Nords weerwoord en een laat commentaar van mijn kant

 

 

In een aan Adriaan Venema gewijd artikel in de NRC van 8 september 1990 schreef ik:

 

"Dat betekent de mogelijkheid van een copernicaanse omwenteling in de beoordeling van de collaboratie. Die heeft zich inmiddels bij Max Nord voltrokken. In de aan Menno ter Braak gewijde bijlage van Vrij Nederland van 28 juli spreekt hij over de onleefbare wereld die aanbrak met de bezetting, onleefbaar "tenzij zij leefbaar werd gemaakt in de risico's van meelopen, collaboratie dus, of die van woedend en principieel verzet". Dit soort collaboratie op één lijn geplaatst met het verzet: heeft het 'goed-fout'-paradigma met Venema als laatste, karakteristieke representant afgedaan? Een stukje oorlogsverleden zou dan kunnen worden herschreven."

 

De reactie van Max Nord in de vorm van een ingezonden brief in de NRC van 18 september 1990 luidde:

 

"Collaboratie en verzet

In de discussie tussen Adriaan Venema en Raymund Bruning (NRC Han­delsblad, 8 september) schrijft Bruning dat ik "een copernicaanse omwenteling in de beoordeling van de collaboratie" heb ondergaan. Hij leidt dit ten onrechte af uit mijn artikel over Menno ter Braak in Vrij Nederland van 28 juli dit jaar.

Vermoedelijk bedoelt hij daarmee dat ik bijvoorbeeld zijn vader, Henri Bruning, zou beschouwen als iemand die voor het natio­naal-socialisme koos om te trachten deze ideologie van binnen uit te bestrijden. Voor de lezers die mijn artikel over Ter Braak niet kennen, wil ik er geen misverstand over laten bestaan, dat dit geenszins het geval is en ik collaborateurs met de bezetters tussen 1940 en 1945 bepaald niet "op één lijn met het verzet" heb ge­plaatst, zoals wordt gesuggereerd. Het is dan ook niet uit mijn tekst te lezen.

     Max Nord"

 

commentaar

Max Nord had mij eenvoudig kunnen weerleggen door de uitspraak, die ik van hem geciteerd had, nog een keer te herhalen: 'de onleefbare wereld die aanbrak met de bezetting, onleefbaar "tenzij zij leefbaar werd gemaakt in de risico's van meelopen, collaboratie dus, of die van woedend en principieel verzet".' Ik had mij immers niet gebaseerd op heel zijn artikel over Ter Braak, maar uitsluitend op deze ene uitspraak eruit. Na de herhaling had hij me aan de hand daarvan vervolgens kunnen verduidelijken hoe ik zijn uitspraak verkeerd begrepen had en hoe ik die dan wèl diende te begrijpen. Waarom deze voor de hand liggende weg niet bewandeld?

Over suggereren gesproken. Nord beweert, dat ik aan de hand van zijn artikel over Ter Braak suggereer, dat hij 'collaborateurs met de bezetters tussen 1940 en 1945 "op één lijn met het verzet" heeft ge­plaatst'. Had hij  - wat hij nu achterwege heeft gelaten - zijn uitspraak wèl herhaald, dan was het voor iedere lezer zonneklaar geweest, dat hij dat wel degelijk heeft gedaan. Alleen door zijn eigen uitspraak dood te zwijgen, kon hij mij dit gesuggereer in de schoenen schuiven.

Voor wie heeft Nord zijn stukje trouwens eigenlijk geschreven? Hij wendde zich speciaal tot "de lezers die mijn artikel over Ter Braak niet kenden". Voor deze lezers had de herhaling van zijn uitspraak juist voor de hand gelegen; dit waren ook de lezers die zonder die herhaling zonder moeite op de mouw gespeld kon worden, dat ik mij op heel zijn artikel had beroepen en niet op één welomschreven uitspraak eruit. Nu ontging hun, dat alles om die ene uitspraak draaide. Nord ging er kennelijk zelfs van uit, dat zijn lezers zijn uitspraak evenmin in mìjn artikel hadden gelezen. Anders was hij met zijn pertinente ontkenning bij hen immers meteen door de mand gevallen. Maar dat moet toch zonder meer het geval zijn geweest bij zijn eigenlijk enig waardevolle lezers, zij die zowel zijn artikel over Ter Braak als mijn artikel met mijn interpretatie van zijn uitspraak hadden gelezen. Dat zullen over het algemeen intelligente lieden zijn geweest, die toch alle reden gehad moeten hebben zich over de vreemde vorm waarin hij zijn reactie op mij had gegoten, behoorlijk te verbazen. Wat moeten die van Nord gedacht hebben? Vreemd allemaal.

 

Stel trouwens eens, dat ik zijn uitspraak misschien toch verkeerd begrepen heb en dat ik bij hem geheel ten onrechte een positief geluid heb menen te ontwaren in dat 'meelopen'. Nord kan er gewoon het gedrag mee bedoeld hebben, waarvoor Kossmann de term 'accommodatie' is gaan gebruiken. Dan gaat het niet om een bijzonder prijzenswaardige houding. Het kwam immers neer op een 'sich ducken', het hoofd onder het maaiveld houden. Een zwaardere veroordeling ervan dan het ietwat bitse 'collaboratie dus' had Nord er moeilijk op kunnen laten volgen.

Moet het zò geïnterpreteerd worden, dan kan 'meelopen' echter moeilijk opgevat worden als 'het leefbaar maken van een onleefbare wereld', wat het in de ogen van Nord gezien zijn aanduiding ervan toch geweest moet zijn. Accommodatie was eerder een alles zoveel mogelijk langs je af laten glijden in de hoop dat je uiteindelijk zonder kleerscheuren het einde van de bezetting zou bereiken en de langverbeide bevrijding kunnen vieren. Met zo min mogelijk risico. Daarom is in deze samenhang ook Nords spreken over 'de risico's van meelopen' onbegrijpelijk. En hoe heeft hij het ooit in zijn hoofd kunnen halen die houding, die hij dus zonder meer aan het meest abjecte gedrag, aan collaboratie, gelijkstelde, op één lijn te plaatsen met - maar liefst - 'woedend en principieel verzet'?

 

Nee, deze interpretatie van 'meelopen' klopt volgens mij niet in de context waarin Nord het woord in zijn uitspraak heeft gebruikt. Zo kan Nord het niet bedoeld hebben. Het is daarom aannemelijk, dat hij in zijn uitspraak wel degelijk welbewust twee volgens hem gelijkwaardige en door hem gelijkelijk gewaardeerde zaken, 'woedend en principieel verzet' en 'meelopen', op één lijn heeft willen plaatsen, maar alleen de tweede niet meteen onomwonden met het tot dan toe algemeen verachte woord 'collaboratie' bij de naam heeft willen noemen. In zijn stukje geeft hij er in ieder geval blijk van heel goed te begrijpen hoe ik zijn uitspraak heb geïnterpreteerd, waar hij schrijft: "dat ik (Max Nord) bijvoorbeeld zijn vader, Henri Bru­ning, zou beschouwen als iemand die voor het natio­naal-socialisme koos om te trachten deze ideologie van binnen uit te bestrijden." (die collaboratie van mijn vader bestond er in mijn visie immers inderdaad uit, dat hij na het oorlogsbegin van het Verdinaso naar de NSB is overgestapt om van daaruit, niet op de laatste plaats met het oog op een mogelijke Duitse overwinning, o.a. de mogelijke excessen van het Duitse nazisme naar vermogen te bestrijden). Een lezer die onmogelijk kan begrijpen hoe verzet en collaboratie ooit op één lijn geplaatst zouden kunnen worden, zal met dit voorbeeld misschien enigszins beginnen te bevroeden wat hij zich bij deze gelijkschakeling moet voorstellen. Maar goed, dit voorbeeld wordt door Nord in zijn ingezonden brief slechts genoemd om het even rücksichtslos van zich af te werpen als de gelijkschakeling tussen verzet en collaboratie die ik hem volgens hemzelf volkomen ten onrechte in de schoenen zou hebben geschoven.

Gezien alle hiervoor genoemde vreemde en onlogische verschijnselen meen ik terecht, niet uit heel zijn artikel, maar uit niet meer dan alleen die ene uitspraak van hem te hebben opgemaakt, dat hij niettegenstaande zijn krachtdadige ontkenning, collaboratie met woedend en principieel verzet op één lijn heeft geplaatst. Heb ik daarmee gelijk, dan is zijn ingezonden brief dus zijn openbare verloochening van dat hoogst persoonlijke inzicht en standpunt geweest. Ik had mij als niet te overtreffen bevestiging van de juistheid van mijn interpretatie van zijn uitspraak zelfs niets beters kunnen wensen dan dit unverfroren démenti van zijn kant.

Een omstandigheid die bij dit alles niet uit het oog verloren moet worden: Nord is blijkens zijn artikel over Ter Braak een bewonderaar van deze denker. Menno ter Braak had op zijn beurt voor Bruning grote waardering, met name sedert Brunings bespreking van Politicus zonder partij, de bespreking waarover Ter Braak Bruning schreef: "vrijwel de eenige beschouwing over mijn boek, die ik wat den troon betreft zeer heb gewaardeerd en die de essentiëele punten van mijn werk naar voren brengt". Ter Braak nam Bruning zelfs zijn Verdinaso-lidmaatschap niet kwalijk: "Wanneer dus een onafhankelijke geest zoals Henri Bruning fascistisch denkt, dan zal ik de laatste zijn om hem te gaan beschoolmeesteren". En in meer dan een artikel heeft Ter Braak met grote waardering aandacht besteed aan Brunings geestesprodukten. Langs deze weg zou Nord een zwak en begrip voor Bruning gekregen kunnen hebben.

De conclusie uit het voorgaande kan moeilijk anders zijn, dan dat hij onmogelijk een andere uitleg aan zijn uitspraak kon geven dan ik gedaan had. En dat was hem onmogelijk omdat hij die uitspraak eenvoudig zo bedoeld heeft en in die woorden onmogelijk een andere betekenis geperst kan worden. Daardoor kon zijn stukje ook niets anders zijn dan wat het is: één formidabele ontkenning plus de leugen, dat hij die twee zaken níet op één lijn gezet zou hebben.

Maar goed, heb ik gelijk, dan bevat die ingezonden brief van Nord dus een leugen. Bepaalde opportunis­tische overwegingen hebben hem er in 1990 dan kennelijk toe gebracht zich na zijn 'misstap' weer ten snelste aan de toenmalige stand van zaken te accommoderen door - ook al bestonden er al eeuwen geen brandstapels meer - zijn unzeitgemässe copernicaanse inzicht aangaande de collaboratie onverwijld en zonder reserve weer vaarwel te zeggen. Wellicht is hij op zijn vingers getikt en heeft hij zijn stukje alleen maar geschreven voor degenen voor wie hij zich voor deze onvergeeflijke uitspraak, waarop ik, pijnlijk genoeg, nog eens extra de aandacht had gevestigd, diende te rehabiliteren. Hij zal er wellicht die 'intelligente lieden' van zijn achterban mee tevreden hebben gesteld, waarbij hen weinig gelegen zal zijn geweest aan alle onlogica, waaraan Nord zich daarbij onvermijdelijk moest schuldig maken; die zullen zij hem gaarne voor zijn eigen rekening hebben laten nemen. In een door het NIOD uitgegeven boekje met interviews met voormalige collaborateurs geeft een dergelijke voormalige NSB'er plastisch aan, wat van een algemeen aanvaard worden van Nords bewering volgens mij dan ook het gevolg zou zijn geweest: "want dan kunnen ze de boeken van De Jong wel dumpen hoor." Moest dàt voorkomen worden (alleen ging het in dat geval over een eventuele publicatie van de volledige zelfverdediging van Mussert, Musserts verantwoording. Maar de algemene strekking van die zelfverdediging is dan ook uitstekend samen te vatten met Nords inmiddels bekende citaat.)( J.Th.M. Houwink ten Cate en N.K.C.A. in 't Veld  FOUT  -  Getuigenissen van NSB'ers 's-Gravenhage 1992, p. 76)

Waar Nord zijn copernicaanse inzicht volgens mij indertijd dan wel aan te danken mag hebben gehad, vind u nader toegelicht op deze website, en wel in het artikel 'Een keitje van David', het hoofdstuk 'Dit alles reeds lang bekend, erkend en weer ontkend', de paragraaf 'Adriaan Venema'.

 

 

Raymund Bruning

22 november 2004

 

 


terug naar "David Barnouw en Max Nord"


verder naar "Beroep op prof.dr. J.C.H. Blom"