daardoor grote kans de grond ingeboord te worden. Zoals Bru­ning in zijn brochure uit de door Seyss Inquart op 26 juli 1940 uitgesproken rede waarschuwend citeerde:

“De politieke wilsvorming in dit land is de zaak der Nederlanders”, maar hij zei ook: “Wij nationaal-socialisten kunnen ons in een ogenblik, waarop het lot van het Duitse volk voor alle tijden in onze hand gegeven is, niet houden aan slechts met de lippen beleden standpunten, doch wij zien in de harten en moeten ons gedrag naar de werkelijke mentaliteit van anderen richten. (  ) De reconstructie van het continent kan nìet voor de grenzen van Nederland ophouden.”

 

Dit waren de uitspraken, waarmee Seyss Inquart op de mogelijkheid van een eigen Nederlandse regering, van het behoud van onze zelfstandigheid had gewezen.

Voor de mentaliteit van de rechtse groeperingen, zoals de NSB, Nationaal Front en de kleine beweging van het Nederlandse Verdinaso gold dit slechts met de lippen belijden niet, omdat die al jaren een dergelijke rechtse politiek hadden voorgestaan. Daarom was de brochure van mijn vader een bewogen oproep, gericht tot die rechtse groeperingen, zich aaneen te sluiten tot een onverdeeld rechts front, dat qua mentaliteit èn omvang wèl aan de voorwaarden van Seyss Inquart zou beantwoorden. Dit zag Bruning als de grote en niet te missen kans om op dat moment te voorkomen dat wij niet, zoals hij het formuleerde 

“op een goeden (d.i. kwaden, zeer kwaden dag) bemerken dat wij het kostbaarst goed van een volk, zijn staatkundige onafhankelijkheid, definitief verspeeld hebben”.

Hoe gespannen en betrokken hij in die dagen volgde of deze kans gegrepen dan wel gemist zou worden, laat zijn artikel “Men zij gewaarschuwd” in De Waag van 14 november 1940 zien:

“Hoezeer wij persoonlijk in den strijd om de politieke wilsvorming van ons volk betrokken zijn, wij zijn tevens, van dag tot dag, toeschouwer, en vaak met verbeten opeengeklemde lippen om het even catastrofale als domme spelen met onze onafhankelijkheid.”

 

Bruning had de NSB de voorafgaande jaren de nodige kritiek niet bespaard. Mussert was in zijn ogen alles behalve een staatsman van enige allure, zij het wel zonder enige twijfel een heel goed bedoelend Nederlander. De NSB was nu eenmaal de oudste en grootste rechtse politieke organisatie in Nederland. Om de bezetter zo ver te krijgen, dat deze de NSB over Nederland zou laten regeren, was het dus zaak deze beweging door de aansluiting van zoveel mogelijk gelijkgestemde organisaties en eenlingen zo groot mogelijk te maken en òòk deze beweging van duidelijker politieke doelstellingen te voorzien. Dit alles verklaart de overstap van hem en zijn beide vrienden Michel en Voorhoeve naar de NSB.

 

c. ook na 1940 het doel: zelfstandigheid

      Dit afficheklik voor vergroting  laat zien hoe Voorhoeve, leider van de propaganda-afdeling van de NSB geworden, de Nederlanders opriep eveneens tot de NSB toe te treden. Zoals te zienklik voor vergroting: met het oog op het behoud van onze zelfstandigheid.

      Toch hebben al deze pogingen en oproepen niet het beoogde effect gesorteerd. Slechts een deel van de Nederlandse Verdinaso-aanhang volgde het voorbeeld van haar leider Voorhoeve en fusies van andere rechtse partijen met de NSB bleven achterwege. De NSB heeft de regeringsmacht dan ook niet toebedeeld gekregen en zo heeft Nederland op dat moment zijn zelfstandigheid niet teruggekregen. Deze unieke kans was verkeken. Gezien de mislukking van zijn opzet, is Brunings wanhoop wegens het volgens hem nu voor Nederland onvermijdelijke toekomstperspectief, het einde van Nederland als zelfstandige staat, op dat moment zeer begrijpelijk.

Mussert en Voorhoeve hebben de moed niet opgegeven. En voor Bruning was de strijd overigens evenmin gestreden. In een bronnenuitgave van het NIOD, samengesteld door N.K.C.A. In ‘t Veld over de Nederlandse SS, staat geboekstaafd hoe bijna onbesuisd anti-Duits Voorhoeve als leider van de propaganda-afdeling van de NSB, zich op het hoofdkwartier van de NSB placht uit te laten. Een kameraad had dat aan de bezetter overgebriefd.

“Im Herbst 1940 trat Voorhoeve…  In de herfst van 1940 trad Voorhoeve toe tot de NSB, samen met zijn naaste medewerkers uit het Verdinaso. Direct van het begin af was hij een directe tegenstander van de toen sedert kort opgerichte SS. ( ) Bij iedere gelegenheid uit hij zich in de kring van zijn medearbeiders op de meest krasse wijze tegen de SS en is in zijn uitlatingen dusdanig antiduits, dat iedere normale Nederlander, die de helft beweert van wat Voorhoeve zich veroorlooft te zeggen, gegarandeerd voor enige tijd in het concentratiekamp zou verdwijnen. Uitlatingen van de allerlaatste tijd, waarvoor getuigen aanwezig zijn, volgen hier. Bijvoorbeeld: ‘Het grootste deel van de Duitse weermacht schijt op het nationaalsocialisme’. Sprekend over de Duitse autoriteiten die in Nederland werken uit hij zich bijna dagelijks als volgt: 'Stücke angekleidete Nachgeburt.' Over de Nederlanders die de Rijksgedachte aanhangen: ‘’Maden  die de Duitsers in de kont kruipen’. Hij is bij uitstek de vertegenwoordiger van de Dietse politiek. Samenvattend ben ik van mening, dat men in Voorhoeve een absolute en niet te corrigeren tegenstander van het nationaalsocialisme dient te zien. nicht zu korrigierender Gegner des Nationalsozialismus ( ) zu sehen hat.”

in die N.S.B. ein, zusammen mit seinen nächsten und engsten Mitarbeitern aus dem Verdinaso. Gleich vom An­fang an war er ein direkter Gegner der damals seit kurzer Zeit errichteten SS. ( )  Bei jeder Gelegenheit äussert er sich im Kreise seiner Mitarbeiter in krassester Weise gegen die SS und ist derartig antideutsch in seinen Äusserungen, dass jeder normaler Niederländer, der die Hälfte behauptet von dem was Voorhoeve sich zu sagen erlaubt, be­stimmt auf einige Zeit ins K.Z. verschwinden würde. Äusserungen der allerletzten Zeit, wofür Zeugen vorhanden sind, folgen z.B. hier: 'Der grösste Teil der deutschen Wehrmacht scheisst auf den Nationalsozialismus.' Sprechend über die in Niederland arbeitenden deutschen Autoritäten äussert er sich fast täglich seinen Mitarbeitern gegenüber folgendermassen: 'Stücke angekleidete Nachgeburt.' Über die Niederländer die den Reichsgedanken vertreten: 'Maden die den deutschen in den Arsch kriechen.' ( )

( ) Er ist der Exponent der Dietschen Politik.

( ) Zusammenfasssend bin ich der Meinung, dass man in Voorhoeve einen absoluten und nicht zu korrigierender Gegner des Nationalsozialismus ( ) zu sehen hat.”

 

Het kan moeilijk anders dan dat de gezindheid van Voorhoeve karakteristiek is geweest voor het NSB-hoofdkwartier.

Met het streven naar zelfstandigheid zijn Mussert en Voorhoeve ook na 1940 actief gebleven. Opnieuw legt In ’t Velds bronnenpublikatie daarvan getuigenis af. En al heeft ook die activiteit de zelfstandigheid niet opgeleverd, zij had toch een niet gering en verrassend ànder resultaat.

Op 21 mei 1942 liet Voorhoeve een circulaire uitgaan, opnieuw en nog steeds een uiting van het streven naar zelfstandigheid. Daarin verbood hij de propagandisten van de NSB uitdrukkelijk te spreken over "het Germaansche of het Groot-Germaanse Rijk, waarvan Nederland een onderdeel zou moeten uitmaken"  en proclameerde hij:

“De politiek van den Leider is in overeenstemming met onze beginselen en met de politiek van den Führer gericht op de vestiging van een nationaal-socialistischen Nederlandschen Staat voor het Nederlandsche Volk, die aan dit Nederlandsche Volk in den te stichten Germaanschen Statenbond een zelfstandige en gelijkberechtigde plaats verschaft naast alle andere Germaansche Volkeren en Staten.”

Dus precies wat Mussert tijdens zijn proces naar voren heeft gebracht.

Op 28 mei deed Rauter deze circulaire aan Himmler toekomen, wiens reactie van 8 juni aan Rauter o.a. inhield:

“Ich finde dieses Rundschreiben Ik vind deze circulaire van de heer Voorhoeve in opdracht van de Leider zeer vreemd en bovendien zeer onverstandig. ( ) Mocht dit de mening zijn van de leider Mussert, dan, moet ik zeggen, zou ik mijn huidige goede oordeel over zijn karakter compleet moeten wijzigen.müsste ich mein bisher gutes Urteil über seinen Charakter total ändern.( )”

von Herrn Voorhoeve im Auftrage des Leiders für sehr eigenartig und ausserdem für sehr unklug. ( ) Ich lasse den Reichskommissar bitten, mit Herrn Mussert zu sprechen und ihn deswegen zur Rede zu stellen. ( ) Sollte dies die Meinung des Leiders Mussert sein, dann muss ich sagen,

In een brief van 24 juni 1942 liet Himmler, door Rauter nader geïnformeerd, laatstgenoemde weten, dat deze ontwikkeling zich bij hem inmiddels inderdaad voltrokken had:

 “Ich muss ( ) sagen, Ik moet zeggen, dat ik na de mededelingen die ik de laatste tijd ontvangen heb, ik het innerlijk met de heer Mussert persoonlijk, innerlijk gehad heb. Ik geloof niet meer, dat hij de langzame, om de waarheid worstelende, zwaar op de hand zijnde Nederlander is. ( ) Tot slot durf ik als mijn persoonlijke mening ook nog zeggen, dat ik hem innerlijk als oneerlijk beschouw. Enige botsing zal er zich daardoor tussen ons niet voordoen, maar een poging de man innerlijk  voor ons te winnen, zal ik niet meer ondernemen. Alle overwegingen die op hem betrekking hebben, zullen zuiver en nuchter politiek zijn. Alle Betrachtungen, die ihn betreffen, werden rein nüchtern politisch sein.”

dass ich nach den Mitteilungen, die ich nunmehr in der letzten Zeit bekommen habe, mit Herrn Mussert persönlich innerlich fertig bin. Ich glaube nicht mehr, dass er der langsame, um die Wahrheit ringende,  schwer­­blütige Niederländer ist ( ). Ab­­schliessend zu meinem persönlichen Urteil darf ich heute auch noch sagen, halte ich ihn innerlich für unehrlich. Krach wird es deswegen zwischen ihm und mir keinerlei geben, jedoch eine Bemühung, den Mann innerlich zu gewinnen, werde ich nicht mehr anstellen.

Dat was dan wel niet het beoogde, maar toch wel een opmerkelijk resultaat.

En zoals Rauter op 2 juli 1942 veronderstelde, namelijk "dass Mussert voraussichtlich Voorhoeve wird fallen lassen müssen", “dat te verwachten is dat Mussert Voorhoeve zal moeten laten vallen”,  is Voorhoeve zijn functie als leider van de afdeling propaganda van de NSB ontnomen. Het oude, vierdelige werk over de oorlog “Onderdrukking en Verzet” deelt naar aanleiding van deze gebeurtenissen over Voorhoeve mee: "die men later (d.w.z. rond deze tijd RB) voor enige tijd naar het oostfront heeft weten weg te werken", terwijl mijn vader ergens heeft genoteerd:

en ik weet dat er ook zijn geweest die ten aanzien van de bezetter een grote moed aan de dag hebben gelegd. Een vriend van me kreeg als enige oplossing aangeboden naar het front te vertrekken  (= zichzelf te liquideren).

Het collaborerende verradertje op het hoofdkwartier van de NSB liet Rauter in 1942 bovendien weten:

“Voorhoeve ist der Auffassung, Voorhoeve is van mening wir hätten einen andauernden Kampf ‘gegen die Deutschen’  zu führen. dat wij een onophoudelijke oorlog tegen de Duitsers moeten voeren. Seine Meinung wird van anderen höchsten Funktionären geteilt. Zijn mening wordt door andere hoogste functionarissen gedeeld. ”

Verzet onder het mom van collaboratie… Maar achter die strijd zat bij mijn vader nog iets heel anders dan alleen de bedoeling ons nationale voortbestaan veilig te stellen.

 

3.     Brunings antisemitisme: antisemitisme?

 

Daarvoor is het nodig in te gaan op mijn vaders “antisemitisme”.

 

a. negatief

Wanneer er bewijzen geleverd moeten worden voor Brunings weerzinwekkend antisemitisme, dan worden die ontleend aan een  uiteenzetting, een “Referaat van een lezing over het jodenvraagstuk”, dat in 1936 in De Dinaso-Studentklik voor vergroting werd gepubliceerd. Iemand als Jan Jaap Kelder stelde bijvoorbeeld  op 4 maart 1989 in Het Parool als voor geen twijfel vatbaar vast: “Nu wàs Henri Bruning een overtuigd antisemiet”. Eerst citeerde hij Wim Zaal, die deze uiteenzetting van mijn vader “een straf voorbeeld van het antisemitisme dat leefde binnen het Verdinaso” had genoemd en die er een passage uit had aangehaald waarin, zoals Kelder weergaf

Bruning ‘het jodendom onze samenleving van alle zijden’ zag ‘omsingelen, binnendringen, haar van bovenaf en van beneden uit usurpeeren, haar boven en onder doorwroeten, ontwrichten, overweldigen’.

Door Zaal op dat spoor gezet, kon Kelder uit dat referaat nog meer citeren:

Enige regels verder leest men bij Bruning nog over de ‘jood’: “Hij is nooit, nergens, opbouwer, verdediger; hij is hoogstens liberaal, hetgeen vrijheid en gelijkheid voor den jood beteekent; en als liberaal is hij ‘humaan’, ruim van opvatting, verdraagzaam: verdraagzaam ook tegenover alles wat de religie, de moraal, de zedelijkheid d.w.z. de Innerlijke Volkskracht van zijn gastheervolk ontbindt, ontwricht, verzwakt, bederft, verzwijnt (iets waartoe het ontwortelde jodendom niet weinig heeft bijgedragen); daartegenover staat hij humaan, d.w.z. werkeloos, dat wil zeggen liefdeloos, d.w.z met verholen leedvermaak.” “De jood, het christelijk Westen binnendringend, kwam er met zijn ingeboren, uitgesproken en onvernietigbare minachting voor alles wat wij zijn, beminnen, vereeren.”

Antisemitischer uitspraken zijn toch moeilijk denkbaar, zou men zeggen. En de oplossing van het zogenoemde joodse vraagstuk zag mijn vader in die beschouwing dan ook nog eens als volgt:

"Komen wij thans tot onze conclusie. - Wij moeten ten opzichte van de Joden dezelfde wijsheid en hetzelfde realisme betrachten, waarvan eertijds ook het joodsche volk getuigde. De joodsche wet, welke toestond, dat bv. de Idumeërs na het derde geslacht in den schoot van het joodsche volk werden opgenomen, verbood dit ten opzichte van de Amalekieten: a) omdat zij geen enkele verwantschap met de Joden vertoonden, b) omdat zij de Joden vijandig gezind waren. En wij zagen het: ook het joodsche volk vertoont geen enkele verwantschap met ons en is ons, wezenlijk, in onze heiligste goede­ren, vijandig gezind. Deze vijandschap is het fatum der diaspora eenerzijds, en van zijn innerlijke onmacht zich te assimileeren anderzijds.

En dan te bedenken, dat het referaat in de Dinaso-student nog slechts de weergave is geweest van de helft van Brunings toespraak uit 1936. De tweede helft is toen niet gepubliceerd.

 

b. positief

Dan rijst de vraag: Waren, vanaf 1940, met de nazi’s aan de macht, de omstandigheden voor Bruning niet bij uitstek gunstig om zich met een dergelijke antisemitische uiteenzetting van de gunst der Duitse nazi’s te verzekeren? Heeft hij daarom meteen aan het begin van de bezetting zo zijn best gedaan deze opnieuw en in zijn geheel gepubliceerd te krijgen?

Toch heeft dit door hem bepleite niet-opnemen van de Joden in ons volk om te beginnen niets te maken met het idee van een op hen door te voeren massamoord. Integendeel, want hij vervolgde:

Dit niet-opnemen is de negatieve zijde van de oplossing van het joodsche probleem. De positieve zijde is het gastrecht, zijnde de eenige reëele, levende rechtsorde. Dit gastrecht betreft een statuut, dat deze minderheid een leven volgens eigen aard en zijn waarborgt, doch dat haar tevens elken invloed op òns politiek, economisch, maatschappelijk, staatkundig en culturele leven onmogelijk maakt. Hiermede worden haar materieele levensmogelijkheden geenszins afgesneden. Trekken wij deze eenig logische conclusie ( ) zonder haat en bitterheid".

Meteen na zijn toetreding tot de NSB heeft Bruning zich samen met zijn vriend Voorhoeve ingespannen zijn boek Nieuw Politiek Bewustzijn, waarin onder andere ook dit referaat in vernieuwde vorm en in zijn geheel opgenomen zou zijn, gepubliceerd te krijgen. Gezien zijn critiek op de democratie die tot dan toe in ons land had bestaan, gezien de volgens hem weinig realistische instelling van de Nederlandse Unie en gezien zijn gering dunk van Musserts gaven als staatsman, is het duidelijk dat voor Bruning een vernieuwing van het politiek bewustzijn in ons land dringend noodzakelijk was en een onmisbare voorwaarde voor het behoud van onze zelfstandigheid. Zijn Dietse ideaal kwam in het boek dan ook prominent aan de orde. Het was opgedragen aan de geëxecuteerde, en door Bru­ning buitengewoon hooggewaardeerde leider van het Verdinaso, Joris van Severen.

Het grote verschil met de publicatie uit 1936, die slechts de eerste helft van zijn in dat jaar uitgesproken rede omvatte, is dat hij in dit boek het hele referaat, ook de tweede helft ervan had opgenomen, het geheel onder de titel Het drama der joden. Dit had hij wel uit zijn hoofd gelaten, wanneer hij er werkelijk mee bij de nazi’s in het gevlei had willen komen. In dat tweede deel ging hij namelijk dwars in tegen de opvattingen van Hitler en de zijnen. Dit bewijst, dat wat hij daarin beweert zeker zijn mening zal zijn geweest. Geen sprake van racisme, van de joden als Untermenschen, van haat jegens hen. Integendeel, met de volgende woorden bracht hij, na de alinea’s over gastrecht en statuut, daarin zijn achting voor het Joodse volk onder woorden:

            “Wij zouden echter onrechtvaardig zijn, als wij niet tevens erop wezen, hoe (op welke wijze) de Jood ook arbeiden kan en inderdaad ook arbeidt, aan een toekomstige positieve (wereld)orde. Hij vereenzelvigt dan zijn zending, de zending ook van het Jodendom, nl. den mensch tot een zegen te zijn (gelijk geboden werd), met een “cosmopolitisch, algemeen-menschelijk cultuur-ideaal”. ( ) Bezield door dit visioen, dat stellig mede een product is van zijn verzet tegen de verstrooiing, zien wij Joden opstaan, die edele en hartstochtelijke strijders worden, strijders ook, in wie de schoone en vaak ontroerende eigenschappen van den Jood, zijn onbuigbare trots eenerzijds en zijn vaak kinderlijke goedheid anderzijds, aangrijpend gestalte krijgen.”

En aldus verwoordde hij zijn visie op de grootheid van het Joodse volk:

"En ontegensprekelijk: een volk, dat zijn patriarchen, profeten, koningen, krijgslieden en wijzen heeft gehad - gestalten die nog altijd de bewondering der menschheid afdwingen, omdat zij behooren tot de zeer schoone figuren welke de wereld heeft voortgebracht; een volk, dat als zijn onvervreemdbaar en nationaal erfgoed het Oude Testament bezit, boeken waaraan tallooze eeuwen en tallooze volken zooveel te danken hebben gehad (en met hetgeen ik hiermee over de grootheid van dit volk heb gezegd, zij dan nogmaals vastgesteld, hoe dit volk 'een zegen' is - en dan ook scheppend - in alles waarin het daadwerkelijk heilig is geweest); een volk vervolgens, dat, in de veertig eeuwen van zijn historie, zelf met vele culturen in aanraking komend, in geen dier culturen onderging, doch zich tegenover alle handhaafde - zelve zijn geestelijke verworvenheden vastleggend in een literatuur, die thans reeds drie duizend jaren omspant; een volk dat zich aldus handhaafde doorheen een historie, die wellicht de meest bewogen en smartelijke is geweest die volken gekend hebben, ( ) een dergelijk volk is ontegensprekelijk een groot volk".

Vervolgens verwoordde hij aldus de tragiek van het Joodse volk:

Verstaan wij de grootheid van dit volk, dan verstaan wij ook tevens zijn tragiek. Evenals elk sterk volk werd ook dit volk de wil ingeschapen tot vrijheid, tot zelfstandigheid, tot zelfontplooiïng, tot zelfbevestiging, tot volstandig leven overeenkomstig zijn zelfbewustzijn. Wij weten, hoe het superioriteitsbewustzijn van een volk (dit glorieus bezit!) een staat behoeft, een eigen staat en een eigen territorium om zichzelf te kunnen realiseeren, maar het is juist dit eerste levensrecht, dat dit volk - dit volk in de verstrooiing - ontzegd werd. ( ) Het bezit geen staat, geen land, dat het als het zijne in bezit kan nemen; het werd de verstrooiing ingedreven, het leeft verspreid over andere volken en andere culturen, door andere volken overheerscht, door andere culturen ook, culturen die zich, gelijk het niet zonder jaloerschheid moet vaststellen, ontwikkelen, die leven, daadwerkelijk zijn. Dit beseffend, begrijpt men, hoe dit volk steeds, doorheen zoovele eeuwen, worstelde om dien vernederenden doem - den doem van het balling-zijn, den doem der diaspora, den doem, geen macht te zijn - te ontkomen (..). Waarheen en hoe dit volk zich ook keerde en keert, overal en telkens vindt het den weg versperd tot dat recht, dat het recht is van elk volk: zichzelf te zijn. (...). Altijd rest dit volk dit eender lot: een verbannen volk te zijn, een volk zonder vaderland, een volk zonder staat, een volk in de verstrooiing. En altijd rest dit volk (als volk) als eenige en hoogste levensmogelijkheid: het aanvaarden van dit lot - welk aanvaarden tevens, voor een volk, de diepste vernedering is. - Beseffen wij dit. En beseffen wij dan tevens, hoe ten overstaan van deze tragiek - en welke ook onze bittere, zeer bittere ervaringen geweest zijn - geen haat meer past.”

De nazi’s hadden dus overvloedige redenen zich door Bruning over hun opvattingen en gedrag met betrekking tot de Joden zwaar op hun nummer gezet te voelen. Nee, als  Bru­ning aan het begin van de oorlog de nazi’s tègen zich in het harnas had willen jagen, dan had hij dat niet beter dan met deze uiteenzetting voor elkaar kunnen krijgen. Aan Jan Rogier schreef hij 11 september 1975:

 Ik schreef deze tweedelige beschouwing (nogmaals vóór de oorlog) met geen andere bedoeling dan een poging te ondernemen om te helpen voorkomen dat het bestaande antisemitisme excessieve vormen zou aannemen (daarbij echter geen moment vermoedend dat de duitsers van zins waren dit volk uit te roeien).

Wat is er aannemelijker, dan dat dit, het voorkomen van excessen, aan het begin van de oorlog met zijn exposé “Het drama der Joden” opnieuw zijn opzet is geweest?

 

c. Brunings inzet Het drama der joden gepubliceerd te krijgen

Bij het NIOD berusten twee brieven van mijn vader aan Voorhoeve betreffende het samenstellen en uitgeven van Brunings boek Nieuw Politiek Bewustzijn. In de eerste, van 3 november 1941 wees hij de mogelijkheid af het boek normaal via een uitgeverij uitgegeven te krijgen, omdat het dan bij verschijnen waarschijnlijk toch meteen verboden zou worden

Beste Ernst, ( ) Het lijkt me dan nog beter het nogmaals met de voorspraak van het Departement te probeeren en dan in godsnaam die stukken over Dietschland te schrappen en over de andere stukken, die het Departement geschrapt wilde zien, nog even overleg te plegen. - Het boek wordt dan wel heel ánders, maar met een gewijzigde titel is daartegen geen bezwaar, en we loopen dan tenminste niet de kans, dat het boek na verschijnen verboden wordt.

De tweede brief van 7 november 1941 laat zien, dat hij dit voornemen heeft uitgevoerd en tevens hoe het welzijn van de Joden in Nederland hem zelfs meer ter harte ging dan heel zijn zo dierbare Dietse ideaal. De bezetter moest van het Dietse ideaal kennelijk niets hebben – volgens Loe De Jong is dat inderdaad zonder meer het geval geweest -, en Bruning veronderstelde dat dat de reden kon zijn waarom zijn boek wellicht niet door de censuur van de bezetter kwam. Alles wat op Dietsland betrekking had, had hij daarom verwijderd, terwijl dat bij hem toch de kern was van het op te wekken nieuwe politieke bewustzijn en het eigenlijke doel van zijn politieke bemoeienis met betrekking tot een eenmaal weer zelfstandig geworden Nederland. Als gevolg daarvan was de titel: Nieuw Politiek Bewustzijn niet meer van toepassing op de inhoud. Die tweede brief aan Voorhoeve luidde:

“Hedenmorgen overhandigde ik Dr. J. van Ham het omgewerkte manuscript van NIEUW POLITIEK BEWUSTZIJN. Titel en opdracht (In Memoriam J.v.S.) heb ik geschrapt en vervangen door: POLITIEKE GESCHRIFTEN - DEEL I (..). Verdwenen zijn voorts ook de beide artikelen over Dietschland, en waar het woord Dietschland gebruikt werd heb ik dit vervangen door Nederland of de Nederlanden.

( ) Ik hoop dat een en ander tot gevolg heeft dat het boek nu verschijnen kan. Als ze het nu nóg niet willen kan ik alleen maar besluiten tot vuile intrigues van "kameraden", die een atmosfeer bezwijnen. Als ook de wensch en de wil van het Departement geen effect mocht blijken te hebben, wordt het zaak dunkt mij om dit tot het bittere einde uit te vechten - desnoods met behulp van den Leider, - want tenslotte is een weigering (ook ná de omwerking nog) een klap in het gezicht van de Beweging, en een zeer vuíle klap. - Enfin, we zullen afwachten. Dr van Ham zal er spoedig werk van maken (de brief welke hij schrijft wordt onderteekend door Dr Goedewaagen), maar hoe moeten we voorkomen, dat de Duitschers de zaak niet weer eindeloos sleepende houden??!!!”

In zijn brief van 11 september 1975 schreef hij hierover aan Jan Rogier:

Uiteraard moest het geschrift de duitse censuur passeren. Voorhoeve dacht er goed aan te doen de Duitsers de gedrukte tekst voor te leggen, en deze als een uitgave van Nenasu (de uitgeverij van de N.S.B.; een bevriende mogendheid om zo te zeggen). Hij hoopte daarmee moeilijkheden met de censuur te voorkomen of deze toegeeflijker subs. onbedachtzamer te maken. Het heeft niet gebaat. De Duitsers weigerden hun toestemming te geven en ík stond meteen in het verdomboekje.

klik voor vergrotingIn plaats van in de gratie door deze actie dus juist uit de gratie bij de bezetter.  Dank zij het feit dat het boek niet in manuscriptvorm, maar dus met opzet in gedrukte vorm aan de Duitse censuur was voorgelegd en dat daarvan een paar exemplaren bewaard zijn gebleven, kan het hier getoond worden. In de oorspronkelijke vorm van het exemplaar dat uit de bibliotheek van het NSB-hoofdkwartier afkomstig is, zag het er aldus uit:

En zo zag het exemplaar er uit met de door Bruning aangebrachte correcties, waarbij alle toespelingen op het Dietse ideaal en daarmee de eigenlijke inspiratie voor het nieuwe politieke bewustzijn tot en met de opdracht aan Van Severen verwijderd waren: de titelpagina, de opdracht, de inhoudsopgave, het begin van "Het drama der joden".
klik voor vergroting klik voor vergroting
klik voor vergroting klik voor vergroting

Zowel voor de uitvaardiging van het door Bruning beoogde statuut voor de Joden, als vervolgens voor hun behandeling overeenkomstig zijn van veel achting voor de joden getuigende visie op hen, was, tijdens de oorlog en na de door hem verwachte Duitse overwinning, een zelfstandige Nederlandse regering uiteraard een onontbeerlijke voorwaarde. Bru­nings activiteiten direct aan het begin van de bezetting om deze eigen regering door de Duitsers toegewezen te krijgen, had dus enerzijds ten doel te voorkomen dat Nederland bij een Duitse overwinning als zelfstandige staat van de kaart geveegd zou worden en anderzijds om te voorkomen dat de Joden in ons land het slachtoffer van excessen zouden worden. De gedachte aan een alles overtreffend exces in de vorm van een holocaust is daarbij bij Bruning eenvoudig nog niet eens op kunnen komen. Voor wat Bruning beoogde was die grootscheepse rechtse frontvorming, door hem in de brochure Een hard en ernstig woord zo krachtig gepropageerd, noodzakelijk opdat de NSB door de bezetter serieus genomen zou worden als gegadigde voor de machtsoverdracht. Zoals reeds gezegd moet de totale mislukking van deze opzet gevoegd bij zijn overtuiging dat een Duitse overwinning vaststond, bij hem een grote wanhoop veroorzaakt hebben alleen al vanwege de volgens hem nu te verwachten teloorgang van Nederland als staat. Maar dus ook vanwege hetgeen hij de joden in Nederland nu aan mogelijke excessen van Hitlers antisemitisme boven het hoofd zag hangen. En hoe zijn gemoedsstemming na de oorlog geweest zal zijn, toen de geruchten uit de oorlogsjaren over het vermoorden van joden, op een alles overtreffende wijze bewaarheid werden, laat zich alleen maar raden.

 

4.     doelstelling van Mussert en Bruning positief te beoordelen?

 

Om te beseffen, of er iets positiefs te zeggen valt over Musserts en Bru­nings opzet van Duitse zijde goedkeuring voor een zelfstandige regering te verwerven, moeten we ons oor te luisteren leggen bij twee buitenlandse historici . Eberhard Jäckel gaf op de vraag hoe het mogelijk is dat in een niet agressief antisemitisch land als Nederland zo'n hoog percentage joden de dood ingejaagd kon worden, als antwoord

dat het verschil zit in het feit dat Nederland, evenals Luxemburg, een Duits burgerlijk bestuur kreeg, met een Gauleiter aan de top, in tegenstelling tot België en Frankrijk dat militair be­­stuurd werd.

En Serge Klarsfeld constateerde op de Duitse televisie:

In de oorlog is een kwart van alle joden in Frankrijk omgekomen. In Nederland, dat volledig bezet was en geen eigen regering had, was dat percentage veel en veel hoger.

Onlangs (21 augustus 2009) heeft Jan Bank in de NRC voor Frits Abrahams het enorme belang van de “collaboratie” van de Deense regering voor het massale overleven van de Deense Joden toegelicht. Daar had wat Nederland betreft ook Roos Sijbrands overigens al jaren geleden op gewezen:

Dus dat het Nederlandse volk aangeklaagd zou moeten worden omdat het niet genoeg gedaan heeft, daar word ik niet goed van. ( ) Vergeet niet dat wij hier een politieke bezetting hadden, in Denemarken was er alleen een militaire.

Een Nederlandse nationaal-socialistische regering onder leiding van Mussert zou, gezien voorgaande uitspraken, de Nederlandse joden dus wellicht voor veel onheil hebben kunnen behoeden.

 

 

III. na 1945: begrip voor verzet onder het mom van collaboratie onmogelijk

1.     1945

 

Na de oorlog kon er voor de mogelijkheid van verzet onder het mom van collaboratie geen begrip verwacht worden. En waarom niet? In 1945 gold volgens Loe De Jong voor iemand als Mussert:

“Voor de publieke opinie was zijn geval bij uitstek simpel: de NSB had van meet af aan naast de bezetter gestaan, hij was haar leider geweest, had in talrijke toespraken Hitler verheerlijkt en Duitsland geprezen - als er één 'landverrader' was die de kogel verdiend had, dan Mussert!”

Waaruit zal in die publieke opinie zijn aanhang dan anders hebben kunnen bestaan dan uit landverraders, die al dan niet ook de kogel verdiend hadden. Maar in 1954 begon een nieuwe ontwikkeling die ook maar het geringste begrip voor het idee van verzet onder het mom van collaboratie helemaal om zeep hielp.

2.     1954: Victor van Vriesland

 

Het begon met Victor van Vriesland, begin 1954 de éminence grise van de Nederlandse literatuur. Die heeft waarschijnlijk gevreesd, dat de afloop van het tienjarig schrijfverbod, dat in 1945 aan de in de oorlog foute auteurs collectief was opgelegd, een overstroming van de markt te zien zou geven met prachtige werken die deze auteurs in die tien jaar geproduceerd zouden kunnen hebben. Toen is hij volgens mij op een goed idee gekomen om hen ook voor de rest van hun leven het publiceren onmogelijk te maken. Een prominent en direct slachtoffer is daarbij Henri Bruning geweest. Deze stond op het punt bij een verzetsman als Bert Bakker en daarbij gesteund door de niet minder gerespecteerde J.B. Charles, zijn omvangrijke studie Gezelle de andere, vrucht van zìjn internering, gepubliceerd te krijgen. Er waren van hem na 1950 inmiddels al twee dichtbundels verschenen, dank zij het feit dat zijn schrijfverbod in 1947 tot zes jaar was verminderd door gebruik te maken van de mogelijkheid in hoger beroep te gaan. Theun de Vries heeftbij die gelegenheid weten te voorkomen, dat hij, zoals Anton Van Duinkerken, Albert Helman, Vestdijk en Adriaan Roland Holst toen bepleit hebben, niet onmiddellijk weer aan het publiceren is mogen gaan.

      Begin 1954 heeft Van Vriesland bij de herdenking van het kunstenaarsverzet een rede uitgesproken, uitgegeven onder de titel “De onverzoenlijken”klik voor vergroting; volgens mij worden wij tot op het huidig moment met de ellendige gevolgen van die rede geconfronteerd.

Wellicht als eerste heeft Van Vriesland in die rede de uniciteit van de massamoord op de joden naar voren gebracht. Hij wees er namelijk op dat: “hier wellicht voor het eerst in die mate in de wereldgeschiedenis de stelselmatige uitroeiïng van geheel een volk ondernomen [is], iets waarvoor het begrip “genecide” is gebruikt”, met andere woorden:“dat hier misschien voor de eerste maal een koud en bijna mechanisch, een als het ware zuiver administratief werkend systeem is ingevoerd ( ). Het nieuwe element, het verschil van hoedanigheid ( )  is te vergelijken met het juridische verschil tussen doodslag en moord”.”

Een zich niet kwantitatief maar kwalitatief van alle vorige genocides uit de wereldgeschiedenis onderscheidende massamoord: een in het perspectief van de wereldgeschiedenis dus unieke misdaad. De schuldigen aan dit unieke en niet te bevatten misdrijf moeten bij hem dan wel automatisch een al even uniek, zich kwalitatief van alle andere misdadigers uit het verleden onderscheidend soort misdadigers zijn geweest. Als zodanig voerde hij in zijn toespraak de collaborateurs dan ook ten tonele, namelijk niet slechts als, zoals hij hen omschreef, “de aansprakelijken voor, en medeplichtigen aan deze moorden”, maar ook als “de gewezen en potentieel toekomstige beulen”; als lieden die als ze de kans krijgen niet zullen nalaten “de recidieve, die op hoge uitzonderingen na reeds in hun hart leeft, tot werkelijkheid te maken”.  Door ons jegens hen verzoenlijk te betonen “worden massaal onze kinderen en misschien wijzelf tot nieuwe slachtoffers voorbestemd.” Logisch, dat jegens dergelijke in en in misdadige onmensen alleen absolute onverzoenlijkheid de enige houding was.

Hoe meende Van Vriesland dat het huiveringwekkende gevaar, dat deze lieden nog altijd vertegenwoordigden, te bezweren zou zijn? Je zou denken met het voorstel al die onmetelijk zware, onverbeterlijke misdadigers ten snelste uit de weg te ruimen. Maar merkwaardigerwijs legt hij de Onverzoenlijken vervolgens een volmaakt ondoeltreffende maatregel in de mond, te weten:

de "Onverzoenlijken", vooral de kunstenaars onder hen, zich verantwoordelijk voelend jegens de gemeenschap, verzetten er zich met kracht tegen dat de genoemde groepen weer infiltreren op die plaatsen in het openbare geestesleven, waar zij als publicist of op andere wij­ze kunnen bijdragen tot de opinievorming van ons volk, of tot de opvoeding en het onderwijs van onze jeugd".

Het resultaat was inderdaad dat daarmee die schrijvers definitief “kaltgestellt” waren en Van Vriesland onbedreigd de dictatuur over zijn Nederlandse literaire imperiumpje kon voortzetten. Zij het ten koste van de collaborateurs met Mussert voorop die in een handomdraai van landverraders in verantwoordelijken voor en mede­plichtigen aan de holocaust èn nog erger waren getransformeerd, iets waarvan tijdens de Bijzondere Rechtspraak in 1945 en volgende jaren geen sprake is geweest. Dat was natuurlijk al allerminst bevorderlijk om nog ooit op de gedachte te komen dat achter de oorlogsoorlogsactiviteiten van die collaborateurs wel eens iets als verzet onder het mom van collaboratie schuil zou kunnen gaan, laat staan dan ook nog eens ten gunste van de joden.

      klik voor vergrotingOverigens is in 1954 niemand minder dan Abel Herzberg onmiddellijk tegen de tendens van Van Vrieslands rede in verzet gekomen  en wel met de zeer onheilspellende voorspelling: momenteel

      zeggen sommigen dat wij onverzoenlijk moeten zijn. In de laatste tijd wordt die onverzoenlijkheid weer met enige nadruk gepropageerd. Ik kan er de wijsheid niet in ontdekken en vermag niet in te zien dat met het levend houden van de haat en daarmee van de vergelding veel kan worden gewonnen. Want de onverzoenlijkheid biedt geen waarborg dat wij niet als geheel genomen, in dezelfde heilloze ellende vervallen die ons is aangedaan.

 

3.     1954: Bruning en Van Vriesland

 

Hoezeer Van Vrieslands formidabele beschuldigingen mijn vader als een van die ongeëvenaarde misdadigers geraakt hebben is af te lezen uit het volgende citaat uit een brief van 25 september 1955 aan uitgever Meulenhoff:

Ik ben na die ( )affaire zo moe en beu geweest. Ik heb gedacht: laat ik dat vuile wezen dat ik ben maar blijven en niemand met mijn vuilheid lastig vallen; laat ik alle contacten vermijden en - met al dat wantrouwen overal ten aanzien van mijn persoon - voor niemand een bron worden van complicaties en onaangenaamheden. Om die reden heb ik dhr Bakker mijn copie voor Maatstaf teruggevraagd, en om diezelfde reden heb ik er ook van afgezien toen U het boek over Gezelle te zenden. Ik heb me terug­getrok­ken, me begraven in vertaal­werk, wel wetend dat ook dit terug­trekken ten nadele van mij zou kunnen worden uitgelegd.

klik voor vergrotingVan Vriesland heeft met zijn rede onmiddellijk een eind gemaakt aan Bru­nings rol als schrijver op het culturele toneel van ons land. Bakker en Charles zijn de eersten geweest die hun handen van hem hebben afgetrokken. Gezelle de andere werd een flop. Bruning is in de vergetelheid geraakt en aldus in 1983 gestorven.

 

4.     jaren 60 en daarna:

a. De Jong

 

In Historisch Nieuwsblad heeft prof. Blom, voormalig directeur van het NIOD, onlangs aangegeven dat er vóór 1960 in ons land nauwelijks historische belangstelling bestond voor de Tweede Wereldoorlog. Volgens hem is deze belangstelling pas in de zestiger jaren ontstaan:

Je had De bezetting van Loe de Jong op televisie, het Eichmann-proces in Jeruzalem en het boek Ondergang van Jacques Presser. De jodenvervolging ging een steeds belangrijkere rol spelen en werd in de jaren zeventig zelfs de kern van het verhaal over de oorlog.

De hierboven geschetste rol daarbij van Van Vrieslands De Onverzoenlijken uit 1954 vermeldde hij niet. Van Vriesland had intellectuèèl Nederland zijn visie weten op te leggen en daarmee voor Loe de Jong de weg gebaand. Deze heeft met zijn magistrale  veertiendelige geschiedwerk hèèl het Nederlandse volk van die visie overtuigd. Eén zin geeft het fundament van heel zijn geschiedbeeld weer:

Nergens heeft het nationaal-socialisme zijn ware aard  duidelijker getoond dan in de Jodenvervolging.

wat wil zeggen: De ware aard van het nationaal-socialisme is de holocaust, de opzet de joden te vernietigen en de ware aard van de nationaalsocia­listen is dan het aanrichten daarvan. In navolging van Van Vriesland was de holocaust ook voor hem een uniek gebeuren in de wereldgeschiedenis: het betrof immers

een uitroeiingsmachinerie die in de gehele wereldgeschiedenis nog door geen machthebber was ontworpen en in werking gesteld

en dat was volgens hem geenszins een goedkope opmerking zoals hem was voorgeworpen bij de voorbespreking van deel tien:

Ik zie niet in wat er goedkoop is aan mijn opmerking - juist de uitroeiingsmachinerie vormde een uniek fenomeen (  ).

Daarmee waren in zijn geschiedschrijving de nationaalsocialisten in wereldhistorisch perspectief het waarlijk ultieme soort misdadigers.

 

b. het goed-fout paradigma

 

De Jong was zo overtuigd dat hij zijn geschiedbeeld tot dat van de Nederlanders had weten te maken, dat hij het heeft aangedurfd historici met eventuele kritiek op zijn werk in deel veertien van zijn magnum opus aan het woord te laten. Dat hij daar overigens niets van te duchten had, omdat zijn beeld van de oorlog op dat moment volstrekt dominant was, en het onmogelijk was met een afwijkende opinie aan bod te komen, bewijst de enigszins verbijsterende inleiding op dat deel:

De hoofdfactor die de vrij nauwe limieten van de discussie  bepaalt, ( ) spreekt zo vanzelf dat hij nauwelijks vermeld behoeft te worden: de weigering van alle auteurs die in Nederland studies over de bezettingstijd publiceren om enerzijds een positieve waardering voor het nationaal-socialisme, de bezetters en de collaborateurs te verwoorden en anderzijds de vervolgden te kritiseren. De oorlogsperiode vormt de enige episode in de Nederlandse geschiedenis die geen debat over fundamenteel gelijk of ongelijk toelaat. ( ) De totale verwerpelijkheid van het bezettingsregime is het enig denkbare gegeven in de hele Nederlandse geschiedenis waarover een zo homogene consensus wordt geacht te bestaan dat pogingen in het openbaar een afwijkende mening te uiten òf niet worden gedaan òf niet worden toegelaten.

Dit feit verengt het terrein van de historische discussie. Het relatieve gelijk van de Spanjaarden tijdens de Opstand, van de diverse politieke partijen in de zeventiende en achttiende eeuw ( ) kan door geschiedschrijvers worden overwogen zonder dat zij zich daardoor discrediteren; het relatieve gelijk van Hitler, Rauter, Mussert en consorten vormt noch voor hen noch voor hun lezers een aanvaardbaar thema.

Twee citaten om duidelijk te maken in wat voor licht de collaborateurs dientengevolge decennia lang gestaan hebben. N.K.C.A. In 't Veld beeindigde zijn bronnenpublicatie met de titel De SS en Nederland uit 1976, niettegenstaande de door hem erin opgenomen enin het voorgaande geciteerde documenten betreffende een Voorhoeve en een Mussert die het tegendeel bewijzen, met de zwaar beschuldigende uitspraak:

      Wat de nazificatie van Nederland betreft kwam het in Nederland niet tot een tweede aanloop van een door Duitsland gewonnen oorlog, waarbij de tijd voor de nationaal-socialisten gewerkt zou hebben. De term 'nationaal-socialisten' is hier in zijn algemeenheid opzettelijk gebruikt. In dat perspectief is het niet meer zinvol om de NSB- of de SS-variant te onderscheiden van een beweging, die Nederland, zoals dit voor de huidige lezer herkenbaar en leefbaar is, zou hebben vernietigd. 

Het tweede citaat komt uit het derde en laatste deel van de Winkler Prins  Geschiedenis der Nederlanden, een serie waarvan de redactie uit maar liefst vijf Nederlandse en Belgische professoren bestond. Van dat derde deel uit 1977 was prof. dr E.H.Kossmann de auteur. In de éérste wereldoorlog hadden de Vlamingen door met de Duitsers samen te werken getracht een Vlaamse universiteit te verwerven. Kossmann beschuldigde de Nederlandse tezamen met de Belgische collaborateurs uit de Twééde Wereldoorlog nu van de volgende onmenselijke misdadigheid:

      de Nederlandse en Belgische nazi’s, wier collaboratie met de bezetter intiemer was en gruwelijker effecten, zoals de uitroeiing van de joden, bedoelde te bereiken.

Begrijpelijk is, dat zijn en De Jongs geschiedschrijving voor van alles bevorderlijk geweest kan zijn, maar niet om bij de Nederlanders ooit het idee van verzet onder het mom van collaboratie te doen opkomen. Voor alle decennia van de dominantie van het geschiedbeeld van De Jong, heel de periode van het goed-fout paradigma dus, kan dat als volkomen uitgesloten beschouwd worden.

 

Wat hun geschiedschrijving wèl bevorderd heeft en wat ook kenmerkend is voor heel die periode van het goed-fout paradigma, werd door Henri Bruning, die, voor zover dat toen nog niet het geval geweest mag zijn, tijdens de twee jaar van zijn internering de gemiddelde NSB’er van nabij had leren kennen, als volgt verwoord in een brief van 8 januari 1974 aan Martin Ros:

Iets anders, moeilijker te verwerken, is, dat men dit "vergooide idealisme" (als ik de eerste 8 jaar na de oorlog niet meereken) twintig jaar lang steeds verwoeder en vernederender heeft bevuild en ontluisterd, dat men erop heeft staan dansen en trappen tot de mens in de idealist totaal vernield was. Dat houdt me niet bezig wegens mijn "idealisme", maar wegens die talloze jonge idealisten, gewone jongens die oprecht in een ideaal geloofden, die die stroom van vuil niet hebben kunnen verwerken, die zich niet konden verdedigen, zichzelf niet meer begrepen, zichzelf - uitgemaakt voor rapalje en uitvaagsel - niet meer herkenden, voor zichzelf wegscholen en op de een of andere manier een veilig onderkomen moesten zoeken, burgerman werden, of cynisch, of vol haat, of keiharde geldmakers en dit als enige mogelijkheid om zich overeind te houden, ook tegenover hun eigen kinderen die hen voor onbegrijpelijke idioten, halfzachten, imbecielen moesten gaan houden.

Abel Herzberg had niet voor niets gewaarschuwd: laten wij ervoor op onze hoede te zijn dat wij niet als geheel genomen, in dezelfde heilloze ellende vervallen die ons is aangedaan.

IV. 1990: een moment van begrip voor verzet onder het mom van collaboratie

 

En toch is er, zij het gedurende een kortstondig moment, hoe onwaarschijnlijk dit na het voorgaande ook moge schijnen, voor dit tegenwerken van de Duitsers onder de dekmantel van collaboratie begrip is geweest en nog wel speciaal in het geval van mijn vader. En dat op een plaats waar dit wel het minst te verwachten was, namelijk in De groene Amsterdammer, in 1954 spreekbuis van Victor van Vriesland. Daar was op dat moment, 1990, Martin van Amerongen hoofdredacteur.klik voor vergroting In januari 1990 had ik in een polemiek met Adriaan Venema  in de NRC de kern van mijn zojuist gehouden uiteenzetting aangaande Brunings bemoei­ingen in 1940 met betrekking tot de Joden met een ingezonden brief onder woorden kunnen brengen. klik voor vergrotingEn wat beweerde Robbert Bodegraven, volgens mij als gevolg van dat artikel, op 2 mei 1990 in De Groe­ne onder de toch wel enigszins prijzende kop: Henri Bruning het literaire geweten van de NSBklik voor vergroting?

      "Weer gaan er stemmen op die Bruning willen zien als een idealist die het beste met het Nederlandse volk en zijn literatuur voor had. Dat hij daarbij voor het nationaal-socialisme koos, valt, volgens de aanhangers van deze visie, natuurlijk niet goed te praten, maar moet worden gezien als een poging de barbaarsheid van die ideologie van binnen uit te bestrijden."

Van binnenuit bestrijden, anders gezegd bestrijden onder de dekmantel van collaboratie. Als een van degenen die deze visie huldigden, vermeldde Bodegraven hierbij, hoogst opmerkelijk, in de eerste plaats de naam van Loe de Jong. :

Oppergeschiedschrijver van Nederland in oorlogstijd, L. de Jong, is een van degenen die deze mening verkondigt.”

En dat terwijl De Jong toch ervan op de hoogte was, dat Bruning fervent aanhanger was geweest van Van Severens Verdinaso met het bijbehorende antisemitisme.

Een paar weken later, op 28 juli,klik voor vergroting heeft Max Nord, in een omvangrijk, aan Menno ter Braak gewijd artikel in Vrij Nederland, op een overigens nog veel onopgemerkter maar nog revolutionairder wijze, het gewaagd - als ware het een vanzelfsprekende, algemeen aanvaarde historische waarheid – klik voor vergrotingin één zin te schrijven over:

de onleefbare wereld die aanbrak met de bezetting, onleefbaar "tenzij zij leefbaar werd gemaakt in de risico's van meelopen, collaboratie dus, of die van woedend en principieel verzet".

klik voor vergrotingDit gaf mij de gelegenheid om in de NRC van 8 september 1990 middels een volgende ingezonden brief, ook deze geplaatst dank zij de zeer welwillende medewerking van redacteur Charles Coster van Voorhoutklik voor vergroting, (te schrijven over

een copernicaanse omwenteling in de beoorderling van de collaboratie. Die heeft zich inmiddels bij Max Nord voltrokken. (  ) Dit soort collaboratie op één lijn geplaatst met het verzet: heeft het ‘goed-fout’-paradigma met Venema als laatste, karakteristieke representant afgedaan? Een stukje oorlogsverleden zou dan kunnen worden herschreven.

klik voor vergrotingMaar reeds een goede maand later heeft Nord in een reactie op duidelijk leugenachtige wijze dit bijzondere, maar geheel Unzeitgemässe inzicht alweer verraden en zijn le­zers­publiek  in de NRC van 18 september 1990 met het volgende briefje zand in de ogen gestrooid:

In de discussie tussen Adriaan Venema en Raymund Bruning (NRC Handelsblad, 8 september) schrijft Bruning dat ik "een copernicaanse omwenteling in de beoordeling van de collaboratie" heb ondergaan. Hij leidt dit ten onrechte af uit mijn artikel over Menno ter Braak in Vrij Nederland van 28 juli dit jaar.  Vermoedelijk bedoelt hij daarmee dat ik bijvoorbeeld zijn vader, Henri Bruning, zou beschouwen als iemand die voor het nationaal-socialisme koos om te trachten deze ideologie van binnen uit te bestrijden. Voor de lezers die mijn artikel over Ter Braak niet kennen, wil ik er geen misverstand over laten bestaan, dat dit geenszins het geval is en ik collaborateurs met de bezetters tussen 1940 en 1945 bepaald niet "op één lijn met het verzet" heb geplaatst, zoals wordt gesuggereerd. Het is dan ook niet uit mijn tekst te lezen. Max Nord

 

Ja, ja: dat kon hij de lezers die zijn tekst niet gelezen hadden wel op de mouw spelden. En: nee, inderdaad, het was geenszins uit zijn tekst te lezen, behalve dan uit die ene, door mij geciteerde zin, die hij in zijn

briefje maar wijselijk niet heeft herhaald. Hij heeft gelijk en ik ongelijk, in zoverre hij collaboratie ongetwijfeld niet zonder meer met het verzet op een lijn heeft geplaatst, maar alleen dàt verzet dat slechts een mom was, waaronder de bezetter werd tegengewerkt, een soort verzet waarvoor hij als mogelijkheid, gezien zijn zinnetje over mijn vader, dank zij mijn artikel kennelijk een goed oog had ontwikkeld.

Maar ja, door Robbert Bodegraven zijn artikel over Bruning te laten pu­­­bliceren had Van Amerongen, evenals trouwens Max Nord-met-zijn-onvoorzichtige-zinnetje, het bestaande oorlogsbeeld duchtig in gevaar gebracht. Met zijn loochening heeft Nord aan dat gevaar nog net een eind weten te maken. De beide heren zullen, neem ik aan, duchtig tot de orde zijn geroepen. Want hadden hun onthullingen bij het publiek de paradigmatische schellen van de ogen doen vallen, dan was het bestaande oorlogsbeeld als een enorme geschiedvervalsing aan gruzelementen gegaan.

Men zal tegenwerpen: stel dat je gelijk hebt met je vader, dan had dat ene geval toch onmogelijk dergelijke gevolgen kunnen krijgen? Maar er had kunnen gebeuren wat mijn vader veronderstelde dat er te verwachten zou zijn in het geval, zoals hij het ooit formuleerde “ik een aanvààrdbare zelfverdediging zou schrij­ven”, want, vervolgde hij, dan “zou ik ipso facto talloze anderen verdedigen, en dat zou onder geen beding gedoogd worden.” Dat gevaar, in dit geval veroorzaakt door mijn zo te zien zeer aanvaardbare verdediging van mijn vader, heeft men Van A­merongen en Nord kennelijk tijdig aan het verstand weten te brengen.

Het idee van verzet onder het mom van collaboratie en het begrip daarvoor, was als een kortstondig, door nauwelijks iemand waargenomen, maar voor kenners opmerkelijk komeetje aan het firmament van het Nederlands bewustzijn in het bestaande diepe duister verdwenen.

V. NIOD: verzet onder het mom van collaboratie afgewezen

1.     NIOD

a.     2004: J.C.H. Blom

Maar ja. ik bleef ook niet stilzitten

De voorgaande  beschouwing betreffende Brunings collaboratie heb ik in 2004 in een andere vorm en onder de titel “Een keitje van David” voorgelegd aan professor Blom, die toen nog directeur van het NIOD was. Ik deed op hem als grootste autoriteit op dit gebied een beroep om mij van zijn deskundig oordeel over de historische juistheid of onjuistheid ervan in kennis te stellen.

In zijn brief van 2 juni 2004 liet hij mij weten:

“Ik zal op dat beroep niet ingaan. (...) Uw brief maakt ( ) ook duidelijk dat aan Uw zijde (tenminste mede) rehabilitatie van Uw vader een doel is van Uw beroep op mij. Ik voel er niets voor met dat doel onderzoek te doen. Een beroep om een dergelijke rol toch te spelen of om als een soort gezaghebbend keurmerk te fungeren voor de conclusies van anderen, wordt op het NIOD of op mij als directeur wel vaker gedaan. Maar ik beschouw dat als ongewenste vermenging van doeleinden. Ik poog mij te richten op historisch onderzoek met historische vraagstellingen (kennis en inzicht).  Tot slot verzekerde hij nogmaals:daarbij blijven wij ons als instituut op kennis en inzicht richten.

Nu had ik hem met mijn tekst enige historische gegevens, dus kennis verschaft die hem naar mijn idee een nieuw inzicht in de beweegredenen van bepaalde collaborateurs mogelijk maakten, kennis en inzicht dus en nu wees hij die af omdat, als ik gelijk had, dit onvermijdelijk zou impliceren: het gedrag van personen ten tijde of rond de tweede wereldoorlog te billijken dan wel te desavoueren zoals hij het in een aan mij gerichte brief van 15 dec. 2004 formuleerde. Maar wanneer dat billijken dan wel desavoueren nu het automatische gevolg is van een bepaald objectief verworven nieuw historisch inzicht?

En Blom zou niet hebben ingezien wat Van Amerongen veertien jaar eerder al aan de hand van één ingezonden brief in de NRC heeft ingezien? 

Het kan ook zijn dat bij Blom meespeelde wat de Belgische auteur met joodse achtergrond Ludo Abicht in 1994 in zijn boek De zure druiven van de oorlog in deze samenhang heeft opgemerkt: we

"weten dat de geschiedenis tot nog toe altijd door de overwinnaar werd geschreven, en dat de graad van informatie over een bepaald historisch onrecht recht evenredig is met de invloed die de erfgenamen van de getroffen groep uitoefenen. Om dit in de toekomst te corrigeren zal heel wat moed en energie nodig zijn, want een geschiedenisbeeld dat vijftig jaar lang werd verspreid, heeft ook een ideologische functie gekregen, waar men niet ongestraft aan mag raken. 'Ruhe ist die erste Bürgerpflicht', en dat gaat ook op voor het wereldbeeld dat we verondersteld worden te hebben."

Over de ideologische functie van het geschiedenisbeeld gesproken: het geschiedenisbeeld van De Jong heeft gefunctioneerd als fundament onder de ideologie van de zgn linkse kerk: “Zo moet het en zo mag het nooit meer”.

 
b. 2008: prof.dr. Marjan Schwegmann en David Barnouw

Ook de nieuwe directeur van het NIOD, me­­­vrouw professor doctor Marjan Schwegmann, heeft mij op 4 maart 2008, daarbij gesecondeerd door haar medewerker David Barnouw, bij voorbaat laten weten op mijn problematiek niet in te zullen gaan. Zij mailde mij:

Hoe interessant ik het onderwerp ook vind, ik zie op dit moment toch geen reden om er op in te gaan.

en Barnouw:

De afgelopen jaren heb ik al veel stukken van uw hand gelezen en daar blijft het wat mij betreft bij. (voor die stukken googlet u maar: Henri Raymund Bruning)

VI. 2009: besluit

1.     oorlogsbeeld gecorrigeerd

 

Het NIOD weigert dus rekening te houden met de mogelijkheid dat er onder het mom van collaboratie gepoogd kan zijn de nazi’s in hun doelstellingen te dwarsbomen. Maar zoals ik in het begin heb laten zien begint dit idee nu toch voorzichtig wortel te schieten. Wannneer ik met het voorgaande aan de verdere doorbraak van dit idee het mijne mocht hebben bijgedragen, liever nog dit voor mijn rekening mocht hebben genomen, dan zou me dat een groot genoegen doen. Uit de gruzelementen van het oude geschiedenisbeeld rijst dan een wezenlijk ander, uitgesproken helend beeld op. Namelijk niet de oorlog als een tijd waarin goed en fout onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, maar zoals Max Nord het zo treffend formuleerde, als:

de onleefbare wereld die aanbrak met de bezetting, onleefbaar "tenzij zij leefbaar werd gemaakt in de risico's van meelopen, collaboratie dus, of die van woedend en principieel verzet".

Mijn vader formuleerde dat reeds in 1947 in het kader van de behandeling van zijn zaak voor het tribunaal als volgt:

Want in ons vaderland, zoo is mijn meening, stonden, in den strijd pro of contra,

niet goed en kwaad, niet trouw en verraad, niet waarheid en leugen tegenover elkaar, maar twee geheel verschillende exponenten of uitkomsten van een en denzelfden scheppingswil: de liefde tot het zelfde Vaderland dat de een op deeze wijze, de ander op die wijze het best meende te kunnen dienen. ( )

Hiermee zal Max Nord naar ik veronderstel van harte instemmen, met name na kennis te hebben genomen van de zin die mijn vader erop liet volgen:

En aan beide zijden heeft men (die onderwereld van politieke profiteurs buiten beschouwing gelaten) dan ook zijn leven voor zijn edelste en eerlijkste overtuiging op het spel gezet.

Na een decennia-lange dwaalweg zijn we dan uiteindelijk op dàt uitgangspunt teruggekeerd: het is zelfs nàh “De oorlog” van van Liempt nog steeds een niet minder dan copernicaanse revolutie in onze visie op ons oorlogsverleden, een revolutie die een afrekening is met het door Victor van Vriesland en Loe de Jong geïntroduceerde goed-fout paradigma, deze gigantische geschiedvervalsing waarvoor het Nederlandse volk de schellen nu tenslotte van de ogen kunnen vallen, bevrijd als het eindelijk is uit “de ban van goed en fout”.

2. ronduit schrijnend

 

Wat de doorsnee en zelfs menig niet zo doorsnee Nederlander niet beseft en wat dit alles tot een wel erg zure druif van de oorlog, of om het met Jack Kooistra en Albert Oosthoek uit het begin van mijn pleidooi te zeggen: wat de kern van heel de voorgaande uiteenzetting “ronduit schrij­nend” maakt, is dat de bij heel dit proces betrokken Nederlanders hoofdzakelijk van Joodse  origi­­­­­ne waren en zijn, zoals Victor van Vriesland, Loe de Jong, Max Nord, Martin van Amerongen, E.H. Kossmann: deze personen hebben van landgenoten die zich meteen bij het begin van de oorlog met grote risico’s voor zichzelf tegen de Duitse nazi’s ìn, voor hùn welzijn hebben ingezet, lieden gemaakt die hen en al de hunnen zouden hebben willen uit­roeien. Een qua pijnlijkheid unieke paradox. 

3. Israël Querido  

 

klik voor vergrotingEen duidelijk tegengesteld geluid van deze soort Nederlanders was in het voorgaande echter te vernemen van Ludo Abicht en Abel Herzberg. Overigens was iets dergelijks reeds het geval  met een aan Henri Bruning gerichte brief van 16 october 1931. Daarin stond onder meer: klik voor vergroting

Gij brengt in uw werk een gemeenschapsbewustzijn van zeer hooge orde, dat door vele kletsers en najankers wel gauw zal worden bezien als zeer nooddruftig individualisme.

Uw lyriek is stigmatisch; ze bloedt uit geheime innerlijke wonden. Als ik mij met iets in u verwant gevoel, dan is het onze religiositeit, ook al zijt gij Katholiek en ik, van oorsprong, Spaansche Jood.

Uw eerlijkheid zal voor velen een marteling blijken en ook uw groote gaven, voor uzelve.(..) Met de meest bizondere hoogachting, Uw Is. Querido

Raymund  Bruning

Gelselaar 14 december 2009

 




VII. 2010: Nagekomen teksten
ter overweging in het licht van "N.S.B.-collaboratie?"

Inhoud nagekomen stukken

Jan Blokker *
eigen regering *
Max Pam *
Hans Teeuwen *
Iki Freud *
ingezonden brief van Theo Bruning *
ingezonden brief van Raymund Bruning *
ingezonden brief van Sytze van der Zee *


Jan Blokker

Ik zond hem een exemplaar van de dvd "N.S.B.-collaboratie?" In de NRC van 28 mei schreef hij – mede met mij in zijn hoofd? - :

"Complotten zijn zoals bekend het lievelingsgerecht van dilettanten. Met één hiaat in een levensverhaal, anderhalf smeuïg detail en wat ontketende fantasie bezorgen ze de geschiedenis spontaan nieuwe keerpunten"


eigen regering

volgt nog: brief van Seyss-Inquart aan Hitler, geciteerd in het boek van Ad van Liempt De oorlog. Seyss Inquart laat Hitler weten, dat in Nederland de situatie bijna rijp is voor de installatie van een eigen regering, zij het geen NSB-regering.

Max Pam

column Buitenhof 14 april 2010

"Ik moet denken aan de kampbewakers van Sobibor die bijna allemaal evangelisch of katholiek waren opgevoed;

Ik denk aan bisschop W die in Regensburg is veroordeeld omdat hij de holocaust heeft ontkend;

Ik denk aan kardinaal M die heeft verklaard dat de ophef over het kindermisbruik binnen de katholieke kerk een joods complot is omdat uiteindelijk de joden historisch gezien Christus hebben vermoord;

Ik denk aan S.W. en Ch. die na de oorlog in het christelijke Nederland een vijandig onthaal kregen en die als het aan de katholieke minister Kolfschoten had gelegen, het land waren uitgegooid;

Ik denk aan de 87-jarige S. die niet meer in God gelooft, volgens H.K. is het eigenlijk haar eigen schuld;

En tenslotte denk ik aan de rotzooi op het C.S. ( )

Maar hoe kom ik daarbij? Daar moet ik nog even rustig over nadenken. "



Als Max Pam daar achter is gekomen, laat hij dan "N.S.B.-collaboratie" lezen, daar dan ook even rustig over nadenken en ons vervolgens laten horen, wat zijn conclusie is geworden. Iets voor zijn volgende column Buitenhof?



column Buitenhof 7 maart 2010

"De joods-christelijk traditie" is ( ) een typisch christelijke uitdrukking, die niet snel door Joden wordt gebruikt. Joden weten namelijk maar al te goed wat die joods-christelijke traditie voor hen heeft betekend: vervolging, pogroms en vernietiging."


de Volkskrant 6 februari 2008.
"Denemarken is zo’n geweldige natie!"

"Net als bijna alle andere Deense Joden wist Bohr in 1943 het bezette Denemarken via Zweden te ontvluchten. Dat hij zo de oorlog overleefde, had hij vooral te danken aan de Deense regering die zich onmiddellijk aan de Duitsers had overgegeven, om vervolgens die Duitsers zo slim en zo veel mogelijk tegen te werken. Ook de Deense koning bleef zitten en het verhaal gaat dat hij zichzelf na de Duitse overname de gele davidster opspelde, om zo zijn sympathie te tonen. Als contrast vermeld ik dat er in Europa ook een land is geweest, waar het koningshuis na de capitulatie is gevlucht. Men zegt dat er geen verband is, maar in dat land – waarvan wij de naam niet zullen noemen – zijn tijdens de oorlog relatief de meeste Joden weggevoerd en omgekomen."


Hans Teeuwen

NRC weekblad 24-30 oktober 2009
“Ik ben een pleaser” p. 6
“Vindt u de bijdrage van Wilders verfrissend?” p.9

“Ik bespeur een enorme angst bij linksisten in de VARA-, VPRO- en Volkskranthoek. Terwijl juist hun manier van denken bedreigd wordt. Er kómt geen gevaar vanuit ‘het volk’. Er kómt geen nieuw Auschwitz. Linkse mensen hebben hebben zich heel lang niet met argumenten hoeven te verdedigen. Het was genoeg om iemand weg te zetten als racist. Of om te zeggen: we moeten respect hebben voor elkaars cultuur. Dooddoeners waarmee decennialang iedere discussie werd beslecht. Die tijd is voorbij. En dat is verfrissend. Links wordt weer eens uitgedaagd.

Een hele groep begaafde, intelligente mensen is afgeknapt op de linkse kerk. Ze liepen tegen een muur van zelfgenoegzaamheid en morele superioriteit. Dwarse mensen als Theo van Gogh en Theodor Holman waren bij de VPRO niet welkom. De generatie die de macht in de schoot geworpen kreeg was zó zeker van het eigen deugen, dat die niet gediend was van tegenspraak of argumenteren. Zij kwamen toch op voor de onderdrukten? Terwijl ze daar nog steeds een groot dedain voor hebben. Want laat ‘het volk’ in hemelsnaam niet aan de macht komen… Kom nou!”


Iki Freud

NRC 8 mei 2010
"De meeste Nederlanders waren wegkijkers en meelopers"

De meeste Nederlanders waren wegkijkers en meelopers
De oorlog is inmiddels zestig jaar geleden, maar de stroom lectuur over dat onverwerkte verleden neemt alleen maar toe. De gebeurtenissen blijven de tweede of zelfs derde naoorlogse generatie nog altijd bezighouden. De verhalen van de slachtoffers en hun nakomelingen zijn overbekend. De kinderen van daders zijn nu aan zet, lijkt het. Zij blijven opgescheept met een erfenis waarmee ze niet goed raad weten. Hun intellectuele woordvoerders hebben nu bij wij-ze van oplossing het idee van een 'grijs verleden' gelanceerd.

De meeste Nederlanders waren wegkijkers en meelopers. Het vergt nu eenmaal buitengewoon veel moed om de eigen belangen op te offeren, of zelfs het leven te wagen, ten behoeve van anderen. De meerderheid vormde een grijze massa, die niet goed was en niet fout. De collaborateurs daarentegen bevonden zich in een allesbehalve grijs gebied. Zij maakten een keuze. Daardoor hebben hun nakomelingen nu nog steeds te kampen met gevoelens van schuld en schaamte. Kinderen zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun (groot)ouders, maar zo eenvoudig ligt de zaak helaas niet. De . kinderen gaan gebukt onder een loyaliteitsconflict. Zij zitten klem tussen hun ouders, van wie ze immers houden, en de rest van de wereld. Het lukt hen niet goed zich te distantiëren van het verleden. Zij vermijden pijnlijke vragen aan hun ouders te stellen. De ouders geven liever de waarheid over dat verleden niet prijs. Op die manier blijft het voor hun kinderen een grijs gebied, omgeven met even vage als onheilspellende fantasieën.

Daderkinderen gaan gebukt onder een schaamtevol geheim


Beroepsmatig heb ik zowel met de nakomelingen van daders als van slachtoffers te maken. Het valt me daarbij op dat de problemen van de daderkinderen ernstiger en minder oplosbaar zijn dan die van de slachtoffers. De eersten proberen zich tegen vermeende beschuldigingen uit de buitenwereld te rechtvaardigen. In hun bewuste discours zijn ze het hartgrondig eens met defatsoensnormen van hun omgeving. Desondanks blijven ze zich levenslang innerlijk ongemakkelijk voelen en kampen ze met tegenstrijdige gevoelens. De diepgewortelde loyaliteit jegens hun ouders strijdt met hun fatsoensnormen. Daderkinderen gaan gebukt onder een schuld beladen en schaamtevol geheim, een pijnlijk taboe, waarover zij liever niet communiceren. Onaangename confrontaties gaan zij vaak uit de weg door angstvallig verzwijgen of verdraaien van het verleden, zoals ze dat van hun ouders hebben geleerd. Zij hebben in het bijzonder een ongemakkelijke gevoel tegenover Joden, alsof die hen beschuldigen. Hun zoektocht naar rechtvaardiging heeft hen een aantal 'foute' Joden opgeleverd. De slachtoffers zijn niet langer heilig, wat ze ook alleen maar waren vanwege het algemene schuldgevoel. Het bestaan van Joodse verraders of de Israëlische politiek van vandaag moet de moord op honderdduizend Nederlanders minder pijnlijk maken. De grenzen tussen 'goed' en 'fout', wit en zwartmoeten opgerekt worden tot er een grijs gebied ontstaat. Het schrijnende onderscheid tussen daders en slachtoffers moet zoveel mogelijk vervagen.

Om van het verleden verlost te worden, is het noodzakelijk er kennis van te nemen. Zonder dat kan er van verwerking nauwelijks sprake zijn en blijft het voor de nakomelingen moeilijk hun houding te bepalen. Het verleden blijft op die manier de toekomst overschaduwen. Het onvermogen om te rouwen betekent een geestelijke verarming, een amputatie en een emotionele last.

Iki Freud, Amsterdam psycholoog-psychoanalytica



Theo Bruning

"Daders?" (niet opgenomen TB)

In de VK van zaterdag 8-5-2010 las ik, zoon van de na de oorlog veroordeelde schrijver Henri Bruning, de ingezonden brief van Iki Freud over de problemen van de nakomelingen van foute ouders met de verwerking van dat oorlogsverleden. Zij besluit haar schrijven met: “Om van het verleden verlost te worden, is het noodzakelijk er kennis van te nemen. Zonder dat kan er van verwerking nauwelijks sprake zijn en blijft het voor nakomelingen moeilijk hun houding te bepalen”, want, zo begon zij haar verhaal, “De kinderen van de daders (...) blijven opgescheept met een erfenis waarmee ze niet goed raad weten”.
Mevrouw Freud begrijpt kennelijk niet dat het verleden van hun ouders voor de nakomelingen van de meeste collaborateurs als onverteerbaar op hun maag blijft liggen als hun “toch geliefde ouders” zonder enig bewijs en zonder pardon en steeds weer opnieuw, zoals ook weer in haar brief, tot de “daders” van “de moord op” en vaak op meer dan alleen maar “honderdduizend Nederlanders” worden veroordeeld. Ook geldt voor de meeste collaborateurs dat zij zelfs niet medeplichtig waren. En zelf wijs ik ook nog steeds de beschuldiging af dat mijn vader toch ten minste medeverantwoordelijk zou zijn.

Theo Bruning, Eindhoven



Raymund Bruning

Weerwoord van een "daderkind" (niet opgenomen RB)

Volkskrant: dank voor deze mogelijkheid tot weerwoord. Psycholoog-psychoanalytica Iki Freud noemt mij en een massa andere Nederlanders in de Volkskrant van 8 mei - "De meeste Nederlanders waren wegkijkers en meelopers" - vol psychologisch meegevoel "daderkinderen". Empatisch stelt zij: "Zij zitten klem tussen hun ouders en de rest van de wereld." "Daderkinderen gaan gebukt onder een schuldbeladen en schaamtevol geheim, een pijnlijk taboe, waarover zij liever niet communiceren". Maar, laat zij ons gelukkig weten: "Kinderen zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun (groot)ouders". Een weliswaar niet bijbels, maar wel humaan standpunt.

Overigens, "zo eenvoudig ligt de zaak helaas niet." Wat was immers die "daad" van hun ouders? Heus niet simpel meelopen oftewel collaboreren; nee, sinds 1954 waren die ouders dank zij Victor van Vriesland "de aansprakelijken voor, en medeplichtigen aan deze moorden"(Victor van Vriesland), aan hetgeen later de naam Holocaust heeft gekregen. Dàt verklaart hun schuld- en schaamtegevoel.

Was dat voor mij een geheim, een taboe? Op 26 oktober 1985 begon ik op deze plek in de Volkskrant een ironisch stukje, mijn eerste in dit kader naar aanleiding van J.J. Kelder, L. Lewin en Kees Fens, met de mededeling: "Welnu: Henri Bruning is fout geweest. Mijn vader was lid van de NSB, eindredacteur van De Schouw en werd eind '44 begunstigend lid van de Germaansche SS." Eersteklas dadervader.

En die daderkinderen zijn in de ogen van Freud ook niet zo onschuldig. "Onaangename confrontaties gaan zij vaak uit de weg door angstvallig verzwijgen of verdraaien van het verleden, zoals ze dat van hun ouders hebben geleerd". Van hun ouders geleerd? Misschien ontdekt Dick Swaab binnenkort, dat het bij dit soort Nederlanders in de hersenen ingebakken zit. Verdraaiing: "Hun intellectuele woordvoerders hebben nu bij wijze van oplossing het idee van een 'grijs verleden' gelanceerd." Het kan erger: "Zij hebben in het bijzonder een ongemakkelijke gevoel tegenover Joden, alsof die hen beschuldigen. Hun zoektocht naar rechtvaardiging heeft hen een aantal 'foute' Joden opgeleverd. De slachtoffers zijn niet langer heilig, wat ze ook alleen maar waren vanwege het algemene schuldgevoel. Het bestaan van Joodse verraders of de Israëlische politiek van vandaag moet de moord op honderdduizend Nederlanders minder pijnlijk maken. De grenzen tussen 'goed' en 'fout', wit en zwart moeten opgerekt worden tot er een grijs gebied ontstaat. Het schrijnende onderscheid tussen daders en slachtoffers moet zoveel mogelijk vervagen." Hier heeft Iki onze grote leiders Chris en Sytze in het vizier. Maar het kan nog erger. Want nu meen ik onlangs in een beschouwing, "N.S.B.-collaboratie?" http://home.claranet.nl/users/tbruning/ met bewijzen aangetoond te hebben dat lieden als Mussert en mijn vader Henri Bruning in de woorden van Jack Kooistra en Albert Oosthoek "hun werk voor de bezetter als dekmantel voor illegale activiteiten gebruikten", te weten om bepaalde, zeer kwalijke doelstellingen van de bezetter naar vermogen te dwarsbomen. Aan de hand van, van mijn vader afkomstige schriftelijke gegevens bewijs ik dat dit mede betrof het meteen vanaf het begin van de bezetting naar vermogen voorkomen van eventuele ellende die de bezetter de joden in ons land mogelijkerwijze zou kunnen aandoen. Die beschouwing heb ik in april op DVD aan de belangrijkste landelijke dagbladen toegezonden. Gaarne zou ik deze uiteenzetting door J. Bank, J.C.H. Blom en/of H. von der Dunk op haar juistheid beoordeeld zien worden. In ieder geval zal mijns inziens iemand als Iki Freud deze gedocumenteerde beschouwing eerst moeten weerleggen wil zij met recht onze ouders met de term "daders" tot de grootste misdadigers uit onze vaderlandse geschiedenis te schande zetten. Doet zij dat niet en mocht ik met mijn beschouwing van genoemde historici gelijk krijgen, dan zou de conclusie van mijn stuk juist zijn, te weten: "Victor van Vriesland, Loe de Jong, Max Nord, Martin van Amerongen, E.H. Kossmann: deze personen hebben van landgenoten die zich meteen bij het begin van de oorlog met grote risico’s voor zichzelf tegen de Duitse nazi’s ìn, voor hùn welzijn hebben ingezet, lieden gemaakt die hen en al de hunnen zouden hebben willen uitroeien. Een qua pijnlijkheid unieke paradox." Mocht Freud eveneens een dergelijke joodse achtergrond hebben, dan kan genoemd rijtje met haar naam uitgebreid worden.

Een behartigenswaardige opmerking van Iki Freud: "Het vergt nu eenmaal buitengewoon veel moed om de eigen belangen op te offeren, of zelfs het leven te wagen, ten behoeve van anderen." En groot uithoudingsvermogen om de gevolgen onverdroten te blijven ondergaan.

Gelselaar 10 mei 2010
Raymund Bruning



Sytze van der Zee

NRC 21 mei 2010
"Grijs verleden"

Rabbijn R. Evers in het Nieuw Israëlietisch Weekblad, Anet Bleich in de Volkskrant, Elsbeth Etty en Merel Boers in NRC Handelsblad. De argumenten variëren op ondergeschikte punten, maar de boodschap is eensluidend: blijf met je vingers af van gevoelige kwesties als verraad in WO II door Joodse informanten van de Gestapo, de Sicherheitsdienst en de roofinstantie Devisenschutzkommando. Een zoon, of dochter, van 'foute' ouders is wel de laatste die dit - al dan niet in een bredere context - aan de orde zou mogen stellen. Overigens begrijp ik niet wat Merel Boers bedoelt als ze schrijft over Joodse verraders (Boeken, 30.04.10): 'Moeilijke materie waar hij [ik dus, SvdZ] onvoorzichtig mee omgaat. Zo vermeldt hij nergens de vindplaats en paginanummers van zijn schriftelijke bronnen.' Op de website van De Bezige Bij staat namelijk precies aangegeven welke dossiers ik in het kader van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) bij het Nationaal Archief heb geraadpleegd. Bovendien beschrijf ik in Vogelvrij waar ik de namen van de verraders heb gevonden. En voor wat de paginanummers betreft: in de CABR-dossiers zijn de pagina's nu eenmaal niet keurig genummerd.
Sytze van der Zee, auteur van 'Vogelvrij. De jacht op de Joodse onderduiker' (besproken in Boeken, 26.02.10)





Eerdere documentatie
aangemaakt: 22-12-2009 Copyright © 2010 by
R. Bruning
laatste aanpassing: 13-04-2010