(Terug naar: Inleiding)

(Terug naar: Teksten)

Hieronder volgt de tekst van de open diskette die voor Van Diggelen aanleiding is geweest tot het interview in HN van mei 1997, evenals toen vergezeld van de tekst van de drie artikelen in de NRC, waaruit in 1989/1990 mijn polemiek met Venema heeft bestaan. In het derde komt de aankondiging voor van het einde van het goed-fout paradigma en, op grond daaarvan, de oproep tot een herschrijving van de geschiedenis van ons oorlogsverleden. Pas daarna ben ik mijn boek gaan samenstellen. De eerste dertig bladzijden van mijn boek heb ik hier niet opnieuw opgenomen.
 

open diskette 21 januari 1997

Inhoud van de diskette.

  • Mijn motieven en bedoelingen
  • eerste ca. dertig pagina's van het boek:
  • Henri Bruning over grootheid en tragiek

  • inleiding
  • -§1 1947 tribunaal
  • bijlagen: polemiek met Venema in NRC-Handelsblad 1989-1990 (aantal pagina's (a4) tekst)
  • "De auteur Henri Bruning of het gemak van citeren" 15 febr. 1989 (2 p)
  • Adriaan Venema "Henri Bruning" 28 febr. 1989 (2 p)
  • "Antisemitisme op een grote hoop gegooid" 18 jan. 1990 (4 p)
  • "Venema, vrij voor de keeper, schiet huizenhoog over 8 sept. 1990 (5 p)
  • - inhoudsopgave
     
     

    een exemplaar van deze diskette kregen toegezonden o.a. dr L. de Jong, prof. dr. H.W. von der Dunk, prof. dr. J. Roes, directeur van het KDC te Nijmegen, drs. Anton Korteweg, directeur van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag, prof. dr. J.C.H. Blom, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, de redacties van NRC-Handelsblad, de Volkskrant, het Parool, Trouw, De Telegraaf, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, HP/De Tijd, Maatstaf, HP/De Tijd, Elsevier,

    HN Magazine en Dietsche Warande en Belfort.

    **************************************************************************
     
     

    open diskette
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     
     

    mijn motieven en bedoelingen

    "Tout homme qui pense, pense contre" (Paul Valéry) d.w.z.: hij polemiseert. Hij denkt altijd tégen iets, juist en vooral als hij vóór iets denkt. De waarheid is steeds het bezit van een denkende minderheid, een minderheid niet slechts met betrekking tot de massa der niet-denkenden, maar ook met betrekking tot het kleine gezelschap der denkenden. Ook deze weinigen bezitten hun waarheid niet zonder de kans haar hier of daar (of geheel) te verleugenen. - Wij behoeven derhalve niet slechts de waakzaamheid van onszelf jegens onszelf en jegens de anderen, maar ook de waakzaamheid der anderen jegens ons. Wat volgt uit dit alles, - uit deze situatie op aarde?

    Polemiek, mijne heeren.

    Henri Bruning Vluchtige vertoogen (1943) nr.2
     
     

    vermoeden

    Ik heb de print van mijn boek

    Henri Bruning

    over grootheid en tragiek

    vergezeld van brieven met uitvoerige toelichting betreffende aard en bedoeling van het werk successievelijk aan zes uitgevers toegezonden. Tevergeefs. In het normale geval geen reden tot wanhoop, gezien het feit, dat het voorkomt dat een uitgever per jaar duizend manuscripten aangeboden krijgt waarvan er maar een voor uitgeven in aanmerking komt.
     
     

    Eerst heb ik me met opzet gewend tot een uitgeverij van joodse oorsprong, Querido, om o.a. duidelijk te maken dat er bij mij geen antisemitisme in het spel is; ook zou uitgave door een dergelijke uitgeverij joodse Nederlanders misschien helpen hun eventuele weerzin te overwinnen tegen het lezen van een boek over Bruning. Ik had de copie van een brief van Israël Querido uit 1931 bijgevoegd met verwijzing naar diens, enigszins profetische woorden daarin over mijn vader: Uw eerlijkheid zal voor velen een marteling blijken en ook uw groote gaven, voor uzelve. Het antwoord van deze uitgeverij was, dat wij met het geheel te weinig affiniteit hebben om als enthousiast uitgever op te treden. Volgens uitgeverij Balans getuigt het manuscript van een volstrekt eerlijke poging Uw vader in een ander licht te zetten dan de geschiedenis heeft gedaan.
     
     

    Het heeft volgens mij geen zin het bij nog meer uitgevers te proberen, omdat zij, naar ik vermoed, de uitgave wegens de inhoud niet aandurven. Alle in mijn manuscript opgenomen stukken - het is hoofdzakelijk een door middel van een centrale vraagstelling10 en beredenerende verbindende tussentekst tot samenhang gebrachte en tot een slotconclusie voerende verzameling bronnen, bestaande uit brieven en andere teksten van Henri Bruning - vormen tezamen één grote rechtvaardiging van dat vermoeden, maar dat maakt dat vermoeden voor een buitenstaander niet aannemelijker zolang hij het niet heeft gelezen, dus zolang het niet is uitgegeven. Een vicieuze cirkel of zoals iemand het na lezing aanduidde: een paradox.

    De paradox is nu dat je boek weliswaar een kapitale kwestie aansnijdt, maar dat die kwestie zelf een belemmering zou kunnen vormen om een uitgever te vinden.
     
     
    Daarom het volgende als poging langs andere weg te laten zien dat mijn vermoeden plausibel is.
     
     

    Blom

    In Vrij Nederland van 6 juli 1996 haalt Elma Verhey in haar artikel "Hans Blom is nog altijd in de ban van goed en fout", geschreven naar aanleiding van diens benoeming tot directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, de herinnering op aan de commotie, die in 1983 ontstond door zijn inaugurale rede 'In de ban van goed en fout?'. Verhey:

    Reden voor Het Vrije Volk om pagina drie te openen met de kop: 'Nieuwe hoogleraar valt het levenswerk van De Jong aan.' Nog maandenlang zinderde de discussie na. Het is zelfs de vraag of die, zeker maatschappelijk, wel ooit tot een eind is gekomem of zelfs maar zal komen. Blom had niet voorzien hoe emotioneel de reacties (soms) zouden zijn. () Er zijn nogal wat mensen geweest (en die bestaan nog steeds) die meenden dat volgens Blom fout helemaal niet zo fout was. () De inmiddels overleden schrijver met oorlogsbelangstelling Adriaan Venema wijdde een compleet boekwerkje aan Blom (Blommeldingen) en beschuldigde hem van nazi-sympathieën. En collega Zondergeld van de Vrije Universiteit noemde Blom 'kwaadaardig'.
     
     
    Maar al die verontwaardiging berustte op een misverstand. Van een echte aanval op het werk van De Jong is van de kant van Blom geen sprake geweest en evenmin van een fundamenteel relativeren van de tegenstelling tussen goed en fout. Verhey: Objectief gezien klopte de Vrije Volk-kop niet. Blom had en heeft 'de grootst mogelijke waardering en bewondering' voor het werk van Loe de Jong. Had hij voorzien wat hij met zijn rede ging ontketenen, dan had hij 'zeker mijn bewondering voor Loe de Jong en hoe ik zelf denk over goed en fout er heel wat beter in geramd'. Bloms eigen familiegeschiedenis staat er borg voor, dat goed en fout bij hem niet door elkaar gaan lopen, want Bloms vader 'heeft er nooit een misverstand over laten bestaan dat mijn grootvader fout was geweest. En niet een béétje fout, maar héél erg fout.'
     
     
    In 1983 lag de kwestie goed - fout kennelijk zo gevoelig, dat iemand zelfs niet de schijn moest wekken op dat punt iets tegendraads te beweren, want dan kon hij er bijna op rekenen verkeerd geïnterpreteerd en van het allerschandelijkste verdacht te worden.
     
     

    En in 1996 verzekert Blom dat hij nog steeds de grootst mogelijke waardering en bewondering voor het werk van Loe de Jong heeft, terwijl hij tevens geen enkele aanleiding geeft om te veronderstellen dat hij ondertussen anders over goed en fout is gaan denken. Integendeel, eerder betreurt hij het daarover destijds niet duidelijker te zijn geweest, c.q. zijn mening er toen niet ingeramd te hebben, omdat hij dan alle misverstanden tenminste had voorkomen.
     
     

    Zo gaf hij dus te kennen welke ook in 1996 de opvattingen zijn van de nieuwe directeur van het RIOD; Elma Verhey heeft ze samengevat in de titel van haar artikel:

    Hans Blom is nog altijd in de ban van goed en fout. Wanneer de hoogleraar-historicus Blom als de nieuwste hoogste autoriteit inzake het oordeel over goed en fout aldus nog steeds en uitdrukkelijk zijn ongereserveerde en onweersproken instemming betuigt met de traditionele opvatting en het op die manier onbedoeld doet voorkomen alsof er in deze kwestie niet de minste aanleiding voor de geringste twijfel bestaat, dan kan als vrijwel zeker worden aangenomen, dat deze visie onbewust het gemeenschappelijke bezit, anders gezegd: in het bewustzijn van ons Nederlanders een even vanzelfsprekend gegeven is als het feit dat de aarde om de zon draait.
     
     

    Een dergelijke visie, die een zo vanzelfsprekende vooronderstelling, een dergelijk a priori is in het bewustzijn van een volk of van een hele beschaving, waarbij het dan tevens gaat om een visie die het fundamentele perspectief is waarin de werkelijkheid of een belangrijk deel van de werkelijkheid gezien wordt, wordt wel aangeduid als een paradigma. Het schoolvoorbeeld van een paradigma is de visie waarin de aarde gezien wordt als het middelpunt van het heelal en de zon om de aarde draait, het geocentrische wereldbeeld dat heel de middeleeuwen lang volkomen vanzelfsprekend het perspectief is geweest waarin de Europeaan de schepping zag. Daarom duid ik het goed-fout perspectief dat betrekking heeft op de oorlog, aan als het goed-fout paradigma.11
     
     

    Van de weerstand waarop iemand kan stuiten die een bestaand paradigma wil ondergraven, geven de wederwaardigheden van Copernicus, Giordano Bruno en Galilei bij hun pogingen het geocentrisch wereldbeeld te doorbreken enig idee; wat iemand die het goed-fout paradigma wil doorbreken, te wachten staat, kan men zich enigszins indenken aan de hand van hetgeen Blom in 1983 overkwam, toen men nog alleen maar dácht dat hij in dezen tegen deze paradigmatische publieke opinie inging.
     
     

    Welke toestand het goed-fout paradigma in ons land zelfs in de wetenschap heeft uitgewerkt, werd in 1991 door de auteur van de inleiding op deel 14 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (XIX) verhelderend omschreven als:

    de weigering van alle auteurs die in Nederland studies over de bezettingstijd publiceren om enerzijds een positieve waardering voor het nationaal-socialisme, de bezetters en de collaborateurs te verwoorden en anderzijds de vervolgden te kritiseren. De oorlogsperiode vormt de enige episode in de Nederlandse geschiedenis die geen debat over fundamenteel gelijk of ongelijk toelaat. ( ) De totale verwerpelijkheid van het bezettingsregime is het enige denkbare gegeven in de hele Nederlandse geschiedenis waarover een zo homogene consensus wordt geacht te bestaan dat pogingen in het openbaar een afwijkende mening te uiten òf niet worden gedaan òf niet worden toegelaten.

    Dit feit verengt het terrein van de historische discussie. Het relatieve gelijk van de Spanjaarden tijdens de Opstand, van de diverse politieke partijen in de zeventiende en achttiende eeuw ( ) kan door geschiedschrijvers worden overwogen zonder dat zij zich daardoor discrediteren; het relatieve gelijk van Hitler, Rauter, Mussert en consorten vormt noch voor hen noch voor hun lezers een aanvaardbaar thema.

    Deze bevreemdende toestand kan door een deskundige zelfs rustig expliciet worden vastgesteld zonder dat het aanleiding geeft tot enige verandering.
     
     

    Welnu, welke uitgever zal er bij deze stand van zaken in ons land één moment over denken een boek uit te geven dat een vierhonderd pagina lange bewijsvoering is voor het feit dat er alle reden is een aantal van hen die als zwaar 'fout' te boek stonden voortaan als uitgesproken goed te gaan beschouwen, een boek dat een poging doet op grond daarvan het goed-fout paradigma radicaal onderuit te halen? (de 'kapitale kwestie') én een boek dat in zijn laatste dertig pagina's ook nog eens een rechtstreekse aanval is op de geschiedschrijving van De Jong? En dan nog wel een boek dat niet eens het werk is van een wetenschappelijk erkende autoriteit, maar van een zoon van de collaborateur in kwestie?
     
     

    In 1989/1990 heb ik in NRC-Handelsblad in drie uitgebreide ingezonden brieven met Adriaan Venema gepolemiseerd over het door hem zo grondig verafschuwde antisemitisme van mijn vader.12 In het laatste artikel trok ik uit de manier waarop ik de juistheid van het tegendeel van Venema's grondvisie had aangetoond, de conclusie dat er dus voldoende reden was tot een copernicaanse omwenteling in de beoordeling van de collaboratie, en dat ik reden had me af te vragen: heeft het 'goed-fout'-paradigma met Venema als laatste, karakteristieke representant afgedaan? met als consequentie: Een stukje oorlogsverleden zou dan kunnen worden herschreven. Het laatste was een understatement voor het attenderen op de noodzaak van een grondige revisie van De Jongs geschiedschrijving. Dit waren precies de beweringen die men indertijd Blom, maar in zijn geval ten onrechte, zo enorm had kwalijk genomen.
     
     

    Als Nederland in de ban van het goed-fout paradigma verkeert met als gevolg een situatie zoals deze in het citaat uit de inleiding van deel 14 van Het Koninkrijk wordt beschreven, een situatie dus waarin zo'n reactie op Blom helemaal in de lijn van de verwachting ligt, dan vind ik het heel bevreemdend dat in mijn geval waarin er van misverstand geen sprake kon zijn, niemand zich geroepen heeft gevoeld mij, de zoon van die NSB'er, in verband met deze beweringen grondig de jas uit te vegen en met een overmacht aan argumenten stevig op mijn nummer te zetten. En dan te bedenken dat de essentie van heel mijn boek precies neerkomt op dit citaat van de conclusie van die drie brieven... Bij een eventuele verschijning van het boek zal die conclusie minder gemakkelijk genegeerd en doodgezwegen kunnen worden.
     
     

    evenmin een succes

    Ik heb twee pogingen ondernomen om de uitgevers over hun door mij veronderstelde beduchtheid heen te helpen. Op 2 oktober 1995 verzocht ik in een brief een bekende Nederlandse persoon van joodse afkomst een inleiding voor mijn boek te schrijven, uiteraard pas na van de inhoud kennis te hebben genomen. Dat zal zo iemand niet doen zonder het met de inhoud eens te zijn en met zo'n inleiding zou een uitgever volgens mij toch van zijn vrees te genezen moeten zijn. Ik wees de persoon in kwestie op een ander, voor ons beiden gunstig gevolg:

    Hopelijk zal de lezing U tevens reden geven tot het vertrouwen in de oprechtheid van mijn mededeling, dat ik aan een door U op mijn verzoek geschreven voorwoord ook grote betekenis toeken, omdat het in tegenstelling tot wraak en bitterheid de mogelijkheid van verzoening zou kunnen demonstreren tussen U als een vertegenwoordiger van de nakomelingen der vervolgde Nederlandse joden en mij als vertegenwoordiger van de nakomelingen der voormalige collaborateurs en het daarmee zou kunnen functioneren als een oproep tot een dergelijke verzoening in het algemeen (). Maar het antwoord van 6 oktober 1995 hield een met redenen omklede en te respecteren afwijzing van mijn verzoek in.
     
     

    Vervolgens heb ik professor H.W. von der Dunk op 30 oktober 1995 een brief geschreven met de vraag of hij mijn manuscript zou willen beoordelen en indien het zijn goedkeuring kon wegdragen een aanbeveling voor het uitgeven ervan schrijven. Als een autoriteit van zijn formaat dat zou doen, zou dat aan de twijfel van een uitgever wel een eind maken. Maar op 17 december schreef hij mij: Ik moet mij de komende tijd op eigen werk van totaal andere strekking concentreren en zie dus geen kans om uw manuscript te beoordelen.
     
     

    Ondertussen had hij in een interview in de Volkskrant vam 18 november een paar merkwaardige uitspraken gedaan.

    Maar ook een kritisch historicus kan niet alles zeggen, zo erkent hij. '( ) Sommig materiaal is zo explosief. Soms is de waarheid in haar naakte vorm voor een samenleving niet te verdragen. Daarom moet zij ingekapseld en gemodificeerd worden, wil een samenleving in stand blijven.'

    Von der Dunk is niet te verleiden tot het prijsgeven van zo'n explosieve waarheid. 'Sommige dingen zeg ik niet, ook niet tegen u. Over minderheden, over de shoah, over de aard van de mens en de samenleving. Je kunt krachten in de kaart spelen die je absoluut afwijst. ()'13
     
     

    Mijn bewering dat het algemeen aanvaarde goed-fout perspectief de geschiedenis vervalst en dat, zoals ik hem ook geschreven had, de vernietiging van het goed-fout paradigma de bevrijding vijftig jaar na de Bevrijding zou betekenen, is hoogstwaarschijnlijk de naakte waarheid die Von der Dunk op het oog heeft. Twintig jaar geleden schreef hij immers al - daarbij onbedoeld het goed-fout paradigma schetsend - : De basis-consensus ten aanzien van "goed" en "fout" is sedert 1945 onveranderd gebleven omdat deze basis-consensus tevens het geestelijk fundament vormt van de hedendaagse democratie in Nederland en in heel het Westen. Als hij zou verdwijnen zou dat impliceren dat de fundamenten van die democratische samenleving zijn aangevreten.14
     
     
    Wat betekent dit alles in feite anders dan dat het volgens Von der Dunk absoluut verboden dient te zijn, en uit alle macht voorkomen moet worden, dat die goed-fout tegenstelling wordt onderworpen aan een nader historisch onderzoek dat ten doel heeft na te gaan of die tegenstelling werkelijk de juiste weergave is van de historische verhoudingen in de jaren 1940-1945? En dat volgens hem hetzelfde geldt voor de publikatie van een boek als het mijne? Een aannemelijker reden voor zijn afwijzing van mijn verzoek dan die van tijdgebrek?
     
     

    een volgende poging

    Dit is een nieuwe poging die door mij bij de uitgevers veronderstelde en na dat interview met Von der Dunk waarschijnlijk alleen maar toegenomen beduchtheid uit de weg te ruimen. Op deze gemakkelijk te vermenigvuldigen 'open diskette' (vergelijk 'open brief') staan de eerste dertig bladzijden van mijn boek, namelijk de Inleiding en de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk, 1947 tribunaal; ze geven een idee van de door mij toegepaste werkwijze. Via het internet zou de verspreiding nog sneller gaan.
     
     

    Het belangrijkste onderdeel van deze paragraaf is de tekst van de zelfverdediging die mijn vader in januari 1947 ten behoeve van de behandeling van zijn zaak voor het tribunaal op schrift heeft gesteld, maar nooit heeft uitgesproken. Hij geeft erin een verantwoording voor zijn doen en laten tijdens de oorlog met een uiteenzetting van zijn bedoelingen indertijd, de weergave dus van zijn motieven, van zijn 'waaroms'.
     
     

    Aan dergelijke uiteenzettingen heeft iemand als L. de Jong geen behoefte. Die heeft met betrekking tot de goede bedoelingen van hen die fout zijn geweest, zijn oordeel kort en krachtig uitgesproken. Hij noemde goede bedoelingen

    een waardeloos argument Met al die goede bedoelingen schiet je zijns inziens niets op: Alsof men niet, gedreven door wat men zelf als "de beste bedoelingen" ziet, tot kwalijke daden kan komen! Voor zijn categorisch weigeren aandacht te besteden aan de motieven van collaborateurs had De Jong bovendien een afdoend argument ter rechtvaardiging: Mussert had tijdens zijn proces eenzelfde verdediging gevoerd.15 En de aandacht van diens rechters voor al diens 'beste bedoelingen' had bestaan uit de kogel. Als dat de aandacht is die de rechterlijke macht van Nederland voor de goede bedoelingen van collaborateurs meent op te moeten brengen, dan zijn goede bedoelingen inderdaad een waardeloos argument.
     
     

    Er is trouwens een concrete aanwijzing, dat De Jong niet direct popelt van verlangen naar de publikatie van deze tekst met de motieven voor Brunings collaboratie.
     
     

    Kort na mijn tweede ingezonden brief in NRC-Handelsblad publiceerde Robbert Bodegraven in De Groene Amsterdammer een artikel waarin hij niemand minder dan De Jong noemde als de belangrijkste vertegenwoordiger van bepaalde figuren die Bruning willen zien als een idealist die het beste met het Nederlandse volk en zijn literatuur voor had.16 Het is zonder meer verbazingwekkend: a. dat er zoiets positiefs over Bruning te berde werd gebracht, b. dat het gebeurde in De Groene Amsterdammer van Martin van Amerongen, het weekblad dat in 1954 mede-oorzaak is geweest van Brunings verdwijning van het literaire toneel17 en c. dat niemand minder dan L. de Jong werd genoemd als spreekbuis van deze opinie over Bruning.
     
     

    Op 16 december 1991 schreef ik De Jong daarom een brief met als eerste verzoek, of hij mij ten behoeve van mijn familie wilde laten weten, of Bodegraven hiermee inderdaad zijn mening betreffende Bruning had weergegeven. Mijn tweede verzoek betrof zijn hulp om die tekst van mijn vader gepubliceerd te krijgen:

    In verband met de behandeling van zijn zaak voor het tribunaal, heeft mijn vader in januari 1947 een gedetailleerde uiteenzetting en verklaring van zijn doen en laten tijdens de oorlog op papier gezet. Op veel vragen die bij het hernieuwde onderzoek van de jaren tachtig dienaangaande naar boven zijn gekomen, gaf mijn vader hierin anticiperend antwoord.
     
     
    In zijn korte, niet onvriendelijke brief van 24 januari 1992 reageerde De Jong wel op mijn eerste verzoek, zij het negatief - Wat de heer Bodegraven aan mij toeschrijft, lijkt mij ietwat overtroffen [overtrokken? RB] -, maar reageerde hij niet op mijn tweede verzoek. Was hij wellicht nog te zeer herstellende? Maar ook eenmaal hersteld heeft hij nooit van enige interesse in het dokument blijk gegeven. Hij zat ongetwijfeld niet te wachten op de uitgave van een geschrift dat zo goed van pas kon komen als aansporing tot en een bron voor de herschrijving van een stukje oorlogsverleden, voor de herschrijving van zíjn geschiedschrijving, die ik in mijn derde ingezonden brief ter sprake had gebracht. Nu wordt de tekst dus op deze manier in de openbaarheid gebracht.
     
     

    Deze tekst zou ertoe kunnen leiden, dat aan Brunings bedoelingen serieus aandacht besteed wordt en men daardoor tot de ontdekking komt dat een dergelijke collaborateur toch door niet onachtenswaardige motieven werd gedreven en indertijd met bepaalde omstandigheden en realiteiten rekening heeft gehouden die men tegenwoordig over het hoofd pleegt te zien. Als zo'n collaborateur dientengevolge niet meer als onbetwistbaar 'fout' te beschouwen is, betekent dat een evenredige ondermijning van de foutpool van het goed-fout paradigma, dus van de grondvisie die aan De Jongs geschiedschrijving ten grondslag ligt. Maar het serieus nemen en vooral een uiteindelijk overtuigd worden door Brunings uiteenzetting zou voor die grondvisie op een nog veel direkter manier fataal zijn.
     
     

    Anticiperend heeft Bruning in de eindconclusie van zijn tekst immers toen al, in 1947, gewezen op de onhoudbaarheid van de goed-fout tegenstelling, lang vóór deze in zijn actuele gedaante als goed-fout paradigma van het bewustzijn der Nederlanders bezit had genomen18 en heeft hij met de volgende woorden vervolgens tevens het perspectief aangegeven waarin volgens hem de gebeurtenissen van de Nederlandse geschiedenis tijdens de tweede wereldoorlog dan wél geplaatst zouden moeten worden om ze zo veel mogelijk naar waarheid voor ogen te krijgen.

    Ik wil met dit en met álles wat ik hier gezegd heb, geenszins betoogen, dat mijn oordeel een juist oordeel is geweest. Ik heb slechts beproefd U duidelijk te maken dat, in een zoo gecompliceerd en diep ingrijpend gebeuren als deze oorlog is geweest, het ook een eerlijke, onbaatzuchtige, gewetensvol tot stand gekomen logica en gedachtengang kan zijn die er den mensch toe dwingt om, hoewel hij geen ander doel nastreeft dan het heil van het eene, eigen Vaderland, ándere - ook harde, ook bittere - wegen te bewandelen dan het meerendeel zijner volksgenooten, en zonder daarbij zijn volk in wezen ontrouw te worden:

    Want in ons vaderland, zoo is mijn meening, stonden, in den strijd pro of contra, niet goed en kwaad, niet trouw en verraad, niet waarheid en leugen tegenover elkaar, maar twee geheel verschillende exponenten van een en denzelfden scheppingswil: de liefde tot het zelfde Vaderland dat de een op deeze wijze, de ander op die wijze het best meende te kunnen dienen.19

    ( )

    En aan beide zijden heeft men (die onderwereld van politieke profiteurs en avonturiers buiten beschouwing gelaten) dan ook zijn leven voor zijn edelste en eerlijkste overtuiging op het spel gezet.
     
     

    Als de juistheid van deze visie erkend zou moeten worden, dan zou het met de grondslagen onder De Jongs geschiedschrijving gedaan zijn.
     
     

    Een voor de hand liggende reactie van iemand die mij tot hier heeft gevolgd, zal zijn dat De Jongs vrees daarvoor ongegrond is, omdat deze beweringen van Bruning absurd zijn, zó absurd, dat het geen enkele zin heeft daarna nog enige aandacht aan diens tekst op de diskette te be-steden. Wie deze spontane reactie bij zichzelf opmerkt, zou zich af kunnen vragen, of hij zo overtuigd is van de juistheid van zijn opvattingen betreffende goed en fout en of hij er zo zeker van is, daarbij níet onder invloed van een paradigma te staan, dat hij het best aandurft deze tekst toch serieus te lezen, op die manier zijn overtuiging op de proef te stellen en te zien of hij inderdaad zonder moeite kan aantonen dat hier voor Bruning hetzelfde geldt als volgens Houwink ten Cate en In 't Veld voor de zes geïnterviewde NSB'ers in hun boek FOUT. Deze twee geven immers al op de eerste bladzijde van dit boek te kennen wat zij eígenlijk vinden van de door dit zestal voor hun doen en laten tijdens de oorlog in dit boek naar voren gebrachte motieven en bedoelingen. Die zes probeerden daarmee volgens hen alleen maar:

    hun gedragingen te bagatelliseren, te nuanceren, te motiveren en te rechtvaardigen. Dan zal deze lezer op Bruning tenslotte hetzelfde eindoordeel van toepassing kunnen verklaren als Houwink ten Cate en In 't Veld direct aansluitend over het zestal velden: Niets menselijks is hun vreemd20, waarna deze lezer dan uiteindelijk met een goed geweten en nu definitief Bruning in de vergetelheid kan laten verzinken in de zekerheid: fout is en blijft fout.
     
     

    Of zou het mogelijk zijn dat zo iemand na lezing van de diskette zal constateren: Dat boek zou ik wel eens helemaal willen lezen om te zien of Bruning jr. dit nieuwe perspectief van zijn vader nog aannemelijker weet te maken. Die kans zit erin, want, afgezien van de zes uitgevers en een paar directe familieleden, was de reactie van de verder tot nu toe tweede en laatste lezer:

    Beste Raymund, Ik heb gisteren de lectuur van je manuscript voltooid. Het is zowel letterlijk als figuurlijk een monument van een boek geworden, dat als politieke biografie van je vader tegelijk het zwart-wit paradigma aan de orde stelt en als zodanig van algemeen historisch belang is. Herhaaldelijk hield ik mijn hart vast vanwege je rücksichtslose eerlijkheid, maar wellicht is dit toch de beste aanpak. Het boek zal zonder twijfel op de nodige weerstand stuiten en veel verzet ontmoeten, maar niemand, die even eerlijk is als jij zal daarna de waarheid over de invloed, welke het paradigma over ons heeft uitgeoefend, nog kunnen ontkennen. * * *
     
     

    Heb ik het met mijn veronderstelling ten aanzien van de beduchtheid der uitgevers bij het rechte eind gehad, dan zal die door deze diskette misschien verdwijnen. Zij hoeven niet meer bang te zijn wegens de ondermijning van het goed-fout paradigma de volle laag te zullen krijgen. Het spits is dan voor hen afgebeten. Dan kan blijken of ik het bij het rechte eind heb gehad met mijn veronderstelling dat angst hen van publikatie zou hebben weerhouden.

    Raymund Bruning

    noten

    10. centrale vraagstelling. Deze bestaat uit de vraag waarom Bruning lid van de NSB is geworden. Geen onbelangrijke vraag, ten eerste gezien hetgeen J.Th.M. Houwink ten Cate en N.K.C.A. in 't Veld in hun boek FOUT - Getuigenissen van NSB'ers (Den Haag 1992) erover opmerken in hun inleiding op het eerste hoofdstuk (p.12):

    De tweede vraag die in dit hoofdstuk aan de orde komt, is die naar het motief, de bewuste reden om lid te worden van een extreme partij als de NSB. Wetenschappelijk onderzoek naar deze kwestie is bij gebrek aan bronnen niet gedaan; een betrouwbare achtergrond waartegen de beweringen van onze getuigen geplaatst kunnen worden, ontbreekt. Ten tweede gezien hetgeen J.C.H. Blom erover opmerkt in zijn rede "In de ban van goed en fout?" uit 1983. Op grond van een fasering van de geschiedschrijving van Romein plaatste Jan Bank, zoals Blom meedeelt, de geschiedschrijving over het tijdvak 1940-1945, en met name die van L. de Jong, in de derde, de epische fase die wordt gekenmerkt door "overwegend verhalende presentatie van een overvloed aan feitenmateriaal en concrete gegevens". De zesde fase, de wetenschappelijke zou nog alles behalve ten volle zijn aangebroken. Als kenmerkend voor die zesde fase mag waarschijnlijk opgevat worden wat Blom aanhaalt als een van de vier karakteristieken van L. Stone's new history: nieuwe vragen, namelijk waarom (niet curs. RB) en met welke gevolgen in plaats van wat en hoe. Tussen goed en fout o.r.v. G. Abma e.a. Franeker 1986 37-40

    11. In welke mate de goed-fout tegenstelling een paradigma is, bewees Jan Blokker onbedoeld toen hij schreef: Over weinig zaken bestaat in de beschaafde wereld een zo overweldigende consensus als over de opvatting dat het nationaal-socialisme een verwerpelijke beweging is geweest. Venema doet net alsof hij tegenover een onwelwillende omgeving moet volhouden dat de aarde om de zon draait. (niet curs. RB) Jan Blokker "Een klopjacht op alles en iedereen. Hoe Adriaan Venema in zijn eentje het werk van de Ereraad nog eens dunnetjes overdeed" de Volkskrant 7 oktober 1988

    Over paradigma's: In een gevestigd paradigma liggen ( ) de uitgangspunten zo axiomatisch vast dat ze geen nadere discussie of bewijs behoeven, zich niet aan kritiek blootstellen en dus ook niet openstaan voor falsificatie. ( ) Hinderlijke devianten worden weggehoond of op andere wijze tot zwijgen gebracht. 'De aarde draait om de zon', zei Galilei, en deze lont in het kruitvat werd bijna de lont bij zijn brandstapel.( ) De onaantastbaarheid van het model bewerkt ook dat de onderzoeker inconsistenties of lacunes in zijn bewijsvoering hetzij niet opmerkt, hetzij negeert, hetzij op steeds ingenieuzer wijze alsnog, maar altijd binnen het gangbare paradigma, probeert te verklaren. ( ) Een ander kenmerk van een paradigma is dat verklaringen die van een nieuw paradigma uitgaan vooralsnog niet als reële alternatieven worden (h)erkend ( ) Want er komt een tijd waarin het oude paradigma de onderzoeker met zoveel onbeantwoorde vragen en anomalieën confronteert dat de weerstand tegen een nieuw paradigma afneemt. Zo'n nieuw paradigma ontstaat per definitie niet langs evolutionaire weg uit het oude. Het is een schoksgewijze creatie, niet zelden van één of enkele visionaire geesten, vaak, maar niet altijd, geïnspireerd door revolutionaire ontwikkelingen in andere wetenschappen.

    H.S. Versnel hoogleraar oude (godsdienst)geschiedenis, Leiden "Waarom worden moeders maagd?" Lampas 26ste jaargang, 4, sept.-okt. 1993 285/286

    12. Zie de laatste teksten op deze diskette.

    13. Peter Giessen en Bas Mesters "Het altijd bedreigende heden" de Volkskrant 18 november 1995 Vervolg

    14. J.C.H. Blom "In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland" integrale herdruk van de inaugurale rede van 12 december 1983 in Tussen goed en fout (zie noot 1) 34. Blom citeert hier uit H.W. von der Dunk "Negentienhonderdveertig; van neutralisme naar nazi-heerschappij" in Vaderlands Verleden in Veelvoud. Opstellen over de Nederlandse geschiedenis na 1500. Deel II 19e en 20e eeuw samengesteld door C.B. Wels eindredactie e.a. Den Haag 2e herziene druk 1980 313

    15. Het Koninkrijk deel 14 tweede helft 889

    16. Robbert Bodegraven "De collaboratie van Henri Bruning. Het literaire geweten van de NSB" De Groene Amsterdammer 16/17 2 mei 1990

    17. Even verbazingwekkend was het dat vervolgens op 13 juni 1990 in De Groene Amsterdammer mijn ingezonden brief met een - niet weersproken - uiteenzetting van Brunings goede bedoelingen met zijn toetreden als begunstigend lid tot de Germaansche SS, werd opgenomen.

    18. De ontwikkeling van het goed-fout paradigma wordt door Blom te eenvoudig voorgesteld wanneer hij schrijft: Als vanzelfsprekend en nagenoeg probleemloos valt deze schaal van verzet naar collaboratie daarbij samen met een politiek-morele schaal van goed naar kwaad - of fout zoals in deze context meestal wordt gezegd. Direct na de bevrijding hingen geschiedschrijving en bijzondere rechtspleging en zuivering dan ook nauw samen. En men kan zeggen, dat de latere geschiedschrijving steeds sporen, soms nadrukkelijke sporen, van dit type rechtspraak heeft behouden, al ontbraken vanzelfsprekend de juridische consequenties. J.C.H. Blom in Tussen goed en fout a.w. 33 Hetzelfde geldt voor de reeds geciteerde constatering van Von der Dunk: De basis-consensus ten aanzien van 'goed' en 'fout' is sedert 1945 onveranderd gebleven. In deze goed-fout beoordeling is pas enige jaren na het einde van de oorlog een bepaald element een hoofdrol gaan spelen en pas daarna is er reden van een goed-fout paradigma te spreken. Die fase in de ontwikkeling krijgt in mijn boek uitgebreid aandacht.

    19. dezelfde gedachte, maar met betrekking tot een andere zaak formuleerde Bruning in 1941, met name in de tweede zin, als volgt: Zoodra iemand, wel te verstaan, in de groote twistgesprekken die een cultuur te aanschouwen geeft, zijn tegenstander tot een nul en een voetveeg herleidt, besluit ik, alleen reeds daarom, tot een, bij alle scherpzinnigheid, verblinden haat of tot een zeer essentieel misverstand bij dien persoon. De groote strijd speelt zich niet af tusschen een gelijk of een ongelijk, tusschen God en Duivel (gelijk de Maritaintjes suggereeren), maar tusschen twee of meerdere logica's, die beide, in laatste instantie, in zeer essentieele waarden wortelen.

    20. J.Th.M. Houwink ten Cate en N.K.C.A. in 't Veld FOUT, Getuigenissen van NSB'ers 's-Gravenhage 1992 7 In een overeenkomstig geval omschreef Bruning in 1974 de strekking van een uitspraak als die van Houwink ten Cate en In 't Veld met betrekking tot de zes NSB'ers aldus: Ze zijn al totaal afgemaakt en weggehoond nog voor ze een woord gezegd hebben. ("Weggehoond": vergelijk noot 2: "Hinderlijke devianten worden weggehoond".) Weghonen is de aangewezen methode, wanneer men zich heeft laten verleiden de bedoelingen en motieven toch aan de orde te stellen, terwjl men weigert ze serieus te nemen. Een voorbeeld daarvan geeft Jan Meyers in het geval van Mussert: hij reduceert zijn goede bedoelingen tot een bewustzijnsvernauwing:
     
     

    Wat niet wil zeggen dat zijn inzet uitsluitend werd gedicteerd door eigenbelang. Hij was geen cynicus of profiteur, maar op zijn manier bezield van goede bedoelingen.

    Bij dat soort politici is identificatie van eigen- en partijbelang met dat van land en volk een vast gegeven, een kenmerkende bewustzijnsvernauwing zo men wil.

    Bijlage Vrij Nederland 7 april 1984: "Mussert. Alles voor het Vaderland?" Jan Meyers Mussert, een politiek leven Amsterdam 1984 26
     
     
     
     
     
     

    Henri Bruning

    over grootheid en tragiek

    en geweten
     
     

    inleiding
     
     

    1983 drie vragen
     
     

    [de tekst van de inleiding en van de eerste dertig pagina's van hoofdstuk I laat ik hier op het internet achterwege; die krijgt men door bestelling van de beide diskettes in bezit. De tekst van de drie NRC-artikelen heb ik hier wel behouden.]

    (Terug naar: Teksten)

    (Terug naar: Inleiding)