Terug naar keuze


           overzicht

          Inleiding

          Enige maanden geleden verscheen van de hand van Chris van der Heijden 'Grijs verleden', het boek, waarin de auteur de geschiedenis van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog in een geheel ander dan het gangbare 'goed-fout' perspectief plaatst. Mijn commentaar betekent een ingrijpende correctie van het beeld dat Van der Heijden ons van dat stuk Nederlandse geschiedenis schetst. Ten eerste, omdat ik laat zien, dat in zijn zwart-witbeeld, waarin hij zulk een dominerende plaats aan het grijs heeft toegekend, in het zwart een helder wit te onderscheiden valt, iets dat ook voor Van der Heijden ongehoord is. Ten tweede doordat ik een zeer wezenlijke omissie in zijn werk heb aangetoond: hij heeft een voor zijn visie fundamenteel historisch gegeven over het hoofd gezien. De identificatie van hen die 'fout' zijn geweest met de holocaust, een gebeuren dat in zijn visie een proces is geweest, dat zich in de zestiger jaren als het ware vanzelf, organisch, niet opzettelijk, onder andere als gevolg van de geschiedschrijving van Presser en De Jong heeft voltrokken, blijkt, uit die door hem over het hoofd geziene bron, namelijk jaren eerder, welbewust, allerexplicietst, als een evidentie, door een bekende persoonlijkheid op eigen gezag verkondigd te zijn en vervolgens op haar gezag als zodanig op hoog niveau door vooraanstaande Nederlandse intellectuelen te zijn geaccepteerd. Terwijl voor Van der Heijden het belangrijkste - en met heel zijn boek bestreden - aspect van het gangbare geschiedbeeld van de oorlog eruit bestaat, dat het overgrote deel van de Nederlandse bevolking tijdens de oorlog zo 'goed' zou zijn geweest, wordt tengevolge van dit aan het licht gebrachte document, en de uitwerking die het gehad heeft, het meest betwistbare punt van het gangbare geschiedbeeld nu juist het feit, dat het de Nederlanders ongemerkt heeft doordrongen van het vaste idee, dat het 'foute' deel van de Nederlandse bevolking zo onmenselijk slecht is geweest.
           Ook Van der Heijden lijdt als een van de vele kinderen van foute ouders nog steeds onder die suggestie, want ondanks zijn nieuwe kijk op dat stuk Nederlands verleden, heeft hij zich aan de druk van die suggestie niet weten te ontworstelen. Want ÚÚn, hem zeer bezwarende, vraag is voor hem nog steeds onbeantwoord gebleven, de vraag namelijk hoe blind iemand, met name zijn vader, geweest kan zijn om 'mee te doen in een systeem dat zo weerzinwekkend is'. Het is immers gezien de formulering van deze vraag evident: heeft iemand die toen zýende is geweest, 'meegedaan', dan kan het niet anders dan een weerzinwekkend individu geweest zijn. De enige verklaring dat iemand die geen onmens was, toen heeft 'meegedaan', kan slechts zijn dat hij 'niet ziende' is geweest. Ten derde is mijn bespreking van zijn boek daarom van belang, omdat ik meen er Van der Heijden het antwoord mee te bezorgen op de vraag waarmee hij zo lang heeft geworsteld, of liever op de vraag hoe iemand die toen ziende is geweest, toch heeft kunnen meedoen z˛nder een weerzinwekkend individu of een onmens te zijn geweest. En het lijkt me niet onwaarschijnlijk, dat dit antwoord voor een aanzienlijke groep Nederlanders eveneens van niet geringe betekenis zal zijn. Het betekent de uitroeiing van een diepgeworteld en voor velen smartelijk, inmiddels tientallen jaren oud vooroordeel.

           Na een aantal andere stukken betreffende deze materie zijn hierna tenslotte de inleiding en het eerste hoofdstuk van mijn boek Henri Bruning / over grootheid en tragiek / en geweten opgenomen. Dit hoofdstuk bestaat voornamelijk uit Brunings uiteenzettingen uit 1947 voor tribunaal en centrale ereraad. Deze behelzen de motieven, die hem er na het uitbreken van de oorlog toe gebracht hebben van het Verdinaso naar de NSB over te stappen en aldus met de bezetter te gaan samenwerken. Ze vormen een deel van het antwoord op Van der Heijdens vraag en zullen voor hem niet zonder betekenis zijn, al was het maar omdat mijn vader volgens hem behoort tot de categorie van 'verstandige personen'(180). Merkwaardigerwijze speelt in heel die apologie van mijn vader het drama van de joden geen enkele rol - ook niet van de kant van de aanklagers en rechters -. De rol die mijn vader in dat opzicht heeft gespeeld heb ik, mede dank zij de onbedoelde, maar effectieve medewerking van Adriaan Venema, achterhaald en daarmee het andere deel van het antwoord op zijn vraag.

9 augustus 2001. Raymind Bruning




Overzicht van de door Raymund Bruning op deze site gepubliceerde beschouwingen