(Terug naar: Inleiding)

(Terug naar: Teksten)

Henri Bruning hechtte grote waarde aan polemiek. In zijn volgende, uit de oorlogstijd daterende uiteenzetting, het einde van het voorwoord van Veelhoek, Bloemlezing van proza van dichters, wijsgeren en staatslieden der laatste 150 jaar, blijkt waarom en ook waarom bepaalde polemieken uit de voorafgaande anderhalve eeuw door hem hogelijk gewaardeerd werden.
 
 

Veelhoek,
einde inleiding ca. 1943
 
 

Met Hemsterhuis begint dit boek, met Hemsterhuis wil ik deze inleiding besluiten. Weliswaar bewoog ik mij met hem even buiten het raam van anderhalve eeuw nederlandsch denken, doch dit stuk, van een Nederlander, over de "wijzen" scheen mij te verrassend terzáke om het niet, bij wijze van inleiding, aan dit boek, waarin zoovele wijzen aan het woord komen, te laten voorafgaan. Het lezende, herinnert men zich vele, vele schermutselingen en vindt men vele schermutselingen van wijzen wijs en niet zonder ironie verklaard. Uiteraard doel ik hier niet op een snijdend polemisch geschrift als Geel's repliek aan het adres van Hildebrand1, dat van Kalff tot Stuiveling terecht als een der voortreffelijkste stukken polemiek werd geroemd2; noch op het prachtig essay waarmede Dèr Mouw den grooten Bolland attaqueerde - want wel zelden werd, hoe essentieel de bestrijding ook moest zijn, Bollands onbetwistbare grootheid met zulk respect beklemtoond en scherpzinniger doorzien3; ook Groen richtte zich zoo een voetstuk op voor Robespierre alvorens hij den fel-bestredene ging aanvallen; noch op Noordmans' méésterlijk indringende rede-twist i.z. Barth's theologie - een rede-twist waarnaast Kohnstamm's geschrift als een schuimtaart van beate platitudes in elkaar zakt4. Noch doel ik - en hier bereiken wij een tweede categorie schermutselingen - op Broere's dom gesol met een voornamen geest als Allard Pierson5, noch op de beschamend-ignorante arrogantie waarmede Smit c.s. Bolland - Bolland! - poogden te verpletteren - zóó onverkwikkelijke specimina van roomsch verweer, dat Gerard Brom zich vele jaren nadien nog genoopt gevoelde een eerherstel te beproeven; gevoeglijk kón daar toen, zóó lang na datum, de discussie-zelf en daarmede het pijnlijkste ('t gelijk en 't ongelijk) buiten beschouwing blijven.6 - De eerst genoemde polemieken missen, door hun onbevangenheid en innerlijke vrijheid, dien hachelijken oorsprong welken Hemsterhuis signaleerde; en het kwaadaardig handgemeen, waarvan bij de tweede groep sprake is, vindt waarschijnlijk in andere zaken zijn verklaring dan het verstrikt zijn in een éigen, met andere stelstels onverzoenbare wijsbegeerte. In het gemis van een stelsel misschien? Op die mogelijkheid (en op de mogelijkheid daarmee van een gevecht boven zijn stand) wijst wellicht het feit, dat Broere, na de genieën van zijn tijd en van andere kampen te hebben aangeblaft en zich neerzettend om nu zijn groote beschouwing over het genie te schrijven, het na tien omwerkingen niet verder bracht dan een klad, een stamelen, een ronddraaien in een cirkel waar hij onmogelijk weet uit te komen.7

Hemsterhuis signaleerde iets anders.

Want vinden niet vele handtastelijkheden van wijsgeren onderling, evenals de wederzijdsche misverstanden die, niet zelden, zoo verwoed met elkaar slaags raakten, hun oorsprong in een zo egocentrisch, exclusief op het eigen stelstel toegespitst denken dat het een totaal ánder denken nauwelijks anders dan als een dwaasheid kan verstaan; en wordt - o onheil - dat andere denken plotseling in zijn essentie en dus als volslagen afwijkend begrepen, doet dan niet de wederzijdsche angst, dat het eigen stelsel (en daarmee de eigen persoonlijkheid) door het stelsel van den ander catastrofaal wordt bedreigd en ondermijnd naar de wapens grijpen en een veldslag op leven en dood beginnen? - Doch behelsde Hemsterhuis' beschouwing enkel een verklaaring van zekere - niet zeldzame - fel-oploopende wijsgeerige wrijvingen, zij zou, als inleiding, niet meer dan een kleine scherts, een (geanimeerd) plagerijtje behelzen. Doch stellig bemerkt ge, dat haar inhoud - speelsch en ernstig - nog een andere wijsheid, nog een ander niveau nadert, en dan zijt ge de poort doorgegaan waarlangs het goed is de wereld van het schoone denken te betreden...
 
 

Fel en persoonlijk werden, maar al te vaak, de doorbrekende controversen uitgevochten én: tot een beslissing - die steeds weer moest uitblijven - geforceerd. Evenwel: deze bescheiden revue van nederlandsch denken samenstellend, verbaasde mij opnieuw, en telkens weer, die (zoo verklaarbare en schoone) felheid van aanval en verweer. - Er is een koelbloedige geestdrift, die de kalme mensch niet begrijpt - die kalme mensch die ook niets presteert, gelijk Dèr Mouw terecht opmerkt. Maar er is ook een rust die ver boven felheid of kalmte uitreikt en felheid noch kalmte ontkent; en wel dáár is zij, waar men de zoo verscheiden gedachten-geheelen en hun toch altijd betrekkelijk bereiken ziet als een emanatie van het eene en hetzelfde, naar waarheid strevende (en daarin nog recht-schapen) Leven, als dáárin en daaróm verbonden: één; zij is daar waar elk denken afzonderlijk, en zoo ook het eigen denk-stelsel, als een facet der wáárheid, niét als dé waarheid verstaan wordt, - want "alle stelsels van wijsheid hebben veeleer deel aan de eene waarheid, die nooit ergens is, om elders eenvoudig niet te zijn."8 Daar wordt het mogelijk om, diep met het eigen denken verbonden en toch innerlijk vrij ervan, geheel en onbevangen open te staan, met de bescheidenheid der wijzen, voor het denken der anderen en, zonder felheid, fel te zijn en fel te strijden. Want het erkennen der betrekkelijkheid van alle menschen-waarheid leidt niet tot een werkeloos scepticisme, doch tot die werkdadige en onbevangen rust welke in het sámen-wérken van allen het hooge heil aanschouwt. Dan toch wordt het gebied der waarheid, niet van één zijde (: ónze zijde), maar van véle zijden binnengedrongen, veelzijdiger gekend en bezeten en aldus dieper en rijker verstaan. Elk individueel kennen is een eenzijdig kennen: één zijde kennen, een zijde tot stelsel verwerken, en haar in een stelsel verstarren. Sámen-wérken - in de overtuiging die allen allen beminnen doet: dat allen aan de waarheid déél hebben, dat allen naar een hooger, helderder weten streven en allen allen noodig hebben. Geen waarheid is de doodsvijand van een andere, ook niet van onze waarheid, en daarom ook niet van ons, van onze persoonlijkheid. Integendeel. Zij is slechts de doodsvijand van wat leugen is - in ons of in anderen. Beseffen wij dit. En beseffen wij, dat onze eenige bestaansgrond is, dat wij worden wie wij zijn: dat wij onszelf en ónze waarheid moeten realiseeren; dat is de bestaansgrond van een ras, van een volk, en dat is de bestaansgrond ook van het individu. Doch wij realiseeren onszelf, onze persoonlijkheid - méde aan wat waarheid is in ánderen, - en de anderen: aan wat waarheid is in óns. Alléén verstarren wij - en verleugenen en dooden aldus wat waarheid (leven) is in ons.

Bolland zeide eens zeer schoon: "Inzooverre aan de verscheidenheid der stelsels het ware zich in zichzelf onderscheidt, zijn er graden van duisternis en helderheid in de bewustwording der waarheid, het ware is niet overal en altoos even zuiver tot zichzelf gekomen, doch van de waarheid en het ware verláten is nooit eenig uitvloeisel van wijsbegeerte geweest, en in de redelijkheid van het zuivere bewustzijn onthullen zich alle philosophemen als leden eener veeleenigheid, waarin elk lid het eene ware mede is, al is geen enkel lid op en voor zichzelf het ware."9

Overziet men het nederlandsche denken van anderhalve eeuw als geheel, dan wordt ge u zulk een veel-zijdig binnendringen in het gebied der waarheid als waarvan ik hierboven sprak op aangrijpende wijze bewust. En plotseling voegt al dit denken, zóó verscheiden, zich dan samen tot een eenheid, tot een "veeleenigheid", tot een schoone veelhoek welke, met vele raakpunten, rust in de cirkel der waarheid - zonder met den cirkel ooit samen te vallen. Déze levende veeleenigheid - ín de waarheid, doorstroomd van waarheid, doch in geen veelheid of eenigheid ooit dé waarheid - is de schoone roem ook van de laatste anderhalve eeuw nederlandsch denken. Zij is de schoone vrucht van onze zedelijke en verstandelijke aristocratie.
 
 

Henri Bruning

noten

1. Onderzoek en Phantasie, Voorrede
2. Kalff. . . . Garmt Stuiveling: Een eeuw nederlandsche letteren.
3. Het absoluut idealisme. Ik herinner slechts aan dien eenen zin: "Nog voor een paar jaar misschien, voordat Bolland's onvoorzichtige genialiteit - of is dat een pleonasme? - propaganda had gemaakt voor Hegel" etc. waarmede Bolland's gebreken herleid werden tot de gebreken der genialiteit en als gebreken ook al weer opgeheven.
4. Nieuwe Theologie (De school van Barth)
5. De Katholiek, 1856.
6. Vgl. G. Brom: Herleving van de wetenschap in katholiek Nederland.
7.
8. Het verstand en zijne verlegenheden.
9. Het verstand en zijne verlegenheden.

(Terug naar: Teksten)

(Terug naar: Inleiding)