Gedicht Medio Vita

De Schouw 2(mei 1943) nr. 5 p.231

 

Henri Bruning had, als lid van het Verdinaso, in het begin van de oorlog, zowel met het oog op het behoud van Nederland als op het welzijn van de joden in Nederland, weloverwogen gekozen voor aansluiting bij de NSB. In een keitje van David heb ik die gang van zaken beschreven. Dat is voor hem zonder meer een beslissende keuze geweest, waarvan in zijn ogen dus buitengewoon veel afhing. De gang van zaken die hij zich voor ogen gesteld had, heeft zich echter niet voltrokken: mede door een minder tactische aanpak van Voorhoeve volgde slechts een deel van de overige Verdinaso-leden Brunings, Voorhoeves en Michels stap, terwijl andere rechtse partijtes al helemaal niet tot die keuze zijn overgegaan.

Bruning had, zoals hij zelf voor zijn rechters heeft vastgelegd, zijn keuze gewetensvol gemaakt met het volle besef van wat er volgens hem op het spel stond. Het is duidelijk, dat toen die opzet mislukte, hij zich buitengewoon grote zorgen over de toekomst gemaakt zal hebben, zowel wat zijn land als wat de joden in Nederland betrof. Het zou niet hoeven te verbazen,wanneer hij toen een zware gemoedscrisis zou hebben doorgemaakt. Het heeft hem iets buitengewoon bijzonders opgeleverd. Daarvan doet hij in het volgende gedicht, dat hij inderdaad halverwege zijn leven, waarschijnlijk rond 1942, terwijl hij 83 is geworden, heeft opgeschreven en in mei 1943 heeft gepubliceerd, op een nauwelijks in duidelijkheid te overtreffen wijze verslag.

 

 

 

MEDIO VITAE

 

 

Het hart werd z vermoeid, z droef -

een klein gehavend lied, dat zacht en eenzaam klinkt,

een kleine bloem, die haar beschadigd bloeien

even nog opheft voor haar 't sterven vindt.

O teederheid, - o onuitbluschlijk minnen

der jonge ziel, der jonge, heldre zinnen

in deze wereld, waar slechts distel klimt.

Vermoeid en stil werd 't hart, en ver en droef

om al de droomen die het onvervuld begroef......

 

Maar ook mijn trotsche wil, die nooit zich boog

voor 't rustloos woeden aan dit kwetsbaar hart,

die elke angst bedwong, en zooveel smart,

bezweek tenslott' en zweeg. - Zoo lang en wild

moest hij vernederd worden en vernield,

zoo rusteloos geplunderd en geroofd,

tot uit zijn diepste, diepst-geschonden gronden

het scherpe erts lossprong,

grimmig en fel en naakt - -

d'oerkracht, onaangeraakt

en van al pijn ontbonden.

 

En deze kracht

werd toen zoo onverwoestbaar-niuw: hard, fonkelend en hel -

gesmeed, gestaald, gescherpt in Uwe vuren,

zij werd zoo roek'loos, sterk en wild en jong -

een zwaard gelijk dat uit de sche

twee-snijdend in het zonlicht sprong -

 

o ziel, o zil, die eindelijk

zichzelf en vrij werd.....

 

 

 

 

 

 

Tijdschrift De Schouw 2 (mei 1943) nr.5 p.231

Dichtbundel VOORSPEL gedichten 1924-1942 Brussel 1943