(Terug naar: Inleiding)


I KUnieuws

Maar wat vermogen hij en u en ik en hier en ginds een tegen dit heirleger, dat de macht heeft - de trage luie domme macht van zoveel harde koppen en zoveel oren die niet horen en zoveel ogen die niet zien; (...): één tegen duizend, één tegen tienduizend van die levenloze, tevredene, in ordelijkheid ingebakerde pafbleke gezichies!
Gerard Bruning

 



September vorig jaar zond mijn broer Theo mij een column, Fout, van de hand van Jos Joosten uit KUnieuws nr. 32, door hem aangetroffen op internet. Het artikel is van 23 mei 1997 en is geschreven naar aanleiding van het interview met Van Diggelen dat in HN van 3 mei was verschenen. Dat verdient speciale aandacht, aangezien Bruning eigenlijk al vanaf de oprichting van de katholieke universiteit in Nijmegen met die instelling iets als een speciale band mee heeft gehad. Wat een toeval, dat de enige die zich tot een reactie op het interview liet verleiden, nu net iemand is, afkomstig uit die hoek, die hoek waar een dr. L.J. Rogier en diens leerling L.M.H. Joosten (Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940 1964) enige decennia geleden aan de schepping van het historische beeld van de Nijmeegse katholieke jongeren van voor de oorlog, b.v. van een Henri en Gerard Bruning, enige niet te veronachtzamen wetenschappelijke bijdragen hebben geleverd. Het is verfrissend zo plots weer met een nieuw geluid van wat ik maar de Nijmeegse School zal noemen, geconfronteerd te worden.

Jos Joosten staat, op het eerste gezicht, allerminst rigoureus afwijzend tegenover de foute auteur Henri Bruning. Integendeel: die was "literair interessant", zelfs "interessant genoeg voor een gedegen studie". Maar wel vindt hij Bruning in vergelijking met het gros van de foute schrijvers een uitgesproken "moeilijk geval", want naast zijn literaire verdiensten was hij bovendien "bepaald niet opportunistisch", maar desalniettemin "al evenzeer hartstikke fout". Joosten maakt het zich ook allerminst gemakkelijk, juist doordat hij volgens eigen zeggen "nogal tot nuanceren bereid" is, "en in Brunings geval helemaal". Zo somt hij enerzijds een aantal argumenten op die in het voordeel van Bruning pleiten:

"De man was veruit de begaafdste van de club katholieke essayisten, heeft zijn schrijfverbod uitgezeten en nadien, voor zover ik weet als enige van de collabo's, in het totaal onverdachte Maatstaf, onder meer na overleg met verzetsman J.B. Charles, uitgelegd hoe hij tot zijn keuze voor het fascisme kwam. Nadien schreef hij nog een Gezelle-biografie, een fijnzinnige bundel essays en Objectief brevier, een boek met een paar erg mooie gedichten." Maar anderzijds moet hij ook op feiten wijzen die tegen Bruning pleiten: "En toch... Elke verdediger van Bruning wijst op Menno ter Braaks lovende woorden voor hem. Maar Ter Braak wees er in 1938 ondanks zijn lof ook al op dat Brunings gedachtegoed gemakkelijk kon uitlopen op 'Jodenvervolgingen en soortgelijk fraais'. Nu pak ik ook Gelaat der dichters even uit de kast: een bloemlezing 'revolutionaire poëzie' uit 1944, samengesteld en ingeleid door Henri Bruning. Daarin roemt hij de dichtende 'strijder voor de Nieuwe Orde', die 'eenieder frank en recht in de oogen [kan] zien, nú, in 1943'. Daarop volgen poëtische pareltjes als 'Op mijn zwarte hemd' van Georges Kettmann (net als Bruning 10 jaar schrijfverbod), het uiterst anti-semitische 'Beroep op Amsterdam' van Chris de Graaff (7 jaar), Brunings eigen 'De Duitsche adelaar' en Miep van der Veldes 'Vrijwilligerslegioen Nederland'." "Zo is het alweer iets moeilijker voor iemand die de nuance zoekt", verzucht Joosten als gevolg van de onzekerheid die zijn streven naar objectiviteit hem bezorgt. Zijn column was hij trouwens al begonnen met de meer algemene ontboezeming: "Tot mijn grote ongenoegen vind ik het verschrikkelijk moeilijk een ongenuanceerd laatste woord te zeggen over een kwestie die met enige regelmaat actueel wordt: schrijverscollaboratie". Dat wordt blijkbaar met name een problematische aangelegenheid door zo'n moeilijk geval als dat van Bruning.

Ik geloof hem een handje te kunnen helpen om deze hinderpaal uit de weg te ruimen en hem in ieder geval alvast met betrekking tot Bruning tot dat "ongenuanceerde laatste woord" in staat te stellen, en wel op grond van wat hij zelf meedeelt, dus door te expliciteren wat hij impliciet in zijn column zelf al zegt. Het betreft een gegeven, dat hij in het overzichtje van voors en tegens vergeten heeft op te nemen, maar dat de weegschaal meteen naar één kant had doen doorslaan als hij dat wèl had gedaan. Hij beperkt zich tot precies één citaat uit het interview van Van Diggelen : "Interviewer Michiel van Diggelen krijgt mijn handen niet op elkaar met karakteriseringen als: Bruning 'was geen meeloper of jaknikker, maar iemand die uit overtuiging voor het fascisme koos'." Van Diggelens constatering stemt overeen met die van Joosten zelf, namelijk dat Bruning "hartstikke fout was". Maar die overtuigde keuze pleit volgens hem niet, zoals bij Van Diggelen het geval lijkt, vòòr Bruning, want Joostens commentaar op van Diggelen luidt: "Mij lijkt dat dat grosso modo ook gold voor Goebbels of Goering, maar ik geloof nooit dat dat, indien door de verdediging ingebracht tijdens de Neurenbergse processen, als heel sterk argument à decharge zou zijn beschouwd." Daar laat hij het bij, er kennelijk van uitgaande, dat zijn lezerspubliek het daarin geheel met hem eens is. En dat ligt voor de hand. Het is immers juist hun weloverwogen keuze voor die verderfelijke ideologie geweest die dergelijke oorlogsmisdadigers met een, zo is men geneigd te denken, daaraan inherente onvermijdelijkheid tot de vernietiging van de joden heeft gebracht. Die ideologie was daarvoor de aansporing en de rechtvaardiging. Maar dan zal Joosten het, omgekeerd, met mij eens zijn, dat Brunings overtuigde keuze voor dat fascisme hem in Neurenberg niet minder zwaar zou zijn aangerekend. Bruning mag dan zijn handen niet rechtstreeks hebben vuilgemaakt aan die genocide, aan het uiterste antisemitisme heeft hij volgens Joosten toch maar (met het gedicht van Chris de Graaff (zie boven)) een klankbodem verschaft. En heeft Adriaan Venema niet terecht beweerd dat Martin van Amerongens uitspraak niet minder volkomen op Henri Bruning van toepassing is, een uitspraak die in eerste instantie diende om de misdadigheid van een Van Genechten zo adequaat mogelijk onder woorden te brengen, namelijk: "dat zijn overspannen nationaal sentiment, zijn beroep op de 'volkse' instincten, zijn opvatting over de fundamentele ongelijkheid van de mensen, zijn anti-humanisme, zijn verheerlijking van het bloed, en zijn antisemitisme de ideologische brandstof waren, waardoor de gasovens tot op het laatste moment hun vernietigend werk konden blijven doen"? (A. Venema Aristo revisited 161) Is de intellectuele verdediger van die ideologie in feite niet minstens even schuldig en komt hij dus niet op zijn minst voor dezelfde veroordeling en straf in aanmerking als degenen die haar praktisch in toepassing hebben gebracht? Dan is de zaak duidelijk en kan dit voor Joosten het einde betekenen van al zijn getwijfel met betrekking tot het geval Henri Bruning. Dan doet Bruning in misdadigheid niet onder voor een Goebbels of een Goering, is alles wat in het voordeel van Bruning naar voren kan worden gebracht, van geen betekenis meer en is elk aan deze auteur gewijd woord verder overbodig. Vreemd dat, wanneer volgens Joosten Bruning zo vanzelfsprekend met Goebbels en Goering in verband te brengen is, hem deze voor de hand liggende conclusie is ontgaan.

In relatie met Henri Brunings oudere broer Gerard, de fel door zijn geloof bewogen, in 1926 jong gestorven schrijver, brengt Joosten ook diens "keuze voor het fascisme" ter sprake. Daarvoor is volgens hem uit het oogpunt van zijn tijd "best begrip op te brengen". Maar waarop hij de bewering betreffende die "keus" voor het fascisme baseert, vertelt hij niet. Heeft hij Gerard Brunings lidmaatschap van een fascistische groepering opgespoord? Of bedoelt Joosten te zeggen, dat Gerard blijkens zijn geschriften deze ideologie van ganser harte heeft omhelsd? Wanneer Henri wegens zijn overtuigde keuze voor het fascisme volgens mij bij Joosten - als hij maar rustig zijn eigen gedachtengang logisch ten einde had gedacht - eigenlijk op geen enkele consideratie had hoeven te rekenen, dan mag verondersteld worden, dat Gerard wegens diens beweerde keuze voor het fascisme - op grond van dezelfde logica - van eenzelfde bejegening zeker kunnen zijn. Welnu, dat kan geverifiëerd worden dankzij de bijzondere omstandigheid dat Joosten - drie weken na zijn column Fout - in KUnieuws nr. 35 van 13 juni een nieuwe column, Geweten, schreef, want die was dank zij een toeval geheel aan Gerard Bruning gewijd.

Waaruit had dat toeval bestaan? "Het boek viel me weer eens in handen en zoals steeds raakte ik meteen geboeid. Vanaf een schrijftafel die slechts een paar straten verderop stond, sleept iemand je mee. Dat het zeventig jaar oude woorden zijn, merk je niet eens". Joosten bedoelt hier Verontrust geweten, een door Henri Bruning samen met Henk van Gelre in 1961 verzorgde, gedeeltelijk gewijzigde heruitgave van Gerard Brunings Nagelaten werk, dat in 1927 door Henri Bruning en H. Marsman was uitgegeven en van voorwoorden voorzien. Merkwaardig, hoe deze Gerard Bruning een modern intellectueel als Joosten blijkt te kunnen aanspreken. Driekwart van het artikel draait dan ook om drie citaten, die duidelijk maken hoe zijn enthousiasme voor de weinig talrijke en inmiddels, gezien hun ouderdom zou men denken, toch wel gedateerde pennevruchten van deze vooroorlogse Nijmeegse katholieke jongere verklaarbaar is. Eén ervan fungeert hierboven als motto. Het betreft een thema, dat in verschillende vormen in mijn boek opduikt. Kenmerkend voor Gerard Bruning was volgens Joosten: "hij schreef wel in alle onnuance precies wat hij zélf dacht, en dat is in alle tijden bewonderenswaardiger dan schrijven wat je weet dat de rest al denkt." Dat er reden voor Joostens enthousiasme bestaat, wordt bevestigd door het feit dat Gerrit Komrij van de in totaal zestien gedichten die Gerard Bruning op zijn naam heeft staan, er niet minder dan vier, een kwart van zijn totale poëtisch oeuvre, in 1979 heeft opgenomen in zijn De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten. Ik denk dat dit bij weinig dichters in Komrij's bloemlezing het geval is.

Joosten heeft ook in het geval van Gerard Bruning oog voor nuances, want na deze relatief uitvoerige positieve uiteenzetting moet hem iets anders van het hart: "Natuurlijk wil ik liever niet weten hoe het Gerard Bruning vergaan zou zijn als hij de oorlog wél had meegemaakt. Zijn pamflet 'De waanzin der democratie' uit 1923 doet dienaangaande weinig blijs vermoeden, en werd stilletjes weggelaten uit de naoorlogse herdruk van de essaybundel. Een overgrote kans dat ook deze Bruning royaal aan de foute kant zou belanden." Wijst de titel van zijn column, Geweten, er dus misschien op, dat Joosten wil zeggen, dat hij, ware hij er toen bij geweest, deze vanzelfsprekende ontwikkeling van Gerard Bruning al in 1923 'geweten', d.i. voorzien en voorspeld zou hebben? Of is het een ironische zinspeling op dat 'verontruste' 'geweten', dat door deze zo gemakkelijk voorspelbare en dus onvermijdelijke ontwikkeling zo fraai geïllustreerd wordt?

Al wil Joosten 'natuurlijk liever niet weten hoe het Gerard Bruning tijdens de oorlog zou zijn vergaan', toch kan hij het klaarblijkelijk niet nalaten aan zijn vermoeden dienaangaande uiting te geven. Dat vermoeden luidt niet: "Misschien zou Gerard Bruning fout zijn geweest", nee, het lijdt voor Joosten eigenlijk geen twijfel, dat "ook" deze Bruning maar liefst "royaal aan de foute kant" zou zijn beland. Hij zou met andere woorden vrijwel zeker even "hartstikke fout" zijn geworden als zijn broer.

Wat zou Joosten zich daarbij precies voorstellen? Eufemistisch noemt hij het iets "weinig blijs". Maar zelfs wanneer hij het aanduidt met een positie "royaal aan de foute kant", wat is daaraan dan dermate weerzinwekkend, dat hij daarvan 'natuurlijk liever niet wil weten'? Wanneer zou iemand, in het algemeen genomen, eenvoudig niet willen weten hoe een bepaalde persoon zich in de toekomst zal ontwikkelen? Hoe een bekende er een maand na zijn overlijden in zijn graf zal uitzien, wil iemand natuurlijk liever niet weten. Dat is te weerzinwekkend. Maar verder..? Joostens afkeer moet veroorzaakt zijn doordat er voor zijn geestesoog een huiveringwekkend schrikbeeld opdoemde. De lezer heeft aan Joostens suggesties blijkbaar genoeg om voor diens afschuw van Gerard Brunings vrijwel onvermijdelijke ontwikkeling begrip op te kunnen brengen, anders had Joosten hem wel explicieter verteld wat volgens hem, in het geval Gerard Bruning de oorlog had meegemaakt, precies te verwachten zou zijn geweest. De gedachte daaraan is voor een normale lezer blijkbaar voldoende om door dezelfde afschuw als Joosten overmeesterd te raken.

Wie begrijpt trouwens níet waarop Joosten doelt? Gerard Bruning had volgens de mededeling in de vorige column reeds bij zijn leven voor het fascisme gekozen en volgens deze tweede column kunnen we er vrijwel van op aan, dat hij "royaal aan de foute kant" zou zijn beland. Kortom, voor Joosten staat het eigenlijk vast, dat Gerard Bruning voor het nationaalsocialisme en Hitler zou hebben gekozen, en dat hij ook alle consequenties van die ideologie met volledige instemming voor zijn rekening zou hebben genomen, tot aan het antisemitisme en Auschwitz toe. Dàt is een ontwikkeling waarvan hij en ik 'natuurlijk liever niet willen weten'. Als die ontwikkeling zich bij Gerard Bruning niet heeft voorgedaan, dan is dat slechts te danken aan het toeval van zijn vroegtijdige overlijden. Opnieuw expliciterend wat bij Joosten impliciet aanwezig is: dezelfde misdadigheid als die van Goebbels, Goering en die van zijn broer lag in hem op verdere ontwikkeling te wachten en zou zeker tot ontplooiing zijn gekomen als zijn vroege dood ons daarvoor niet had behoed. Dat is inderdaad een gruwelijk vooruitzicht, een vooruitzicht waarvoor Joosten begrijpelijkerwijs de ogen sluit. In feite vertegenwoordigen de broers, onder het bovenlaagje van schijnbare waardering, voor hem een en hetzelfde moreel verwerpeljke uitschot.

(Tussen haakjes: onlangs werden de beide broers in dezelfde omgeving wederom ten tonele gevoerd. In KUnieuws van 26 februari 1999 was Gerard Bruning opnieuw goed genoeg voor het leveren van een citaat, nu om een column, De vermomde bakker, van de hand van Bert Heffels, leesbaar te maken. Een citaat van Gerards broer Henri kwam Heffels daarbij trouwens ook goed van pas. Ook ditmaal werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om Gerard als persoon de grond in te boren, nu niet vanwege zijn vermeende fascistische gezindheid, maar op grond van zijn geloof. In KUNieuws van 12 februari 1999 had Heffels Gerard onder diens portret reeds gekarakteriseerd als "vroom verticaal journaille", maar op 26 februari legde hij de kern van diens geloof bloot: "Zijn geloof was een door mis en lof en rozenkrans gevoede volheid van hart en hoofd (...) die je van huis uit meekreeg (...)". Het was voor Gerard iets dat "boven alle discussie verheven was, juist omdat discussie ruimte laat aan twijfel. Die Gerard niet kende". Enfin: "De naïveteit ervan is hartverscheurend en tevens lachwekkend". Een dergelijk overgeleverd geloof zonder zelf veroverd fundament kon Gerard slechts "als 'Valbijl', als een axioma" hanteren. Raakte hij in een hem sterk emotionerende discussie met Van Duinkerken verzeild dan manifesteerde deze houvastloosheid van zijn geloof zich in de neiging zijn toevlucht te nemen tot geweld: manipuleren met een vork "als dreigde hij mij ermee in het gezicht te zullen prikken", zoals Heffels Van Duinkerken, puttend "uit zijn imposant geheugen", citeert. Dan bleef er, volgens Heffels, van Gerard alleen "een sissende gifschijter" over, bezeten door een "schier hysterische woede om niks". Wat kan het bij zo'n geloof van niks ook anders zijn geweest dan een "woede om niks"? Het citaat van Henri wordt na dat van Gerard door Heffels geïntroduceerd met de mededeling: "Zijn broer, de drie jaar jongere Henri Bruning, nam na zijn dood het schelden van hem over". Van hetzelfde laken een pak. Zo heeft Heffels dan met een paar regels Gerard en Henri Bruning tot een paar weerzinwekkende stukken onbenul gereduceerd. Over journaille gesproken.

Verwonderlijk bij dit alles is wel, dat Van Duinkerken in 1962 het geloof van Gerard als volgt omschreef: "Gelijk men christen humanist kan zijn op grond van het geloof aan de incarnatie van het Woord, kan men christen vitalist zijn op grond van het geloof in de bezieling door de Heilige Geest. Zulk een christen vitalist was Gerard Bruning." Was Gerards geloof geborneerd en voor hem niet meer dan een dogmatische 'Valbijl'? Van Duinkerken: "Voor integralisten bestaat de veiligheid in opsluiting en de beginselvastheid in afsnoering. Hierin verschilde hij van hun verstokte principaliteit. Hij haakte naar ruimte. Hij vond haar in de liefdesgedichten van Herman Gorter, waar nooit een leerstellige fanaticus van de geloofszekerheid haar zou zoeken. Hij durfde een geestelijke en maatschappelijke vrijheid aan, die integralisten als duivelswerk vreesden. Hij matigde zich niet in zijn oproerige begeerte naar zelfstandigheid."1 (Voor de ingewijden: Gerard Bruning is volgens Van Duinkerken, wat Gerard Brom al vóór de oorlog en L.J. Rogier in 1953 ook geïnsinueerd mogen hebben, dus nooit een integralist en dus al helemaal niet à la Thompson geweest.) Die zelfstandigheid erkende Gerard zelfs als onontkoombaar noodlot. Op 7 mei 1925 schreef hij naar aanleiding van Rembrandt aan Jan Engelman: "Zoo is kunst destruktief ten opzichte van de gemeenschap: zij plaatst er zich (hoe dan ook: vijandig of met wil tot verzoening) altijd tegenover en zij verwoest in ons, die de beteekenis van het werk zien, het geloof in de gemeenschap. Dit is individualisme - ik weet het. Maar geen onzer komt daar meer vrij van. Jullie ook niet, al zou je willen." Ik kan niet nalaten hier een uitspraak van zijn broer aan toe te voegen, als het ware weer een stap verder op deze ontdekkingsreis: "Laat men maar kletsen dat dit 'individualisme' is; het is het beste gemeenschapsbesef, en van anti-sentimenteel allooi" (Subjectieve normen 37).

Terug naar Jos Joosten.

Ondanks al zijn waarderende opmerkingen komen mijn vader en oom er bij Joosten in feite dus slechter van af dan men ook maar iemand zou toewensen. In deze context word ik dan door hem opgevoerd als "zijn zoon Raymund die heden van uitgever naar uitgever dwaalt met het manuscript van zijn studie Henri Bruning: over grootheid en tragiek". Wanneer ik als die zoon daarin iets positiefs schijn te willen zeggen over mijn vader en nog wel voor zover die vader "hartstikke fout" is geweest, dan pas ik wat dat betreft precies in het beeld van die familie. Dan zou het zelfs bij niemand verbazing wekken wanneer bij mij bijvoorbeeld symptomen van neo-fascisme en antisemitisme te signaleren zouden zijn, te meer waar Joosten genoodzaakt is te constateren: "Raymund Bruning heeft, voor zover althans af te leiden uit Hervormd Nederland, erg weinig afstand tot zijn vader." Tot het eind blijft hij zich overigens, ook jegens mij, heel fijntjes, genuanceerd en terughoudend opstellen, maar de definitieve doodklap deelt hij uit met zijn laatste uitspraak: "Het laatste woord wil ik niet zeggen. Henri Bruning is interessant genoeg voor een gedegen studie. Maar als die op de kaft slechts 'grootheid en tragiek' vermeldt, en door zijn zoon is geschreven, dan vrees ik het ergste te mogen vrezen." Waarschijnlijk opnieuw iets zo ergs, dat hij ook daarvan natuurlijk maar liever niets wil weten. Heeft hij met zijn stukje op deze subtiele wijze hetzelfde gevoel op zijn lezers weten over te dragen, dan mag ik er zeker van zijn dat ik bij hen met mijn boek niet meer hoef aan te komen. Een negatiever recensie-op-voorhand is moeilijk voorstelbaar.

Maar toch is hiermee in de kwestie Gerard en Henri Bruning het laatste woord niet gezegd. Wat Gerard betreft moet er voor Joosten een bijzonder stevige basis aanwezig zijn om een dergelijke macabere ontwikkeling als vrijwel zeker te voorzien en hem daarmee in een zo allerbedenkelijkst licht te plaatsen. Maar heel die basis bestaat bij hem uit niet meer dan de titel van dat artikel uit 1923, "De waanzin der democratie". Hij voelt zich niet geroepen om zijn vermoedens ook maar met één woord uit de inhoud ervan te onderbouwen. Gerard Bruning genoot de bewondering van schrijvers als Marsman, Ter Braak, Van Duinkerken, Helman, Engelman (die met hem en Marsman in 1925 een nieuw tijdschrift wilde oprichten) en Dubois. Volgens Henri had zijn broer Gerard "De Waanzin der Demokratie" reeds in 1922, wellicht dus zelfs nog vòòr Mussolini's mars naar Rome, als tekst voor een lezing op papier gezet. Het woord fascisme en de naam Mussolini komen er niet in voor. Daar kan die keuze dus niet uit worden afgeleid. En hoe zou er bij hem van een "keuze voor het fascisme" sprake kunnen zijn geweest, wanneer hij in een brief aan Engelman uit 1924 of iets later als zijn mening over het fascisme liet weten: "Ook ik geloof niet... in het fascisme; als de Valbijl langer verschenen was, zou daarover geschreven zijn. Het heeft eenige betekenis als tijdelijk materieel herstel maar aan de verrotte fundamenten verandert het niets."? Aangezien het Gerard Bruning uiteraard op de eerste plaats om de fundamenten ging - zie bijvoorbeeld zijn uitspraak: "de wereld van vandaag vraagt (indien wij althans nòg de stelling opzetten: de wereld te willen verbeteren) andere dingen dan aesthetische bevrijdingen, die volkomen ongevaarlijk zijn..." -, kan het fascisme, dat volgens hem in die context dus ook geheel tekortschoot, voor hem zelfs nauwelijks bijkomstige betekenis hebben bezeten. Hij zocht zijn heil in een andere richting. Dat hij bij het aanschouwen van wat voor hem de waanzin van de democratie uitmaakte - dat "vulgaire schouwspel van de platst-materialistische belangen en belangetjes-bescherming" - het heil alleen verwachtte van het geloof, van de Waarheid en van God zelf en zeker niet van iets als een fascistische beweging, is volgens mij de enige conclusie die op dit punt uit deze tekst is te trekken.

Joostens zekerheid werd dan ook reeds lang geleden geloochenstraft door Van Duinkerkens uitspraak: "De later wel eens uitgedrukte mening, dat Gerard Bruning bij verdere ontwikkeling van zijn denkbeelden zeker de zijde van het nationaal-socialisme zou hebben gekozen, steunt, of ze gunstig of ongunstig werd bedoeld, op veel te schamele gegevens om kans op waarschijnlijkheid te bezitten. Zijn ontwikkeling was nog in volle gang, toen hij stierf. Haar voortgang vertoonde nergens de ongebroken logische rechtlijnigheid van een harteloos intellect." 2

Kortom, Joosten heeft zichzelf en zijn lezers ten onrechte van hun stuk gebracht met dat gesuggereerde schrik- en spookbeeld van een Gerard Bruning tijdens de tweede wereldoorlog. Toch heeft hij hem daarmee op een subtiele, maar niet te verantwoorden wijze met vier zinnetjes allerernstigst in zijn goede naam aangetast. Met de naam van Henri Bruning deed hij hetzelfde. In dit geval wel terecht? Dat is dan ook maar de vraag.

In ieder geval is er om te beginnen alvast één aspect dat, mits opgemerkt, bij lezing van zijn aan Henri gewijde column aanleiding zou kunnen geven tot verbazing. Dat is het feit, dat hij met betrekking tot Henri Bruning de onwaarschijnlijkste contradicties op papier krijgt, terwijl hijzelf kennelijk blind is voor de ongerijmdheid ervan. Bijvoorbeeld: Bruning was "bepaald niet opportunistisch maar al evenzeer hartstikke fout". Wanneer hij niet opportunistisch was, was hij niet uit op eigenbelang en moeten dus idealisme of goede bedoelingen hem gedreven hebben. Maar hij zal toch niet uit idealisme of uit goede bedoelingen zijn land verraden en met de vijand geheuld hebben? Gespeend zijin van alle opportunisme en "hartstikke fout" zijn toch zeker met elkaar apert in tegenspraak.

En hoe is het mogelijk, ander voorbeeld, dat een helder denker als Ter Braak, die al in 1938 voorzag dat Brunings gedachtengoed gemakkelijk kon uitlopen op "Jodenvervolgingen en soortgelijk fraais", zich over zulk een persoon lovend uitliet? Over iemand die er ideeën op nahoudt, die een holocaust kunnen veroorzaken, laat men zich toch niet lovend uit? Een dergelijk persoon roept een spontane walging op, die alleen nog maar tot de felst mogelijke bestrijding inspireert. Vervolgens ís Bruning hartstikke fout geweest en hééft hij volop de zijde gekozen van degenen die de moord op de joden op hun geweten hebben,en dan blijkt deze weerzinwekkende collaborateur een paar jaar later ook nog in de gelegenheid te zijn gesteld in het totaal onverdachte Maatstaf, nota bene met instemming van de overtuigde antifascist J.B. Charles, zijn keuze voor die verderfelijke ideologie minutieus te motiveren. Hoe is het mogelijk dat J.B. Charles er iets anders over gezegd heeft dan: "Met die vuiligheid komt Bruning van zijn leven niet in Maatstaf"?

Dan is er tenslotte nog die onwaarschijnlijke contradictie in Brunings psychische ontwikkeling, een contradictie die in Joostens column besloten ligt, maar al evenmin tot zijn bewustzijn is doorgedrongen. Met name voor de oorlog was Bruning, door zijn gedichten en geschriften als Subjectieve Normen en Verworpen Christendom, zoals Joosten stelt, "literair interessant". En gerespecteerd als denker en polemist. Dat wordt bijvoorbeeld bevestigd door W.L.M.E. van Leeuwen die, uitsluitend positief bedoeld, kon schrijven: "Van Duinkerken, Ter Braak, Bruning - beeld van geestelijk Nederland vlak vòòr 1940", benevens door het door Joosten vermelde feit, dat een critisch brein als Menno ter Braak "lovende woorden voor hem" had. En dat is zacht uitgedrukt. Tengevolge van welke geestelijke evolutie kan iemand met dergelijke kwaliteiten zó plotseling tot een dergelijk stadium van innerlijke verloedering - Adriaan Venema: "Ter Braak (...) had geen notie van de gedachtenverloedering die bij de dichter plaatsvond na 1940" - ontaarden, dat hij zich met die perverse ideologie identificeerde en daarmee Joostens kwalificatie - "hartstikke fout" - rechtvaardigde? Deze ongerijmdheid in zijn psychische ontwikkeling is des te groter en onbegrijpelijker, waar Bruning vanuit dat onpeilbare dieptepunt van verloedering zich na de oorlog onmiddellijk weer deed kennen met een niveau van integriteit en menselijkheid, dat hem in staat stelde zelfs met Charles tot een goede verstandhouding te komen, dat Bakker bewoog zijn grote Gezelleboek uit te geven, en dat hemzelf niet alleen het schrijven van deze literair-religieuze studie over Guido Gezelle mogelijk maakte, maar bovendien van "een fijnzinnige bundel essays" en van een dichtbundel "met een paar erg mooie gedichten". Is een dergelijke psychologische evolutie eigenlijk niet ten enen male onbegrijpelijk - en is het niet even onbegrijpelijk, dat iemand als Joosten de onbegrijpelijkheid van die evolutie over het hoofd ziet?

Voor het verbazingwekkende verschijnsel van deze serie onverklaarbare contradicties in de column van Joosten, voor het feit dat die contradicties hem kennelijk ontgaan zijn, maar bovendien ook voor het reeds gesignaleerde feit dat hij en Heffels als p.r.-figuren van de KUN zich geroepen hebben gevoeld zich geheel spontaan, door niets uitgelokt op Gerard - een reeds zeventig jaar geleden overledene - en Henri Bruning volkomen onbeargumenteerd en volmaakt onwetenschappelijk, bovendien ogenblikkelijk weerlegbaar, kortom volmaakt redeloos, te gaan uitleven als op twee koppen van Jut met de moker van ongelimiteerde verdachtmakingen, leugens en kleineringen, hen als menselijk persoon vernielend - en dat schijnbaar zonder dat ze er zelf erg in hebben - , voor dit alles gaat misschien, in combinatie met het feit dat zij in de traditie staan van wat ik voor het gemak even de Nijmeegse School genoemd heb, de verklaring op die ik in het derde hoofdstuk van mijn boek heb uitgewerkt. Die bestaat uit het zogenaamde goed-fout paradigma. De symptomen van dit paradigma zijn dat men bepaalde dingen ziet, die er niet zijn, en andere dingen niet ziet die er wel zijn. Van dat paradigma maak ik aannemelijk, dat het de visie van vrijwel alle Nederlanders op ons oorlogsverleden conditioneert, zodat het voor de hand ligt, dat ook een Joosten en een Heffels er zich met betrekking tot de Brunings niet aan hebben kunnen onttrekken, zodat zij met hun columns een recent voorbeeld van en het zoveelste bewijs voor dit paradigma opleveren. Misschien verhoogt dit, niettegenstaande de column waarin Joosten zo alarmerend tegen mij waarschuwt, toch de belangstelling voor mijn boek. Lezing ervan zou het bovendien mogelijk maken na te gaan of, net zoals dat in het voorgaande met zijn visie op Gerard Bruning het geval bleek, ook Joostens visie op Henri Bruning voor een fundamentele herziening in aanmerking komt.

Maar graag wil ik de lezer nodeloze moeite besparen en wel door onder III teksten 1997-1999 Van Diggelens vragen en mijn antwoorden uit het interview in Hervormd Nederland toegankelijk te maken. Dan kan hij constateren hoe terecht Joosten juist op basis daarvan heeft vastgesteld dat ik te weinig afstand tot mijn vader heb en op grond daarvan concluderen dat het weinig zin heeft daarvan nòg eens vijfhonderd pagina's lang getuige te moeten zijn. Dan kan hij bovendien door vergelijking met diens column vaststellen hoe gewetensvol Joosten aan mijn uitspraken uit het HN-interview inhoudelijk recht heeft gedaan.

Dit alles beschouw ik alsnog als mijn manier van herdenken van het feit,  dat 1998 het jaar was waarin Gerard Bruning precies een eeuw geleden werd geboren. Verder ben ik het toeval dankbaar, dat Jos Joosten voor mij de aanleiding tot heel deze onderneming is kunnen worden en mij bovendien het idee aan de hand heeft gedaan deze te plaatsen onder het door hem aangereikte en nog steeds actuele motto van deze oom. Gerard Bruning, oudere broer van Henri Bruning

2 februari 1999

noten

1 Anton van Duinkerken "Gerard Bruning" Dietsche Warande en Belfort CVII (jan. 1962) nr. 1 34)

2 idem 31

II recente geschiedschrijving


(Terug naar: Inleiding)

 

H. Genefaas

Er lijkt zich in de geschiedschrijving van de oorlog, in de verhouding met betrekking tot de tegenstelling tussen goed en fout, een kentering te voltrekken. Iets in die geest lijkt zich al te manifesteren met betrekking tot de persoon van Henri Bruning. Want even afgezien van de columns in KUnieuws is bijvoorbeeld de algemene boycot die Victor van Vriesland rond 1954 had uitgeroepen tegen de poëzie van Henri Bruning door ze voor zijn Spiegel van de Nederlandse Poëzie in de ban te doen, dan toch eindelijk doorbroken. In haar inmiddels lang en breed uitverkochte bloemlezing De blijde boodschap / Religieuze gedichten uit 1997 (uitg. Contact) nam M. Lubrecht twee van zijn gedichten op. Lubrecht had haar gelijk overigens al in 1949 gekregen, toen op 21 februari een dagblad onder het kopje Ezra Pound krijgt jaarprijs ondanks "foute" houding uit de Daily Tel. het bericht overnam, dat de dichter Ezra Pound de eerste jaarlijkse Bollingenprijs was toegekend door een jury waarin T.S. Eliot en W.H. Auden zitting hadden. "De jury heeft in haar beslissing meegedeeld, dat zij er zich wel van bewust was, dat tegen het toekennen van de prijs aan Pound bezwaren zouden worden geuit. Zij heeft hem desondanks de prijs toegekend, omdat andere overwegingen dan dichterlijke verdiensten bij de toekenning van de prijs de beloning haar waarde zouden hebben ontnomen. Dit had in principe een ontkenning geweest van het objectief waardebegrip, waarop iedere beschaafde gemeenschap gegrondvest moet zijn, besluit de toelichting van de jury." Hetzelfde (b.v. 'haar waarde ontnomen) geldt evengoed voor het niet-opnemen van gedichten in dergelijke bloemlezingen. En in het Jaarboek katholiek documentatie centrum 1997 [27] publiceerde Hester Genefaas een literairhistorische studie onder de titel Verworpen tussen steen en stroom? / Henri Bruning, Anton van Duinkerken en Menno ter Braak over het christendom. Daarin gaat zij na "hoe deze drie schrijvers zich tot het christendom en tot elkaar verhouden. Aan één auteur in het bijzonder zal ik nadrukkelijk aandacht besteden: Henri Bruning. De belangstelling voor diens positie in het levensbeschouwelijk debat is tot dusver gering, zeker vergeleken met de aandacht voor de polemiek van zijn tegenstanders Van Duinkerken en Ter Braak." (p.70) Dat laatste feit verklaart de door haar gekozen titel, geïnspireerd enerzijds waarschijnlijk op Brunings Verworpen Christendom uit 1938 en anderzijds op Steen of stroom? Menno ter Braak en Anton van Duinkerken over het Christendom (Kampen 1969) van G.T. Rothuis. Bedoeld feit is te merkwaardiger, omdat, zoals Genefaas citeert, iemand als N. de Rooy in 1953 in In vrijheid herboren nog kon poneren: "De tienjarige polemiek tussen Van Duinkerken en Ter Braak wordt belangwekkender, want steeds tekenender voor het geestesleven in Nederland in de tijd voor de Tweede Wereldoorlog, wanneer Henri Bruning zich in hun gedachtewisseling mengt." (p.70) De vraag hoe het te verklaren is, dat Brunings rol in dit debat na 1953 zo onderbelicht is gebleven, wordt door Genefaas gesteld noch beantwoord, maar het ligt voor de hand dat zijn politieke houding tijdens de oorlog ook in dit geval hieraan debet is geweest. Genefaas schreef een literairhistorische studie, waarbij zij zich niet op het terrein van andere disciplines wenste te begeven.

(Nb. Nog tot in 1953 is zo'n positief geluid als dat van De Rooy over Bruning dus nog mogelijk geweest.) Op 30 april van dit jaar schreef ik Hester Genefaas als eerste reactie op haar artikel: "Tevens vind ik je artikel een mooi tegenwicht tegen de columns van Jos Joosten en Bert Heffels in KUNieuws van 23 mei en 13 juni 1997 (Joosten) en van 12 en 26 februari 1999 (Heffels) met betrekking tot Gerard en Henri Bruning: de KUN heeft naar mijn idee door jou haar wetenschappelijk, katholiek en cultureel fatsoen tenminste enigszins kunnen redden."

Op haar antwoord heb ik op 4 november gereageerd:

 

"Beste Hester,

 

Hartelijk dank voor je uitvoerige brief van 13 september. ( )

Ik wil graag op een bepaald deel van je brief ingaan. Je geeft namelijk, ingaande op mijn verzoek, een tweevoudige nadere bepaling van de inhoud van het begrip "absoluut" resp. "absolutisme", dit in verband met je noot: "Dat Brunings absolutisme in verband kan worden gebracht met zijn keuze voor een fascistische partij, is duidelijk."

( )

Ik heb een grote afkeer van dergelijke algemene karakteristieken als "absolutistisch", "fascistisch", "integralistisch". Van "absolutisme", en al helemaal van een "streng, veeleisend en intolerant" absolutisme, omdat het op geloofsgebied meteen met "fundamentalisme" geïdentificeerd wordt en dan eventueel liefst - in het geval van H.B. - met integralisme, wat jij gelukkig niet doet. En van deze begrippen in het algemeen omdat die uit de wetenschappelijke literatuur zo gemakkelijk 'verantwoord' overgenomen en dan als vanzelfsprekend geaccepteerd kunnen worden en vervolgens hetzij door hun bijklank hetzij door de er ten onrechte aan toegekende inhoud zulk een ingrijpend vertekenende uitwerking kunnen hebben. In je noot breng je twee van die begrippen dan ook nog eens met elkaar in verband en verklaar je ze in combinatie op H.B. van toepassing. Juist door de connotaties die deze beide begrippen aankleven en door het feit dat Bruning juist door dat fascisme bekend en in een kwaad daglicht staat, heb ik het gevoel, dat je met deze noot alles wat je met je artikel tegen de gangbare opinie in aan positiefs hebt opgebouwd, weer grotendeels ongedaan maakt. Als je die verdomde politiek overeenkomstig je opzet nu eens zelfs niet met dit ene zinnetje in dit ene nootje in je artikel om de hoek had laten komen kijken...

Met die disciplines blijft het overigens toch een probleem. Want je hebt je willen beperken tot de literairhistorische betekenis van H.B. Maar je hebt er toch een flinke scheut godsdienstwetenschap in moeten verwerken. Al was het maar om te kunnen schrijven over iets als "de essentie van het christendom". Wanneer je aan het eind aangeeft, dat Ter Braak in de polemiek eigenlijk het onderspit heeft gedolven, gebeurt dat op grond van iets als "de mystiek". Maar dat is alleen maar een doorslaand argument, wanneer men weet wat mystiek is en dat is, dacht ik, niet bepaald een literairhistorische aangelegenheid.

 

Ook dat "verticaal" en "verticalisme" zijn voor mij van die generaliserende en vertekenende begrippen, al heeft dan ook niemand minder dan Ter Braak die ingevoerd. Jij schrijft: "Zijn geloof richtte zich meer op de exclusieve verhouding tot God dan op de relatie met de medemens, en kan daarom 'verticaal' genoemd worden". Inderdaad, hij nam de kern en de basis van zijn geloof serieus en als uitgangspunt. Wat er van een alleen maar "horizontaal" geloof terecht komt, wordt goed gedemonstreerd door wat er momenteel van het rijke roomse leven en van de katholieke kerk in Nederland is overgebleven. Volgens mij was dat verticalisme juist de betrouwbare basis van horizontalisme. Wat kan een serieus beleefd geloof, dat stelt dat het eerste gebod gelijk is aan het tweede gebod (hebt uw naaste lief als uzelf; wat gij dus wilt dat de mensen u doen, doet dat ook hen, want dat is de wet en de profeten) nu anders uitrichten dan de meest uitgesproken horizontaliteit, dan vrede op aarde? Die horizontaliteit kwam bij H.B. volgens mij onmiskenbaar tot uitdrukking juist in zijn politieke stellingname. Dat door jou genoemde onderscheid tussen natuurlijke en bovennatuurlijke orde maakte hij, omdat de kerk volgens hem met die horizontaliteit, met dat tot stand brengen van een menselijker maatschappij, met de bestrijding van het kapitalisme en van het uitbuiten van de arbeider die met name in de crisis van 1929 het slachtoffer van het kapitalisme was geworden, geen consequente ernst maakte. Dat onderscheid maakte het hem mogelijk te stellen, dat de kerk zich op dat natuurlijke gebied geen gezag mocht aanmeten, tenzij wanneer het om zaken van geloof en zeden zou gaan. De kerk had alleen zeggenschap op het bovennnatuurlijke gebied. Daardoor kon de gelovige op dat natuurlijke gebied zonder zich om de kerk te bekommeren, zijn gang gaan en trachten te voorzien in datgene waarin de kerk tekort schoot. "daarom moest de mens streven naar een staat waarin zijn medemens zal kunnen leven en werken en de kleine vreugden dezer aarde genieten. Concreter dan dit citaat wordt het tijdelijk welzijn van de mens niet beschreven; evenmin is Bruning duidelijk over hoe het heil van de maatschappij precies moet worden nagestreefd".(75) Wanneer jij stelt, dat Bruning lid werd van het "als fascistisch te beschouwen" Verdinaso, dat "zich kenmerkte door een militaristisch optreden", dan vrees ik dat je je baseert op literatuur die het Verdinaso met deze karakteriseringen meteen in een bepaalde hoek plaatst en daarmee uiteraard ook Brunings keuze voor die partij. Maar die keuze heeft Bruning nu juist gemaakt, omdat hij meende dat juist door die partij het heil van de maatschappij op de met zijn inzichten meest overeenstemmende wijze werd nagestreefd. En wanneer je schrijft: "Hierbij was het gezag van een verantwoordelijke en dienstbare leidsman van groot belang", dan was Joris van Severen in de ogen van H.B. nu juist bij uitstek die leider (en b.v. Mussert al helemaal niet). Of hij zich daarmee grandioos vergist heeft of dat er voor die opvatting het een en ander te zeggen is geweest, vereist een politiek-historisch onderzoek, maar wanneer je je tot het literairhistorische beperkt dan ontgaat je deze volkomen voor de hand liggende oplossing voor de door jou geconstateerde onduidelijkheid, te weten hoe H.B. zijn ideaal op het natuurlijke gebied heeft menen te kunnen verwerkelijken. Dáár lag de oorsprong van zijn "fascistische" activiteiten. Als dat geen horizontalisme is... Dat draagt, denk ik, meer bij tot de verduidelijking van zijn "fascisme" dan zijn "absolutisme". Ondanks "de geringe geestelijke beweeglijkheid van het volk"(76) heeft H.B. die strijd onverdroten voortgezet: toch ook een bewijs van de ernst van zijn horizontaliteit.

In zijn verdere ontwikkeling maakte H.B. die tegenstelling tussen natuurlijke en bovennatuurlijke orde niet langer; van de politiek verwachtte hij, na zijn ervaring met de politiek tijdens de oorlog, ook niets meer, maar wel ontwikkelt zijn geloofsvisie zich in een richting waarin een op het evangelie gebaseerde 'medemenselijkheid' en een daardoor hier op aarde gelukkige mensheid wordt gezien als hetgeen Jezus en zijn Vader eigenlijk met de mensheid voor hebben. De horizontaliteit heeft zich bij hem dus alleen maar sterker uitgekristalliseerd...

Hierbij nog even de meest beknopte omschrijving van zijn ontwikkeling op religieus gebied, door hemzelf geschreven als inleiding op het "interview" Als er een God bestaat kunnen we niet leven alsof Hij niet bestaat in SALVO, katholiek tijdschrift voor de nederlandse strijdkrachten jg. 20 kerstnummer 1967 p. 8-10:

 

"Henri Bruning stelde reeds in de dertiger jaren, naar een authentieke geloofsbeleving zoekend, dat het katholicisme, van defensief offensief geworden, opnieuw creatief moest worden, bedreigd als het werd, van binnenuit, door het voze optimisme van uiterlijke succesjes, waarmee het verstarde en uitgeholde geloofsleven zichzelf slechts continueerde.

Ten overstaan van het luidruchtige offensieve vertoon van die dagen, dat tegelijk een weigering was zich rekenschap te geven zowel van het gemis aan innerlijk, waarlijk religieus gehalte in dit zich in uiterlijk vertoon manifesterend godsdienstige leven als van de werkelijke levensvragen, verdedigde Bruning een innerlijke vernieuwing, een terugkeer naar het inwendige leven met Christus en leven-met-het-evangelie, dat oorsprong, grondslag en vormkracht is van alle geloofshandelen.

De verdediging van een waarachtige, persóónlijke geloofsbeleving bracht Bruning in latere geschriften tot de realiteit van de verborgen, onzichtbare kerk die, waar zij handelend wordt, of woord wordt, Christus' genade aan en in de mens, en temidden der mensen, zou "zichtbaar" maken, - waar zoveel andere "zichtbaarheid" deze vaak slechts dieper verduisterde. Werd de nog jonge Bruning in zijn eerste publikaties verontrust door het besef van Gods afwezigheid in deze wereld, in zijn verdere ontwikkeling groeide deze ervaring tot een besef van Gods transcendentie en werd het geloof steeds letterlijker een akt van gelóven, dat is van niet-wéten: een geloofshandelen in de stilte van Gods zwijgen, een zwijgen dat slechts verbroken scheen door Christus, diens evangelie, dat als Gods woord aan de mens opnieuw van centrale betekenis werd.

In Brunings latere werk, "Verworpen Christendom" (1938), "Elias van Cortona" (1940), "Guido Gezelle, de andere" (1954), "Voorlopige Motieven" (1954), "Vormkracht en onmacht der religie" (1961), laat hij deze inzichten niet los, maar waar hij voordien het christendom vooral doordacht en belichtte als bovennatuurlijk leven, vanuit het evangelie, daar doordenkt hij hier het evangelie, vanuit de werkelijkheid van de mens, de spanningen en fundamentele vragen der menselijke situatie."

 

Ik besef heel goed, dat je H.B. ook gekarakteriseerd hebt met de woorden tragisch en eenzaam en ook, zoals ik je al schreef, dat je hem met die discussie weer op een heel andere dan de gebruikelijke wijze voor het voetlicht hebt gebracht - dat heb ik in mijn brief toch ook wel duidelijk laten blijken - , maar in de kwestie van dat absolutisme en de gesuggereerde band met zijn fascisme gaat het toch om iets zo fundamenteels, dat ik niet kon nalaten er wat dieper op in te gaan. ( )

Je alle goeds wensend, met hartelijke groet,

 

Raymund Bruning"

 

recente publicaties

(Terug naar: Inleiding)

Maar dan nu de meer algemene kentering die zich aan het voltrekken zou zijn in de geschiedschrijving betreffende ons land tijdens de tweede wereldoorlog. Een recent voorbeeld van geschiedschrijving die zich aan de moraliserende goed-fouttegenstelling heeft weten te onttrekken, is het proefschrift van Kees Wouters Ongewenschte Muziek - De bestrijding van jazz en moderne amusementsmuziek in Duitsland en Nederland 1920-1945. Erik van den Berg besprak het in de Volkskrant van 29 oktober 1999 onder de titel:'In de ban van het sensueele negerrythme / NSB'ers bestreden jazz met absurde voorschriften. De afwezigheid van het moraliseren wordt in de recensie aldus ter sprake gebracht: "Wouters onthoudt zich in zijn onderzoek consequent van commentaar. 'Ik heb geen behoefte oordelen te vellen, zeker omdat ik die tijd zelf niet heb meegemaakt. Maar als je goed leest, valt natuurlijk op dat er onder de Nederlandse ambtenaren een ongelooflijke bereidheid was om mee te werken met de bezetter. Nee, ik voelde geen woede of verontwaardiging.' ( )". (Nb. Wouters heeft het hier over een bepaalde vorm van meewerken met de bezetter, van collaboratie dus). Wouters beseft overigens heel goed, welke fase in de ontwikkeling van de geschiedschrijving van de oorlog zíjn wíjze van geschiedschrijven vertegenwoordigt. "'Wij zijn opgegroeid met het beeld van de oorlog van Lou de Jong, en dat was zwart-wit. Vervolgens kwam de dissertatie van Blom, die wat grijstinten aanbracht. En nu zijn we toe aan de generatie die het grijs kleur geeft. Dat houdt voor mij in, dat je descriptief te werk gaat. Wat is er precies gebeurd? Hoe is het nu écht gegaan? Het klinkt een beetje Rankiaans - Wie es eigentlich gewesen - maar dat zijn de vragen die ik beantwoorden wil. ( ) Er zijn mensenlevens vernietigd, het moet niet te anekdotisch worden. Maar aan de andere kant: altijd maar reflecteren hoe erg de oorlog was, dat weten we nu wel. Tegen die achtergrond is een boek als dit mogelijk.'" Einde recensie.

Eist Kees Wouters voor zichzelf dus de vrijheid op tot een niet door het morele goed-foutdilemma bepaalde geschiedschrijving - waarmee hij m.i. toch op het spoor van Blom zit -, er zijn inmiddels ook reeds studies verschenen die op de in het rigoureus goed-fout licht geschreven oude geschiedschrijving ingrijpende correcties aanbrengen. Eerste voorbeeld: het proefschrift De Nederlandse Unie van Wichert ten Have (promotor J. Blom), in de NRC van 16 november j.l. besproken onder de titel 'Top Nederlandse Unie niet fout'. De hele recensie beperkt zich in feite tot het duidelijk maken hoezeer deze dissertatie De Jongs beeld van de Nederlandse Unie op losse schroeven zet, zoals de kop trouwens al te verwachten geeft. "Hoewel Ten Have niet de polemiek met De Jong zoekt, nuanceert hij in zijn dissertatie in aanzienlijke mate het beeld dat in Het Koninkrijk wordt geschetst van de Unie en haar leiders. ( ) De Jong schreef in deel 4 van zijn boek: 'Het kwam erop neer dat het Driemanschap, bedoelend een beweging in het leven te roepen die de grondslag moest vormen voor Nederlandse aanpassing aan het Derde Rijk, in werkelijkheid al door het simpele feit dat het in stad na stad duizenden anti-nationaal-socialistische Nederlanders [...] bijeenbracht, een aanhang kreeg die de Unie van meet af als een uiterst welkome gelegenheid beschouwde om tegen Hitler, Seyss-Inquart en Mussert te demonstreren. [..] Daarmee was de opzet [van het driemanschap] al na enkele weken mislukt.'"

De recensent formuleert tot slot zijn conclusies als volgt:

"Ten Have betoogt dat vrijwel alle Nederlandse politici in de eerste fase van de bezetting een vorm van 'aanpassing' voorstonden, maar dat rekening houden met de bezetter iets geheel anders was dan de bedoelingen van de bezetter overnemen, wat het driemanschap volgens hem ook niet heeft gedaan.

Verder bestrijdt hij De Jongs stelling dat er tussen de houding van de leiding van de Nederlandse Unie en de aanhang een fundamenteel verschil van opvatting bestond. Leiding en leden deelden de behoefte op te komen voor 'de Nederlandse waarden' en 'het Nederlands karakter', die werden gezien als duidelijk afgegrensd van die van het nationaal-socialisme."

(Wat dat laatste betreft gaf H. Bruning reeds in de tijd van de Nederlandse Unie zelf een behoorlijk ironisch commentaar op de Unie ten beste, dat minstens een critische noot plaatst bij laatstgenoemde these van Ten Have.) (Nb. Het gaat hier opnieuw over een bepaald soort samenwerking met de bezetter.)

Opvallend is dat Jan Blokker in zijn vele malen uitvoeriger recensie in de Volkskrant van 26 november, Verzet dat mocht, niet in de verste verte het idee geeft, dat er hier van zo'n ingrijpende correctie op het beeld van De Jong sprake zou zijn. Zijn medestraatbewoners waren indertijd door de drie mannen van het Driemanschap ertoe verleid enthousiast affiches te gaan plakken: "zij [de drie mannen RB] hadden ons misleid", had De Jong hen gerustgesteld; "Ten Have op zijn beurt disculpeert in zekere zin het Driemanschap: ( ) de drie wisten het ook niet, en probeerden zich door de geduchte Duitse autoriteiten heen te improviseren, zonder ooit een helder beeld te hebben van wat er morgen kon gebeuren". Daarentegen geeft Blokker sterk de indruk, dat het boek een soort geschiedverhaal is als dat van Wouters: descriptief, antwoord gevend op de vraag: Wat is er nu precies gebeurd? Dat blijkt uit Blokkers slotkarakterisering: "het 'overlevingsmechaniek' dat voor negentig procent van de Nederlanders van '40-'45 zo feilloos heeft gewerkt, is zelden zo feilloos ontleed en in kaart gebracht". De schuldvraag met betrekking tot het Driemanschap laat Blokker onbeantwoord en zelfs uitdrukkelijk in het ongewisse, namelijk afhankelijk van de interpretatie van zijn spreken over "hun soort bereidheid tot samenwerking met een puur crimineel regime". Zijn zij daartoe bereid geweest terwijl zij wisten dat het puur crimineel was, dat wil zeggen zijn zij dus bereid geweest met die pure criminaliteit mee te werken, was er bij hen sprake van 'het overnemen van de bedoelignen van de bezetter', of zijn zij bereid geweest met een regime mee te werken dat achteraf pas puur crimineel blijkt te zijn geweest resp. te zijn geworden, m.a.w. was er bij hen slechts sprake van 'rekening houden met de bezetter'? In het eerste geval zijn het op zijn zachtst gezegd een stelletje allerverachtelijkste hondsvodden geweest; in het tweede geval had Blokker best wel wat meer duidelijkheid kunnen geven over hetgeen zij met hun samenwerking eigenlijk hebben beoogd.

 

Aan een veel vroeger voorbeeld van een historische studie met gedegen kritiek op geschiedschrijving uit de eerste fase van het NIOD (eertijds RIOD) werd op 11 september j.l. in de Volkskrant de herinnering opgehaald in een artikel van Hans Wansink dat gewijd was aan een door J.A.A. van Doorn als 'slachtofferitis' aangeduide kwestie die hier overigens niet ter zake doet. Onder de titel Steeds meer slachtoffers van de geschiedenis was het de weergave van een interview met Johannes Houwink ten Cate, "een van de belangrijkste onderzoekers van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog" en "onderzoeker van Oorlogsdocumentatie".

"Was het niet het RIOD (tegenwoordig NIOD), dat zich, bij monde van Jacques Presser en Loe de Jong, ontpopte als het geweten der natie? Was het joodse volk dan niet in de steek gelaten door zijn landgenoten die de andere kant op hadden gekeken, ja zelfs door hun eigen leiders van de Joodse Raad?" In deze samenhang komt dan de kritische studie van Houwink ten Cate ter sprake, de correctie op deze niet langer houdbare historische visie:

"Hij maakte tien jaar geleden naam met een wetenschappelijke weerlegging van Pressers beschuldiging dat de voorzitters van de Joodse Raad hun eigen hachje wilden redden en rijke en ontwikkelde joden hadden bevoordeeld boven de arme joden 'met het sinaasappelkarretje.'

-Presser en De Jong hebben geschreven dat de joodse elite heeft gecollaboreerd. U heeft die beweringen ontzenuwd.

'Volgens mij heeft de Joodse Raad mensen beschermd die op een bepaalde manier een rol hebben gespeeld in het joodse openbare leven. Dat was ook de verpleegster, de doodgraver, de kok uit de ouweliedeninrichting. De opdracht die ik mezelf stel, is uit te leggen dat joodse collaboratie niet bestaat. Laakbare collaboratie veronderstelt opzet, dat mensen willens en wetens de Duitsers hielpen. De Joodse Raad heeft niet de Duitsers willen helpen. Ze heeft andere joden willen helpen'."

Is Presser in zijn geschiedschrijving misschien het slachtoffer geworden van een excessieve, maar begrijpelijke afkeer van collaboratie met de nazi's? (Nb. Opnieuw betreft het een bepaald soort 'collaboratie'.)

Wanneer de oude geschiedschrijving van het NIOD juist op het punt van 'collaboratie' tot het maken van zulke ingrijpende correcties noodzaakt, rijst de vraag, of die overeenkomstige fouten, die parallelle vertekeningen van het historische beeld, misschien een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Te meer, waar het interview wat dat betreft in een bepaalde richting wijst. Wat later merkt Houwink ten Cate namelijk op: "De eerste generatie onderzoekers naar de jodenvervolging was zelf jood, hoewel lang niet altijd orthodox. Mijn generatie onderzoekers bestaat - internationaal - vooral uit niet-joden. We proberen voorzichtig te morrelen aan een aantal vooroordelen die mensen hebben." Het vooroordeel betreffende de Joodse Raad en betreffende de Nederlandse Unie dus bijvoorbeeld. In ieder geval lijkt Houwink ten Cate het als een voordeel voor zijn historische werk te beschouwen, dat hij geen jood is en het dus eerder als een belemmering te zien als hij dat wèl geweest was. Op de slotvraag: "Had U een joods jongetje willen zijn?", luidde zijn antwoord namelijk: "Natuurlijk niet. Natuurlijk wil niemand slachtoffer zijn. Ik ben dolblij dat ik me niet kan voorstellen, in emotionele zin, hoe het is om slachtoffer te zijn. Ik geloof niet in die empathische benadering." (einde artikel).

In tegenstelling tot Houwink ten Cate vraag ik me - uit eigen belang? - af, of het misschien de kwestie is, niet wát je bent, maar hòe je het bent. Anders had ik als zoon van een NSB'er ook maar beter mijn mond kunnen houden, want wat was daar nou aan betrouwbaars uit te verwachten geweest? Dat dit een gangbare opvatting is bewees Jos Joosten in het voorgaande. Een van de twee redenen waarom hij in het boek over mijn vader al bij voorbaat niet de minste fiducie heeft, is immers, dat het "door zijn zoon is geschreven", want "dan vrees ik het ergste te mogen vrezen".

 

Bij laatstgenoemde twee studies gaat het om correcties op het bestaande geschiedenisbeeld op basis van in principe bekend materiaal. Dreigt dit beeld nu, opnieuw op het punt van een bepaald soort collaboratie, nog verder aangetast te gaan worden? Wordt nu wellicht zelfs het lidmaatschap van NSB en SS, toch wel collaboratie, 'fout', bij uitstek, minder laakbaar, en dit dan nu niet op basis van bekend en toegankelijk materiaal, maar juist op grond van materiaal dat nu pas te voorschijn komt en ons nog bijna onthouden was gebleven? Op 28 mei 1999 berichtte de NRC onder het kopje Aspekt: "Een uitgave van geschriften van de nationaal-socialist Georges Kettmann, Tweespalt, de nagelaten geschriften van een nationaal-socialist is afgeblazen. De tekst is klaar, schrijver Louis Ferron heeft zijn voorwoord gereed, maar uitgeverij Aspekt laat het toch maar niet drukken. ( ) Ferron vreest dat de geringe animo bij de boekhandel voor Tweespalt te maken heeft met de politieke voorkeuren van Kettmann. 'Terwijl het verantwoorde teksten zijn, waarin hij het integer over zijn motieven heeft. Het zou vreemd zijn als boekhandels dat niet willen verkopen uit een misplaatste behoefte om politiek correct te zijn.'"

Maar blijkens de recensie Schrijver met den mitrailleur van Gerard Groeneveld in de NRC van 12 november 1999 is het boek van Kettmann Leven in tweespalt / Nagelaten geschriften van een nationaal-socialist, ingeleid door Louis Ferron en bezorgd Willem Huberts, er dan toch gekomen, dankzij uitgeverij Flanor. Het boek "is een compilatie van twee onuitgegeven typoscripten die hij in gevangenschap op papier zette. In Op zoek naar een haven uit 1949 verklaart hij waarom hij destijds een knieval voor het nationaal-socialisme maakte. Tweespalt tussen NSB en SS (1953) zette hij op papier na een verzoek van het RIOD om zijn visie te geven op de ideologische verschillen tussen de beide groeperingen." Wat heeft daar bij het RIOD precies achter gezeten? Bij die instelling "werd het historische belang van de 'bruine getuigenissen' al vroeg ingezien. Kort na de oorlog nam het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, voorheen RIOD, het initiatief om enkele kopstukken onder de politieke delinquenten aan te zetten tot het schrijven van hun herinneringen. Sommigen deden dat en menig historicus heeft in de loop der tijd daarvan voor zijn onderzoek graag gebruik gemaakt. Met de publicatie van Leven in tweespalt, de memoires van de Nederlandse nationaal-socialist George Kettmann, onderneemt uitgeverij Flanor voor het eerst een poging een dergelijk document voor een breder publiek toegankelijk te maken." En wat maakt dit geschrift de lezer wijzer? "Na lezing van deze memoires krijgt men ( ) veel meer inzicht in de motieven van de Nederlandse zwarte revolutionairen. Uit onvrede met de Nederlandse gevestigde politiek van de jaren dertig sloot hij zich aan bij de NSB in de hoop dat onder Musserts dictatuur een nieuwe 'volksgemeenschap' zou worden gesmeed. Aan de verwezenlijking van dat ideaal wilde Kettmann vooral een culturele bijdrage leveren. Teleurgesteld door de culturele kleingeestigheid van de NSB en van de profiteurs die uit persoonlijk gewin op belangrijke posities binnen Musserts organisatie waren geklommen, keerde hij zich naar de SS. Daar verwachtte hij zijn nationaal-socialistische ideaal in de zuiverste vorm te kunnen beleven, maar dreef hij in werkelijkheid steeds verder af van de gemeenschap waarover hij zo opgaf." Einde recensie.

Wat moet iemand die nog geheel in de ban is van De Jongs oude goed-fout perspectief, als hij over een jarenlange NSB'er en vervolgens zelfs SS'er - fouter fout is in ons land toch niet denkbaar, - leest, dat hij "het integer over zijn motieven heeft", dat hem als ideaal een nieuwe volksgemeenschap voor ogen heeft gestaan waaraan hij een culturele bijdrage heeft willen leveren, dat hij teleurgesteld werd door de culturele kleingeestigheid in de NSB en daarom zijn toevlucht bij de SS zocht, in de verwachting daar een zuiverder uitdrukking van zijn ideaal te vinden? Hoe moet die lezer dit met zijn goed-fout perspectief rijmen? Een volkomen foute collaborateur die integer, een idealist en bovendien ook nog eens geen profiteur geweest zou zijn. Zo iemand is toch een contradictio in terminis?

Nietwaar? Begint men zich ook in Kettmanns geval niet bijna af te vragen of er misschien ook bij hem sprake is geweest van een minder, wie weet wellicht zelfs nìet 'laakbare collaboratie'? (Nb. alweer de kwestie van de samenwerking met de bezetter.)

 

Leven in tweespalt geeft aanleiding tot een merkwaardige constatering. Het geeft "veel meer inzicht in de motieven van de Nederlandse zwarte revolutionairen", met andere woorden: in hun 'waarom'. Wat heeft hen ertoe gebracht voor de NSB, wat heeft hen ertoe gebracht voor de SS te kiezen? Dat is een fundamentele kwestie. In mijn boek schrijf ik naar aanleiding van deze kwestie in het vierde hoofdstuk:

"Ondanks het feit, dat de bezettingstijd "één van de best - zo niet dè best - onderzochte en beschreven periode uit de Nederlandse geschiedenis" is (Blom), is het dus evident dat er op het punt van dit 'waarom' een opvallende lacune bestaat, dat hier het inzicht onbreekt. Dat wordt bevestigd door de uitspraak van Houwink ten Cate en In 't Veld , (ex-)medewerkers van het RIOD en verzorgers van FOUT; Getuigenissen van NSB'ers. Naar aanleiding van de zes in dat boek uitvoerig geïnterviewde oud-NSB'ers constateren zij met betrekking tot de vraag "naar het motief, de bewuste reden om lid te worden van een extreme partij als de NSB":

Wetenschappelijk onderzoek naar deze kwestie is bij gebrek aan bronnen niet gedaan; een betrouwbare achtergrond waartegen de beweringen van onze getuigen geplaatst kunnen worden, ontbreekt.12"

Waarom hebben Houwink ten Cate en In 't Veld er op die plaats niet op gewezen, dat er zich bij het NIOD een aantal 'bruine getuigenissen' van historisch belang bevond? Waarom hebben ze er trouwens geen zorg voor gedragen dat allereerst dìe documenten werden gepubliceerd? Het betekent, dat er weldegelijk de nodige bronnen van voor 1954 aanwezig zijn geweest waarin onderzoek verricht had kunnen worden naar het 'waarom' van deze foute kopstukken. Deze uitspraak van beide bezorgers der getuigenissen wekt de verdenking, dat het NIOD deze 'bruine getuigenissen' moedwillig heeft achtergehouden. Ze zullen intern op het NIOD in verband met bepaalde wetenswaardigheden uiteraard geraadpleegd zijn, maar ik zou wel eens willen weten in welke studies van het NIOD ze dan met naam en toenaam als bron staan vermeld. Het ligt voor de hand, dat er uit deze getuigenissen, voor zover ook deze kopstukken daarin integer over hun motieven hebben geschreven, een beeld van de collaboratie oprijst, waarmee het beeld dat de gangbare goed-fout geschiedschrijving ervan gegeven heeft, even moeilijk in overeenstemming te brengen is als dat beeld van Kettmann daarnet. Waren die stukken immers alleen maar een bevestiging geweest van het bestaande beeld alleen maar bevestigd, dan waren ze uiteraard al tijden geleden door het RIOD gepubliceerd.

Tot in 1953 heeft het RIOD in elk geval met zekerheid belangstelling getoond voor de getuigenissen van de intellectuele collaborateurs. Met de overgang van 1953 naar 1954 is iets merkwaardigs aan de hand, maar dat wordt in het vervolg wel duidelijk.

We mogen aannemen, dat het NIOD dus over verscheidenen getuigenissen van kopstukken van de NSB beschikt. Allemaal even onuitgegeven als de memoires van Kettmann dat tot voor kort waren. Men zag ze klaarblijkelijk liever niet uitgegeven worden. De uitvoerige zelfverdediging die Anton Mussert in de dagen voor zijn executie op schrift heeft gesteld, heeft het RIOD evenmin uitgegeven. Wel gaf het stukken uit die van zijn procesgang deel hebben uitgemaakt. Daar maakt Musserts verweer deel van uit dat hij bij die gelegenheid heeft uitgesproken. Maar dat is slechts een beknopte samenvatting van de hoofdpunten van die eigenlijke apologie. De laatste heeft het RIOD zoveel mogelijk verdonkeremaand. (In mijn manuscript geef ik aan hoe het volgens mij te verklaren is, dat het RIOD de beknopte tekst wèl het licht heeft laten zien.) Aan het feit, dat de Jong als directeur van het RIOD dergelijke getuigenissen niet wenste te publiceren, ligt, naar ik veronderstel hetzelfde motief ten grondslag als aan de kwestie die de Volkrant op 18 februari 2000 in het grote artikel over David Cohen, een van de beide voorzitters van de Joodsche Raad uit de oorlogstijd, ter sprake bracht: "Wel dicteerde hij, op aandringen van L. de Jong, in 1956 zijn memoires, maar die werden niet gepubliceerd, evenmin als de honderd pagina's tellende verdedigingsrede uit 1946 en het voorwoord van de nimmer geschreven 'Geschiedenis der Joden in Nederland tijdens de bezetting'." (Frank van Vree. "De tragedie van een 'sjolem macher'/nieuwe studie poogt recht te doen aan David Cohen").

Van de belangstelling die voor 1954 nog bij het RIOD bestond voor de motieven van de voormalige collaborateurs getuigt ook de briefwisseling die L.F. de Jong, een medewerker van het RIOD (telefonisch verzekerde men mij enige jaren geleden van die zijde dat dit een ander was dan de bekende L. de Jong) in 1947 met Henri Bruning heeft gevoerd. Gezien de rol die laatstgenoemde volgens deze de Jong gespeeld zou hebben "in eenige partijtjes en groepen, die men wel kan beschouwen als voorlopers van de fascistische en nat.soc. gedachte", luidde diens verzoek in zijn brief van 15 april 1947 aan Bruning, die toen nog in het kamp Sluis te Weert zijn straf uitzat: "Nu is mijn vraag, of U bereid bent ten behoeve van mijn onderzoek een rapport hierover samen te stellen, daar ik hierover zeer onvolledig ingelicht ben. Het ontstaan, de doelstellingen enz. Kunt U mij hierover inlichten?" Aan dit verzoek lag de volgende gedachte ten grondslag: "U begrijpt, dat wij een zo volledig mogelijke documentatie willen aanleggen over dit onderwerp." Wanneer deze de Jong overeenkomstig zijn afspraak heeft gehandeld, heeft hij Bruning, inmiddels vrij, ten behoeve van een gesprek "over de voorgeschiedenis van het Facisme en Nationaal-Socialisme in Nederland" zelfs een bezoek gebracht op het adres Prins Bernhardstraat 5 te Nijmegen. Maar uiteindelijk luidde zijn laatste briefje van 14 november 1947: "In antwoord op Uw schrijven van 10 October 1947 deel ik U mede, dat ik afzie van het samenstellen door U van een rapport betreffende het Verdinaso-Nederland." Bruning had een bezoek aan België genoemd als een noodzakelijk vereiste voor zijn onderzoek.

Uit deze verzoeken aan de kopstukken van de NSB blijkt dat minstens tot 1954 bij het RIOD de opzet bestond tot een onbevooroordeelde bestudering van het oorlogsverleden en de motieven, het 'waarom', van de voormalige collaborateurs. Dat 'waarom', waarover Johanna Scheffel, wier vader in 1942 vanwege bedoeld 'waarom' lid werd van de NSB, in de eerste regel van haar ontboezeming in een door Henk van Renssen ondertekend artikeltje in de Volkskrant van 19 februari 2000 de kenmerkende woorden schreef: "Je komt er niet achter waarom". En waarom is zij nog steeds niet achter dat 'waarom' gekomen? Omdat het RIOD systematisch geweigerd heeft al deze 'waaroms' voor het publiek toegankelijk te maken. Op 24 januari 1992 antwoordde L. de Jong mij op een brief waarin ik me met twee verzoeken tot hem gericht had. Op mijn ene verzoek, nl. of hij er het zijne toe zou willen bijdragen, dat de verdediging die mijn vader voor het tribunaal had uitgesproken, wegens het wetenschappelijke belang dat eraan gehecht zou kunnen worden, gepubliceerd zou worden, is hij in zijn brief met geen woord ingegaan. Dat was uiteraard het laatste dat in zijn kraam te pas kwam.

Wat is van dit alles het gevolg geweest voor iemand als Johanna Scheffel? "Ik zag mijn vader als helemaal fout. Want dan lag ik lekker op één lijn met heel Nederland". Met een, naar ik veronderstel, enorme geestelijke krachtsinspanning heeft zij zich onder dat loodzware deksel van 'heel Nederland' uit weten te werken, om tot het inzicht te komen: "Maar zo werkt het niet. Je kunt de foute daad haten tot in het diepst van je ziel, maar de persoon die de fout heeft gemaakt, heeft ook andere dingen in zich. En die kun je niet veroordelen, dat is heel slordig gedacht". Die krachtsinspanning heeft haar ook het inzicht opgeleverd: "Dan zie je dat die verdrukking door de maatschappij zó effectief is geweest." Het tragische van deze vrouw is volgens mij, dat de verdrukking door de maatschappij, de verblinding die het goed-fout paradigma teweeg heeft gebracht, maar liefst zó effectief is geweest, dat zij die daad van haar vader, ook na deze 'zelfbevrijding', nog steeds, nog altijd, beschouwt als iets, dat "tot in het diepst van je ziel" te haten is. Terwijl er in de grond wellicht precies hetzelfde van te zeggen is als ik in HN tegen Michiel van Diggelen betreffende de collaboratie van mijn vader zei: "ik vraag me af of er reden was geweest mijn vader te veroordelen als ze naar zijn motieven hadden gekeken. Ik zou niet weten op grond waarvan je die man had moeten veroordelen" en me dienaangaande zelfs afvroeg: "is die weloverwogen keuze ervoor (voor het 'collaboreren' RB) - inclusief het voor zijn rekening nemen van alle consequenties - dan niet even positief te waarderen als de keuze voor het falikant afwijzen, dus voor het verzet?" Beweringen, die tot op heden bij mijn weten onweersproken zijn gebleven.

1954 

(Terug naar: Inleiding)

De kwestie van dat 'waarom' is het punt, dat ik in het boek over mijn vader van het begin af centraal heb gesteld: daar draait heel het boek om. Met Brunings uiteenzetting van zijn 'waarom' meende ik op de vraag waarover volgens Houwink ten Cate en In 't Veld nog zo bitter weinig bekend zou zijn, in ieder geval één gedegen antwoord van een vooraanstaand denker van de NSB te hebben gegeven. Maar nu ben ik hierin inmiddels door Huberts en Ferron gepasseerd: mijn 'manuscript' verliest op dat punt daardoor wellicht heel wat van zijn uniciteit. Maar des te meer kan nu een ander aspect ervan aan betekenis winnen en de belangstelling ervoor stimuleren. In het geval van mijn vader heb ik namelijk ook antwoord proberen te geven op de vraag, hoe het te verklaren is, dat zijn antwoord op de vraag naar zijn 'waarom' zo volkomen in vergetelheid is kunnen raken. En daarmee is mijn boek geen 'voorzichtig morrelen aan een aantal vooroordelen' geworden, omdat ik namelijk denk, dat ik daarbij hèt fundamentele vooroordeel dat aan al die vooroordelen ten grondslag ligt, namelijk het goed-fout paradigma, èn de genesis daarvan, op het spoor ben gekomen, een ontdekking die in mijn boek stapsgewijze wordt benaderd en uitgewerkt, waarbij vanzelf blijkt, dat het een vooroordeel, en inderdaad een fundamenteel vooroordeel betreft.

Daarbij speelt het jaar 1954 een cruciale rol. Maar welke gebeurtenis zou er zich nu in 1954, na een oorlog met nationaal-socialistische overrompeling van vreedzame staten en iets zo onvoorstelbaar onmenselijks als de holocaust, een oorlog die daarmee toch aanleiding moet hebben gegeven tot het onmiddellijk invoeren van het immers historisch-wetenschappelijk en ethisch schijnbaar zo volkomen verantwoorde gebruik van het goed-fout perspectief, in hemelsnaam aanleiding hebben kunnen geven tot het - toen pas? - ontstaan van iets als een goed-fout paradigma?

Dat is het gevolg geweest van de rede, nadien gepubliceerd onder de titel De Onverzoenlijken , die Victor van Vriesland op zaterdag 16 januari 1954 heeft uitgesproken in het Stedelijk Museum te Amsterdam, dit ter gelegenheid van de uitreiking van twee jaarlijkse prijzen door de Stichting Kunstenaarsverzet. Met excerpten van deze rede begint het tweede hoofdstuk van mijn boek. Om er enig idee van te geven volgen hier een paar gedeelten van mijn tekst, waarin tussen aanhalingstekens citaten uit de rede, met toevoeging van het bijbehorende paginanummer uit de publicatie.

Van Vriesland laat ons ons om te beginnen realiseren dat "hier wellicht voor het eerst in die mate in de wereldgeschiedenis de stelselmatige uitroeiïng van geheel een volk ondernomen [is], iets waarvoor het begrip "genecide" is gebruikt" 8.

"Na den oorlog is een zuivering ondernomen om de samenleving van verdere activiteit van de aansprakelijken voor, en medeplichtigen aan deze moorden te verschonen". 9 Met succes? Nee: "De vergelding is mislukt evenals de zuivering". 35

Het verdwijnen van deze kracht [te weten: de geest van het verzet, R.Br.] onder het gros van de Nederlandse bevolking baart met name zulke zorgen, omdat het niet slechts gaat om "wat heeft plaats gevonden", om een ramp die weliswaar de grootste uit de geschiedenis is geweest, maar die dan toch in zijn totale mógelijke omvang gelukkig aan ons voorbij is gegaan, doch omdat het gevaar van die ramp in die totale omvang nog steeds als een acute bedreiging aanwezig is. Reeds de intimidatie die tot de zogenaamde vergevingsgezindheid inspireerde, was, zoals gezien, het werk "van dezelfde krachten van vroeger". Onverminderd is daarmee nog aanwezig "het helse en wereldvernietigende kwaad van de onverdraagzaamheid ( ), het kwaad van de geestelijke vijfde colonne, van de rassendiscriminatie, van de genecide en van het militairisme" 22, en wel in de gedaante van de voormalige "landverraders, collaborateurs en andere politieke delinquenten" 33: "de gewezen en potentieel toekomstige beulen" 11. Dat zijn de lieden die terug dreigen te keren op culturele sleutelposities, "waar zij hun cellenbouw en ander ondermijnend werk kunnen voortzetten" 33/34, en op de topposities "die hun de macht geven, morgen in dezelfde mate de recidieve, die op hoge uitzonderingen na reeds in hun hart leeft, tot werkelijkheid te maken". 34

"Door deze zogenaamde barmhartigheid voor de boosdoeners worden massaal onze kinderen en misschien wijzelf tot nieuwe slachtoffers voorbestemd". 35 Met enig voorstellingsvermogen is te constateren "hoe men aldus een nieuwe en dan nog omvangrijker wereldramp mogelijk maakt, ja, helpt voorbereiden". 20

De voormalige collaborateurs worden hier zonder enig bewijs, als een geheel evidente, aan geen twijfel onderhevige feitelijkheid, kortom a priori, aan de kaak gesteld als de aansprakelijken voor en medeplichtigen aan een voor het eerst in de geschiedenis voltrokken, dus unieke, stelselmatige uitmoording van een heel volk, van "tussen de 4 en 6 millioen" joodse levens, en vervolgens als de toekomstige beulen die, op een toevallige uitzondering na, als hen daar ook maar even de kans toe geboden zal worden, deze misdaad ogenblikkelijk, zelfs met nog gruwelijker gevolgen, tot en met de laatste jood, zullen voleindigen. In dat opzicht zal hun misdaad hun vorige zo mogelijk overtreffen en dan wederom volstrekt uniek zijn. De collaborateurs vertegenwoordigen in de visie van Van Vriesland aldus onmensen van een onbeschrijflijke, niet te evenaren slechtheid; zij zijn eenvoudig de verpersoonlijking van het absolute kwaad.

Deze tekst ben ik op het spoor gekomen doordat ik me met het geval van mijn vader bezighield. Die is namelijk persoonlijk betrokken geraakt bij de gevolgen van deze rede en wel tengevolge van de maatregelen die Van Vriesland bij die gelegenheid adviseerde ter afwending van dit formidabele, angstwekkende en zo reëel dreigende gevaar. Om er even een idee van te geven, hoe het hem sedert zijn internering was vergaan, het volgende. Onder pseudoniem schreef hij gedurende de periode van zijn schrijfverbod (tot mei 1951) enige artikelen in een Belgisch blad; na afloop van het schrijfverbod werden zijn beide gepubliceerde dichtbundels goed ontvangen en verkocht; zijn studie over Gezelle dreigde een succes te worden. Hij kon gaan publiceren in het tijdschrift Maatstaf van Bert Bakker en voordien was hij, nog tijdens zijn schrijfverbod, al door J.B. Charles uitgenodigd in diens tijdschrift te komen schrijven.

Welke waren nu de door Van Vriesland nodig geachte maatregelen? Toch zeker op zijn minst het preventief levenslang in hechtenis nemen van deze levensgevaarlijke bende?

"De "Onverzoenlijken" ( ) zien in, dat het onvermijdelijk en nodig is, deze landverraders, collaborateurs en andere politieke delinquenten, die hun straf hebben uitgediend en zelfs als zij geen berouw hebben, tot op zekere hoogte weer in te schakelen in het productieproces en de samenleving. Maar niet op plaatsen, waar zij opnieuw onberekenbare schade kunnen aanrichten".33 "En de "Onverzoenlijken", vooral de kunstenaars onder hen, zich verantwoordelijk voelend jegens de gemeenschap, verzetten er zich met kracht tegen dat de genoemde groepen weer infiltreren op die plaatsen in het openbare geestesleven, waar zij als publicist of op andere wijze kunnen bijdragen tot de opinie-vorming van ons volk, of tot de opvoeding en het onderwijs van onze jeugd" 34; "juist uit ethische overwegingen en om de eisen van de rechtvaardigheid willen de "Onverzoenlijken" verdere geestelijke infectie voorkomen van datgene, wat in de mentaliteit en de structuur van het volk nog gezond is gebleven." "Het maximum van wat men kan doen, is dezen lieden een bestaansmogelijkheid te verschaffen" 36. "Laat de misdadigers, nu zij na een geringen straftijd en meestal een geringe strafmaat kwijtschelding gekregen hebben, in de maatschappij terugkeren. Maar zij moeten in het oog gehouden worden. Om herhaling te voorkomen moet men hen niet aan den familiedis nodigen, maar men moet zijn kinderen zuivere lucht laten inademen". 35/36

"De door mij bedoelde "Onverzoenlijken" zijn alleen "onverzoenlijk" ten opzichte van de verstokten. En die zijn, vergeleken met hen, die berouw hebben, in de overgrote meerderheid". 32/33

 

Wat direct opvalt: de geadviseerde maatregelen staan in geen verhouding tot het gevaar waartegen de lezer zou denken, dat ze bescherming dienen te bieden. Het is als het opzetten van een paraplu tegen een op handen zijnde aardbeving. Slechts publicisten en onderwijsgevenden moet het werk onmogelijk gemaakt worden. Zo raakte mijn vader erbij betrokken.

Waarschijnlijk als eerste van de foute schrijvers heeft hij zich meteen aan de gevolgen van dit alleronterendste, vernietigende, fatale vonnis van Van Vriesland trachten te ontworstelen, maar noch Charles, noch Bakker, beiden bekend door hun verzetsverleden, hebben het uiteindelijk voor hem tegen Van Vriesland durven opnemen. Na zich om te beginnen even voor hem te hebben ingezet, hebben zij hem vervolgens aan zijn lot overgelaten. Dat is voor mij overigens het bewijs, dat sedertdien aan de goed-fout tegenstelling deze, van alle consideratie verstoken zienswijze betreffende 'de medeplichtigen aan en de aansprakelijken voor' de moord op de joden ten grondslag ligt: omdat zelfs deze vooraanstaande intellectuelen, voor wie de beweringen van Van Vriesland in feite onzin, leugens en een in Nederland waarschijnlijk toch nog niet voorgekomen laster waren, deze rede onweersproken hebben gelaten. Die rede heeft mijn vaders lot als schrijver bezegeld. Hij is gestorven als een onbekende.

 

Mijn hypothese is, dat de visie van Victor van Vriesland na 1954 onze geschiedschrijving van de oorlog via het RIOD heeft bepaald. Over collaborateurs kon sedertdien niets goeds meer gezegd worden, hun motieven konden iedereen verder gestolen worden. Die raakten in de vergetelheid. Goed - fout was een absolute tegenstelling geworden. Jan Blokker's "bereidheid tot samenwerking met een puur crimineel regime" werd voortaan op zijn negatiefst, à la Victor van Vriesland, als: 'het overnemen van de bedoelingen van de bezetter' geïnterpreteerd, waarbij die 'bedoelingen' de meest sinistere, door iedereen onmiddelijk begrepen inhoud vertegenwoordigden. Begrippen als 'fout', 'aanpassing', 'samenwerking'- of het nu de ambtenaren, de Nederlandse Unie, of de Joodse Raad betrof - waren, met deze betekenisinhoud geladen, voortaan identiek aan en daardoor even peilloos weerzinwekkend als het begrip 'collaboratie' dat op NSB'ers en SS'ers van toepassing was. Het goed-fout paradigma was over de Nederlanden nedergedaald. En duisternis over de geest van de Nederlanders. Een geschiedvervalsing in optima forma had een aanvang genomen. Om de aldus ontstane situatie eens te beschrijven met behulp van door Henri Bruning in een andere context gebezigde woorden (zie onder III tekst 5 Ultramontaans):

'Dat De Jongs excessieve verguizing van de collaborateurs na Van Vrieslands voorbereidende activiteit niet verbazingwekkend is, is vanzelfsprekend; even vanzelfsprekend als de argeloze overtuiging van de gemiddelde Nederlander dat het bij voorbaat als uitgesloten moet worden beschouwd dat een dergelijke furieuze woede niét zijn oorsprong zou vinden in de historische werkelijkheid waarvan De Jongs geschiedwerk het objectief en gedocumenteerd verslag heet te zijn.'

En werd na vele jaren de betekenis van begrippen als 'fout', 'aanpassing', 'samenwerking' en dergelijke door erosie bedreigd, dan liet "het nationaal geweten" 2, met volledige instemming van de betreffende journaliste, zich de gelegenheid om de puntjes weer even op de i te zetten niet ontnemen: kon Peter van Ingen in 1989 Lou de Jong, als eerste Zomergast, volgens Anneke Visser geen verrassende uitspraken ontlokken, dan toch wel in ieder geval een in mijn context zeer karakteristieke: "Opnieuw nam De Jong, en terecht, de gelegenheid te baat om de terminologie van sommige historici als zij het over Nederland in de Tweede Wereldoorlog hebben, aan te vallen. Waar sommige van zijn vakgenoten spreken van aanpassing stelt De Jong voor dat collaboratie te noemen: 'Ik vind dat je de zaken concreet moet stellen. Hier past geen verhullend spraakgebruik.'"3 Wat er dan, zeer ongepast, verhuld dreigde te gaan worden en wat er dus concreet gesteld moest worden: de betekenisinhoud à la Van Vriesland. Die maakt alle nuancering onmogelijk.

 

Op de eerste dag van het nieuwe millennium heeft H. Von der Dunk met volle overtuiging verklaard onverminderd achter het goed-fout perspectief van De Jongs geschiedschrijving te staan. Tijdens "Het debat van de eeuw" in VPRO's O.V.T. had gespreksleider Jos Palm hem namelijk de vraag gesteld: "Vanuit welk perspectief, mijnheer Von der Dunk,(...) heeft Lou de Jong zijn boek dan wel gecomponeerd en geschreven (....)?"

Bij die gelegenheid heeft Palm mij een groot plezier gedaan door eerst Nanda van der Zee in wezen dezelfde vraag, maar dan in de volgende - negatief gestelde - vorm voor te leggen: "U vindt eigenlijk dat hij [L. de Jong] geheel ten onrechte in dat goed-fout paradigma terecht is gekomen?" Want volgens mij heeft hij daarmee het begrip 'goed-fout paradigma' overgenomen dat ik bij mijn weten in de NRC van 8 september 1990 in mijn derde tegen Venema gerichte artikel "Venema, vrij voor de keeper, schiet huizenhoog over" in zwang heb gebracht. Wat mijn vreugde verhoogde, was dat Palm door die term te gebruiken impliciet en misschien zelfs onbewust bovendien te kennen gaf met de mogelijkheid rekening te houden, dat er met het 'goed-fout perspectief' en 'de ban van goed en fout' inderdaad wel eens sprake van een paradigma zou kunnen zijn. En heb ik er niet het mijne aan bijgedragen, dat De Jong "in dat goed-fout paradigma terecht is gekomen"? Wordt dat niet bewezen door de in III teksten 1997-1999 bijeen geplaatste stukken van mijn hand?

Heeft Palm beseft, dat 'paradigma', in deze context gebruikt, een conditionering van het bewustzijn behelst, die een fundamentele vertekening van onze kijk op de werkelijkheid, in dit geval op de historische werkelijkheid, teweegbrengt? En dat na de ontdekking van een dergelijk paradigma een voor de hand liggend eerste vereiste is, ons zo snel mogelijk van dat paradigma te bevrijden om weer een onbevooroordeelde kijk op dat verleden mogelijk te maken? In genoemd NRC-artikel had ik het in samenhang met dat begrip dan ook over "een copernicaanse omwenteling" die voltrokken diende te worden, met als consequentie, eufemistisch uitgedrukt: "Een stukje oorlogsverleden zou dan kunnen worden herschreven." (In de onder III te raadplegen tekst 8 is aan het eind in noot 11 omschreven wat onder de term paradigma verstaan dient te worden.)

Tot de conclusie van die te voltrekken omwenteling was ik in mijn NRC-artikelen van resp. 15 februari 1989, 18 januari 1990 en 8 september 1990 gekomen op grond van het feit, dat ik daarin de, door Van Vriesland onder het goed-fout paradigma gelegde basis had uitgeslagen. In het tweede had ik namelijk die basis weergegeven in de formulering van Bas Roodnat, namelijk dat de tien meest foute schrijvers van Nederland te zien zijn als "de harde kern van schrijvers en dichters die zich voegden in de nazi-ideologie. Dat wil zeggen dat zij uit overtuiging vervielen tot criminele onbarmhartigheid in geschrijf waarin de waarden van een Nieuwe Orde werden verheerlijkt inclusief de daarbij behorende vernietiging van de joden". Het aanhangen van de nazi-ideologie zou dus identiek zijn aan het uit zijn op de vernietiging van de joden. Dit is in andere bewoordingen dezelfde bewering als door Van Vriesland aan het goed-fout paradigma ten grondslag is gelegd. De onhoudbaarheid van die bewering had ik in dat artikel aangetoond door te laten zien hoe Henri Bruning, een van de tien, reeds aan het begin van de oorlog, toen een holocaust in zijn onvoorstelbaarheid nog voorbij de horizon lag, er door middel van de NSB op uit is geweest de joden het leed te besparen dat de joden in Duitsland op dat moment reeds te verduren hadden. Al had hij ontegenzeggelijk iets op (bepaalde) joden tegen, dat hij hen meteen bij het begin van de Duitse bezetting al voor dàt leed heeft willen behoeden, bewijst dat hij er al helemaal op tegen geweest zal zijn, dat de joden zwaarder leed te verduren zouden krijgen. De "vernietiging van de joden" moet dan al helemaal iets geweest zijn dat hij toen niet alleen niet voor mogelijk gehouden heeft, maar wat als mogelijkheid eenvoudig niet in zijn hoofd is opgekomen en wel al helemaal absoluut niet als iets dat hìj de joden zelfs maar zou toewensen, nog niet één van hen. Bovendien citeerde ik uit een tekst, waarin Bruning in het begin van de bezetting, ongetwijfeld als tegenwicht tegen de anti-joodse mentaliteit en maatregelen van de bezetter, een paar bladzijden lang indringend de grootheid en tragiek van het joodse volk belichtte, een tekst die niet gepubliceerd is, doordat de verschijning van het door Musserts uitgeverij reeds gezette boek waarvan deze tekst deel uitmaakte, door de Duitse censuur werd voorkomen. (Dit mede ter attentie van Jos Joosten in verband met zijn waarschuwing voor mijn boek die hij mede baseerde op de titel ervan: Henri Bruning / over grootheid en tragiek.) Aangezien hiermee was aangetoond, dat het a priori van het goed-fout paradigma in het geval van Bruning dus niet opging, had het ipso facto zijn algemene geldigheid verloren. Voor de goede verstaander deed dit vanzelf de vraag deed rijzen, voor wie dit wellicht nog meer heeft gegolden. Voor Ernest Michel en Ernst Voorhoeve bijvoorbeeld, Brunings vrienden, die kort na het begin van de bezetting met hem uit het Verdinaso naar de NSB waren overgegaan? Voor Mussert bijvoorbeeld, die het boek, toch zeker niet zonder van een zo gevoelige inhoud op de hoogte te zijn, op zijn persen heeft laten drukken? Daarmee was het goed-fout paradigma in de kern weerlegd met als logische consequentie in het derde NRC-artikel: "Een stukje oorlogsverleden zou dan kunnen worden herschreven."

Dat ik raak had geschoten, werd volgens mij bewezen door het feit dat er binnen vier maanden, op 2 mei 1990, in De Groene een artikel van Robbert Bodegraven verscheen, "De collaboratie van Henri Bruning; Het literaire geweten van de NSB", waarin maar liefst beweerd werd: "Weer gaan er stemmen op die Bruning willen zien als een idealist die het beste met het Nederlandse volk en zijn literatuur voor had", met als nadere bijzonderheid: "Oppergeschiedschrijver van Nederland in oorlogstijd, L. de Jong, is een van degenen die deze mening verkondigt." Hierbij dient men te beseffen, dat De Groene het weekblad was, dat in 1954 uit volle kracht aan de verguizing van Bruning door Van Vriesland heeft meegedaan, zonder zich van de contra-argumentatie in een artikel van J.B. Charles ook maar iets aan te trekken. Ik heb de publicatie van het artikel van Bodegraven toen opgevat als een gebaar van Martin van Amerongen waarmee hij zijn spijt heeft willen betuigen voor hetgeen De Groene indertijd Henri Bruning op die toch wel meest oneervolle wijze heeft aangedaan. Maar een zwaluw maakt nog geen lente. Toen ik, gezien de inhoud van mijn derde artikel van 8 september 1990 geen genoegen bleek te nemen met dit eerherstel, maar integendeel op grond van het teloor gaan van het goed-fout paradigma de herschrijving van 'een stukje geschiedenis' als logische gevolgtrekking en vereiste aan de orde stelde, heeft Van Amerongen, naar ik veronderstel, gevoeld dat hij zich met zijn stap op een hellend vlak had begeven, en zijn voet toen maar schielijk teruggetrokken. Want sedertdien identificeerde hij, geheel conform het goed-fout paradigma, zonder enig probleem dergelijke vaders weer met 'de daders', expliciet met inbegrip van Henri Bruning. Vandaar dat ik nu, tien jaar na die aanval op het goed-fout paradigma, nog steeds reden heb, in dit geval tenslotte dan maar met een heel boek, dat paradigma te lijf te gaan. Want de moed ben ik nog niet kwijtgeraakt, al was het een nieuwe tegenvaller, dat het effect van het interview van Michiel van Diggelen uit 1997 weer nihil is geweest.

Toch hadden mijn beweringen niets aan duidelijkheid overgelaten. Op Van Diggelens constatering betreffende Venema, weer een andere formulering van het fundament van het goed-fout paradigma : "Hij suggereerde dat uw vaders antisemitisme instemming met de holocaust betekend zou hebben", luidde mijn antwoord immers: "Van de citaten die Venema daarbij toentertijd in de NRC als bewijs voor zijn standpunt aanvoerde, heb ik aangetoond dat ze door hem gemanipuleerd zijn, maar bovendien dat ze precies het tegendeel bewijzen, namelijk de bedoeling de joden zoveel mogelijk leed te besparen." Daarbij had ik bovendien de volgende toelichting verstrekt: "Stel dat de NSB de macht in handen had gekregen, dan had je de kans gehad dat die regering de zeggenschap zou hebben behouden over het lot van de joden. Dat heeft mijn vader uitdrukkelijk voor ogen gestaan. Het tegendeel dus van 'enthousiaste medewerking' en van 'zich laten inschakelen'." En mijn conclusie was, dat een insinuatie als zijn 'instemming met de holocaust' dientengevolge de meest infaam mogelijke verdachtmaking was: "Als je in aanmerking neemt wat hij dus met het oog op de joden bewust heeft nagestreefd, is het spreken over 'medeverantwoordelijkheid' eigenlijk een ernstige valse beschuldiging." Als iets voor mij reden is tot het innemen van een standpunt, dat van Diggelen omschreef als: "Naar zijn overtuiging gaat Blom echter lang niet ver genoeg in de wetenschappelijke consequenties van zijn opvattingen" - wat een andere omschrijving is van mijn stelling "Een stukje oorlogsverleden zou dan kunnen worden herschreven" - dan zijn dat natuurlijk deze laatste drie beweringen uit dat interview geweest.

Het feit dat geen De Jong, geen RIOD, dat niemand zich geroepen heeft gevoeld mij, zoon van een collaborateur die zijn vader uiteraard aan het goedpraten was met op geen enkele manier te verantwoorden uitspraken, met een overdaad aan bewijsmateriaal van de tafel te vegen, maar zij dit interview integendeel, precies als indertijd de artikelen tegen Venema, onder het handhaven van een doodse stilte, maar hebben laten passeren, was voor mij het bewijs dat ze niets tegen me in te brengen hadden en me in feite gelijk gaven.

In HN van 7 juni 1997 werd op p. 38 in een ingezonden brief in verband met mij slechts de hoop uitgesproken, "dat u niet voortgaat met uw onnutte bespiegelingen". Op de bladzijde ernaast werden uitspraken van Nanda van der Zee uit De Groene aangehaald: "Het beetje verzet dat er in Nederland was, kwam van de kleine luyden die met gevaar voor eigen leven mensenreddend werk hebben gedaan. Mijn centrale stelling is dat niet het Nederlandse volk als geheel, maar de Nederlandse elites medeschuldig zijn". Ofschoon ze er dus even over gedacht heeft het op heel het Nederlandse volk van toepassing te verklaren, komt in haar vernieuwde goed-fout perspectief behalve het deel van het volk dat uit de collaborateurs bestond, toch ook nog een belangrijk ander deel van ons volk voor de etikettering met de aanduiding 'fout', het woord der verdoeming, in aanmerking. Ik heb haar blijkbaar niet op het spoor kunnen zetten van een stukje Nederlandse elite dat wel aan haar verwachtingen heeft voldaan.

Maar Jos Joosten heeft op dit punt wel een heel stout stukje uitgehaald. Hij heeft het interview in handen gehad, moet zich dus van mijn hierboven aangehaalde uitspraken, beweringen en hun consequenties rekenschap gegeven hebben, maar heeft in zijn column "Fout" zijn lezers niet ook maar de vaagste notie gegeven van mijn beweringen, zodat hij vervolgens met een minimum aan inspanning mijn vader met Goebbels en Goering op een hoop kon laten belanden. Daarmee versterkte hij zijn lezers in hun idee, dat die Bruning uiteraard van harte met de holocaust moet hebben ingestemd. Hoe had je van zo'n collaborateur ook anders kunnen verwachten? Zo droeg het interview er door Joosten slechts toe bij, dat in hun geest het goed-fout paradigma, deze conditionering waarvan men zich niet bewust is, zonder dat zij daarin erg hadden, alleen maar hechter in hun brein verankerd raakte.

 

Maar goed, om terug te keren naar Von der Dunk en Palm. Von der Dunk gaf Palm op diens vraag het volgende antwoord: "Ik geloof dat het hele werk van De Jong heel evident natuurlijk staat in het perspectief van de tijdgenoten van de oorlog, die de Duitse overval, überhaupt het nationaal-socialisme natuurlijk, als een infernale, daar zijn we het nog steeds wat die grondwaarden betreft natuurlijk over eens, als een infernale zaak zagen, een overval, een brute overval, dat is natuurlijk een aan die hele voorstelling ten grondslag liggend zwart-wit beeld. Dat is evident. (...)

Uitgaande van de gedachte 'dit moet zo objectief mogelijk' - want hij streeft ongetwijfeld naar verregaande objectiviteit - 'moet dit allemaal geboekstaafd worden', maar natuurlijk vanuit de vanzelfsprekende - de confrontatie tusen goed en kwaad. En dan is hij bezig, streeft hij, naar een zo objectief en redelijk mogelijke voorstelling van zaken, in zekere zin als een rechter, die de aangeklaagde natuurlijk ook recht wil doen. Vandaar dat hij ook alle mensen die hij beschrijft vaak, op een betrekkeljke.., soms op een vrij genuan(ceerde), zelfs mens... zelfs Duitsers die erin voorkomen.., hij probeert ze ook psychologisch een beetje te schetsen, hij probeert het zo eerlijk mogelijk te doen. Maar die zwart-wit tegenstelling is natuurlijk de vanzelfsprekende achtergrond."

Volgens Von der Dunk is het perspectief van De Jong en dat van de Nederlander op het oorlogsgebeuren dus steeds hetzelfde geweest als "het perspectief van de tijdgenoten". In laatstgenoemd perspectief werd het nationaal-socialisme dus gezien als een infernale zaak, dat zich schuldig heeft gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid, in de eerste plaats ontegenzeggelijk aan de massamoord op de joden, en werd de geallieerde strijd dientengevolge gezien als een strijd tegen die infernale zaak en voor de "grondwaarden". Al weer een paar decennia geleden formuleerde Von der Dunk dit standpunt als volgt: "De basis-consensus ten aanzien van "goed" en "fout" is sedert 1945 onveranderd gebleven omdat deze basis-consensus tevens het geestelijk fundament vormt van de hedendaagse democratie in Nederland en in heel het Westen. Als hij zou verdwijnen zou dat impliceren dat de fundamenten van die democratische samenleving zijn aangevreten.4"

Als dat het geval is geweest, dan moet de Nederlander vanaf het moment, waarop met het eind van de oorlog zich het besef van de holocaust van hem meester heeft gemaakt, met het lot van de joden steeds even intensief begaan zijn geweest als hij zich bijvoorbeeld in 1967 tijdens de Zesdaagse oorlog betoonde.

Alleen al op grond van de twee volgende feiten kan dat onmogelijk het geval zijn geweest. Als in 1945 het lot van de joden de gemiddelde Nederlander zo ter harte is gegaan als in deze visie van Von der Dunk verondersteld zou moeten worden, hoe is het dan te verklaren, dat de joden, terugkerend uit de vernietigingskampen, hier in Nederland een dusdanig kille en afstandelijke ontvangst ten deel viel, dat premier Kok daarvoor, meer dan vijftig jaar na dato, van de kant van de regering zeer onlangs alsnog spijt heeft moeten betuigen?

En als sedert 1945 in het bewustzijn van de Nederlander zulk een mededogen met deze joden bestaan zou hebben, benevens een dergelijke visie op de waarden waarvoor tussen '40 en '45 strijd was geleverd, hoe heeft Van Vriesland in zijn rede uit het begin van 1954, De Onverzoenlijken, de toenmalige mentaliteit van de Nederlander dan aan de kaak kunnen stellen met de enigszins ontstellende woorden: "Terwijl de massagraven hun buit nog nauwlijks verteerd hebben, is het de algemene mentaliteit dat alles vergeven en vergeten moet zijn; het is ook inderdaad in toenemende mate een feit, dat alles vergeven en vergeten - het een is trouwens niet mogelijk zonder het ander - ìs" (11) en die mentaliteit bovendien kunnen omschrijven als de mentaliteit die "de nog kort geleden tegen den mens begane misdaden, tegelijk met het verzet daartegen en het toegebrachte leed, zo spoedig mogelijk wil vergeten en wil wegdoen uit de voorstellingen van het bewustzijn" ? (19) De instelling van de Nederlander met betrekking tot de "grondwaarden" schatte hij allerminst zo positief in als in het perspectief van De Jong/Von der Dunk verwacht had kunnen worden: "De ontoereikendheid van de zuivering moge diep betreurenswaardig zijn geweest, erger is de afbrokkeling en het teloor gaan van den geest, waaruit het verzet was voortgekomen en die zich verantwoordelijk had gevoeld voor de bescherming van de beste vaderlandse vrijheidstradities van gedachte, kunst, wetenschap en cultuur, van de menselijke persoonlijkheid" (10). Integendeel, met betrekking tot de idealen van het verzet en zelfs tot het verzet zelf, was hij genoodzaakt vast te stellen: "Men is door de ontwikkeling van de samenleving na den oorlog en door de tegenwoordige maatschappij niet alleen teleurgesteld in de idealen van het verzet, die in oorlogstijd door een zeer veel groter deel van het volk mede werden gedragen, - men is het verzet ook gaan haten. Behoudens in uitzonderingsgevallen, waar een eminent kunstenaarschap den weerzin overwint, wil het publiek geen litteratuur en geen toneel meer over den oorlog en den oorlogsmisère".(13) (Dit laatste geeft een idee van de nu onvoorstelbare stand van zaken vóór Presser en De Jong op het toneel verschenen.)

Het is onwaarschijnlijk, dat Van Vriesland in een publieke rede een dergelijk beschamende aanklacht tegen de mentaliteit van de Nederlanders heeft kunnen indienen zonder onmiddellijk van repliek te zijn gediend, wanneer die aanklacht in flagrante tegenspraak zou zijn geweest met de bestaande werkelijkheid. Dan is dit, na de verschillende hints in het voorgaande, wel een overduidelijke aanwijzing voor het feit, dat de periode van 1945 tot minstens 1954 toch heel anders van aard is geweest dan wij achteraf als zo vanzelfsprekend veronderstellen. Strekt het goed-fout paradigma zijn geschiedvervalsende tentakels wellicht zelfs uit tot over de periode nà de tweede wereldoorlog? Dient de suggestie, dat er van 1945 tot heden sprake zou zijn geweest van een ongebroken continuïteit, er wellicht toe, het moment te verdonkeremanen, waarop het goed-fout paradigma in feite zijn kop begon op op te steken? Is dit misschien ook de verklaring voor de beide bevreemdende verschijnselen, waarop ik in een voor NRC Handelsblad bestemde ingezonden brief "uniek" van 12 maart j.l. de aandacht vestigde?

"uniek

In zijn beschouwing "Oprecht of opportuun" (NRC Handelsblad 4 maart) stelt B. Bommeljé, "dat de jodenvervolging in Nederland weliswaar nooit is verzwegen, maar dat de joodse gemeenschap pas in de jaren zeventig zelf daarover het woord nam." Verder schrijft hij over "het nu misschien moeilijk voor te stellen feit dat de holocaust aanvankelijk wereldwijd nauwelijks gezien werd als een aparte, unieke misdaad die wezenlijk anders was dan de uitroeiing door de nazi's van de miljoenen niet-joden". Dit illustreert hij met de vermelding van het volgens hem typerende feit, dat iemand als Norman Podhoretz in een als grondleggend bedoeld artikel uit 1957 de holocaust niet eens noemde. De grote ommekeer kwam pas in 1962: "Het Eichmann-proces in 1962 veranderde alles, en tegenwoordig beoordelen wij de geschiedenis van de twintigste eeuw in hoge mate in de slagschaduw van de shoah."

Mijns inziens valt er niet te ontkomen aan de constatering, dat Bommeljé zich hier fundamenteel vergist, omdat er een in het kader van Bommeljé's eigen zienswijze slechts als "epochemakend" te betitelen Nederlands geschrift van niet minder dan internationale betekenis bestaat, dat reeds in 1954 is verschenen: De Onverzoenlijken, de uitgave van een door Victor E. van Vriesland op 16 januari 1954 uitgesproken rede. In deze rede omschreef Van Vriesland de uitroeiing van de joden tijdens de tweede wereldoorlog namelijk onbetwistbaar als een uniek gebeuren, terwijl hij er bovendien van aangaf dat die uniciteit niet slechts te maken had met de kwantitatieve zijde van dit onmetelijke misdrijf, maar juist met het kwalitatieve aspect ervan: het was iets van een tot dan toe onbekende aard, het was wezenlijk anders dan al het voorafgaande. Waaruit dat wezenlijke verschil bestond gaf hij daarbij uitdrukkelijk aan.

"Ik zei, dat niet alleen de omvang groter maar ook de aard anders was van de vernietiging door dezen oorlog teweeg gebracht. Hoewel op kleinere schaal zich vroeger iets vergelijkbaars ten aanzien van de Armeniërs had voorgedaan, is hier wellicht voor het eerst in die mate in de wereldgeschiedenis de stelselmatige uitroeiïng van geheel een volk ondernomen, iets waarvoor het begrip "genecide" is gebruikt. (...) Het verschil met vroeger, met de pogroms en de bloedige aanvallen op de Armeniërs, is, dat hier misschien voor de eerste maal een koud en bijna mechanisch, een als het ware zuiver administratief werkend systeem is ingevoerd, dat dan ook op bevolkingsregisters, archieven en dergelijk materiaal berustte. Het nieuwe element, het verschil van hoedanigheid, waar ik over sprak, is te vergelijken met het juridische onderscheid tussen doodslag en moord". Deze woorden sprak hij, niet in de zeventiger, maar in de vijftiger jaren, drie jaren voor het artikel van Podhoretz, acht jaar voor het Eichmann-proces.

Was Bommeljé van het bestaan van deze toespraak en met name van deze uitspraken op de hoogte geweest, dan had hij ze in zijn uiteenzetting in NRC Handelsblad ongetwijfeld de grote betekenis toegekend die ze bezitten als eerste formulering van het criterium aan de hand waarvan wij tegenwoordig de geschiedenis van de twintigste eeuw in hoge mate plegen te beoordelen. Wat bevreemdt, is hoe het mogelijk is, dat hij van dit geschrift, van het bestaan waarvan het NIOD en het CIDI - uiteraard in het volle besef van deszelfs grondleggende betekenis - hem uiteraard onmiddellijk in kennis hadden kunnen stellen, niet heeft afgeweten. Bevreemdender is, dat beide instanties zich niet genoopt hebben gevoeld het aanzienlijke historische misverstand, dat Bommeljé bij zijn lezers veroorzaakt, ogenblikkelijk uit de weg te ruimen om daarbij meteen van de gelegenheid gebruik te maken Victor van Vriesland voor het lezerspubliek op het voetstuk te plaatsen, dat hem gezien deze grote verdienste immers ten volle toekomt. Op deze kwestie wordt nader ingegaan op website http://www.freeyellow.com/members6/rmndth/.

R. Bruning"

Het van 6 april 2000 daterende antwoord van de NRC luidde: "Wij hebben uw brief destijds geselecteerd om op te nemen in onze brievenrubriek. Helaas hebben wij de afgelopen tijd geen kans gezien uw brief in onze kolommen af te drukken. Nu, zoveel weken na dato, lijkt het ons niet zinvol alsnog tot plaatsing over te gaan." Hiermee heeft zich dus een volgend bevreemdend feit aan de vorige toegevoegd: de NRC acht het alleen vanwege het verloop van een paar weken niet zinvol meer haar publiek op de hoogte te stellen van een toch niet onbelangrijk historisch gegeven, namelijk dat - in het door Bommeljé geschetste kader - het idee van de uniciteit van de holocaust blijkbaar een idee van Nederlandse bodem is en bovendien van aanzienlijk vroeger datum dan als op grond van Bommeljé's historische uiteenzetting verondersteld kan worden.

Het historisch belang van dit idee alleen al voor ons land blijkt bijvoorbeeld uit het feit, dat het een, zo niet hčt - fundamentele uitgangspunt is van de geschiedschrijving van L. de Jong over Nederland tijdens de tweede wereldoorlog. De overeenkomst tussen De Jongs opvatting en die van Van Vriesland wordt bewezen door de woorden waarmee De Jong 'het unieke karakter van de uitmoording van de joden door nazi-Duitsland' waar maakte: 'een uitroeiingsmachinerie die in de gehele wereldgeschiedenis nog door geen machthebber was ontworpen en in werking gesteld' en door de uitspraak waarmee hij ze, na de bewering van meelezer A.J. van der Leeuw, dat ze maar een 'goedkope opmerking' behelsden, vervolgens als volgt nader toelichtte: 'Ik zie niet in wat er goedkoop is aan mijn opmerking - juist de uitroeiingsmachinerie vormde een uniek fenomeen en juist het uitzonderlijk karakter daarvan maakte het voor de meeste mensen onmogelijk, geloof te hechten aan de eerste berichten over gaskamers' (citaten ontleend aan Het koninkrijk, deel 13, p. 636 ).

Had men in de NRC het publiek er door mijn ingezonden brief van in kennis laten stellen, dat het idee van de uniciteit van de holocaust in feite al uit 1954 dateert en zelfs van Nederlandse oorsprong is, dan was daarmee de rede van Van Vriesland in het centrum van de aandacht komen te staan. Door, als eerste, het unieke karakter van de massamoord aan het daglicht te brengen, heeft Van Vriesland de nazi's en de collaborateurs automatisch tot een uniek soort misdadigers, tot misdadigers van een geheel nieuw soort slechtheid, geperverteerdheid en onmenselijkheid gemaakt. Door eerst een dergelijke ongekende slechtheid van een geheel nieuw soort in hun inborst te situeren, is het Van Vriesland vervolgens mogelijk geweest hen, zoals gezien, zonder enig bewijs, als een geheel evidente, aan geen twijfel onderhevige feitelijkheid, kortom a priori, aan de kaak te stellen als de aansprakelijken voor en medeplichtigen aan die voor het eerst in de geschiedenis voltrokken, dus unieke, stelselmatige uitmoording van een heel volk, van "tussen de 4 en 6 millioen" joodse levens. Dan zijn concrete bewijzen overbodig. Op die manier is hij degene geweest, die aan de goed-fout tegenstelling van tijdens de oorlog een even uniek karakter heeft verleend, is hij degene geweest die er die absolute tegenstelling van heeft gemaakt die nu juist het wezen van het goed-fout paradigma uitmaakt. En daarop heeft De Jong met zijn geschiedschrijving voortgeborduurd, waarbij hij het fundamentele idee van de uniciteit van de holocaust natuurlijk onmogelijk kon prijsgeven. Zou Van Vrieslands rede De Onverzoenlijken dus ineens volop in de belangstelling komen te staan, dan zou de kans groot zijn dat ontdekt werd, dat onze goed-fout visie in het geheel niet iets is dat rechtstreeks, continu, uit de oorlog tot ons is gekomen, maar dat het iets is, dat pas na acht jaren na de oorlog kunstmatig gecreëerd is en dat het bovendien iets is, waarvan de twijfelachtigheid, gezien bepaalde door Van Vriesland in zijn rede gedebiteerde absurditeiten met betrekking tot de collaborateurs, bij eerste lezing manifest is. Gezien deze bijwerking van het aan het licht komen van de oorsprong van het idee van de uniciteit van de holocaust achten Bommeljé, CIDI, NIOD en NRC het, denk ik, maar beter te voorkomen dat de aandacht gevestigd wordt op de unieke rede van Van Vriesland.

Als ik het met deze verklaring van de bevreemdende verschijnselen bij het rechte eind heb, dan komt het erop neer, dat Bastiaan Bommeljé met zijn artikel zo ongeveer het bewijs heeft geleverd voor de juistheid van mijn hypothese betreffende de oorsprong van het goed-fout paradigma. Dat verdubbelt dan definitief de historische betekenis van Van Vrieslands rede "De Onverzoenlijken", aangezien deze dan maar liefst in twee opzichten waarlijk "epochemakend" genoemd moet worden.

Tijdens "Het debat van de eeuw" werd ook de herinnering opgehaald aan het idee dat kort na de oorlog even heeft geleefd, om namelijk de geschiedschrijving van Nederland tijdens de tweede wereldoorlog in handen te geven van vier hoogleraren geschiedenis, van wie elk een vertegenwoordiger zou zijn van een van de vier zuilen waarin het maatschappelijk leven toen verdeeld was. Von der Dunk hierover: "En oorspronkelijk was, zoals U weet, de bedoeling - dat is typisch voor Nederland, buitengewoon komisch -, dat vier representanten van de verschillende zuilen dat boek zouden schrijven. (..) Dat zou natuurlijk een uitermate komisch strijkkwartet geworden zijn, (...) typerend voor de gedachte: 'er moet hier een consensus zijn'." Door een gesprekspartner werd gegrapt: "Dan zouden ze vast nog steeds bezig zijn geweest". Inderdaad, het is nu af, een werk uit een stuk, want het werk van een man - van een zuil? -, maar de vraag is of zich dat achteraf gezien in dit geval niet als een minder komische stand van zaken zal openbaren.

 

Want op dit moment zouden we bijvoorbeeld dan eens een poging kunnen ondernemen om vast te stellen - om het met de hierboven geciteerde en schijnbaar zo bezorgde woorden van Victor van Vriesland te zeggen - "wat in de mentaliteit en de structuur van het volk nog gezond is gebleven", na die eenmansactie van hem. De eenmansactie waarmee Van Vriesland in 1954 besefte "tegen den stroom in te gaan en niets te kunnen bereiken" - alhoewel hem dat toen toch de moed niet deed verliezen, omdat hij er merkwaardigerwijze tegelijkertijd, naar zijn zeggen, van verzekerd was: "het is dit geloof in de waarheid, dat bergen verzet"; onherroepelijk zou dit "toch op den duur mede den loop der geschiedenis bepalen" (37). (Roept dit niet onwillekeurig het openingscitaat van Gerard Bruning in de herinnering? Het thema dat vaker bij mij voorkomt.) Volgens mij is Van Vriesland er, gelet op de door hem beschreven toestand in zijn tijd, met het leveren van de basis voor het goed-fout paradigma inderdaad in geslaagd de loop van de geschiedenis voor zover het ons land betreft bijna onwaarschijnlijk ingrijpend mede te bepalen.

En om met het vaststellen van "wat in de mentaliteit en de structuur van het volk nog gezond is gebleven" tegelijkertijd vast te stellen, hoeveel ellende er voorkomen zou zijn, wanneer men in '54 in plaats van naar Van Vriesland naar Abel Herzberg had geluisterd, toen deze (ook hij als eenling?) zijn stem verhief tegen de onverzoenlijkheid van de Onverzoenlijken, niet slechts met de woorden: "Ik kan er de wijsheid niet in ontdekken", maar ook met de moeilijk smartelijker en onheilspellender denkbare waarschuwing: "Want de onverzoenlijkheid biedt geen waarborg dat wij niet als geheel genomen, in dezelfde heilloze ellende vervallen die ons is aangedaan." (geciteerd in NRC 22 mei 1989)

8 februari 2000

Raymund Bruning


Citaten

Van Herzbergs waarschuwing tot een "j'accuse" il n'y a qu'un pas. Vier teksten die volgens mij illustreren wat Van Vriesland heeft aangericht en waarvoor Herzberg wellicht heeft willen waarschuwen.

  1. Henri Bruning in een brief uit 1974 (n.b. opnieuw de rol van het jaar 1954):
    "Iets anders, moeilijker te verwerken, is, dat men dit "vergooide idealisme" (als ik de eerste 8 jaar na de oorlog niet meereken) twintig jaar lang steeds verwoeder en vernederender heeft bevuild en ontluisterd, dat men erop heeft staan dansen en trappen tot de mens in de idealist totaal vernield was. Dat houdt me niet bezig wegens mijn "idealisme", maar wegens die talloze jonge idealisten, gewone jongens die oprecht in een ideaal geloofden, die die stroom van vuil niet hebben kunnen verwerken, die zich niet konden verdedigen, zichzelf niet meer begrepen, zichzelf - uitgemaakt voor rapalje en uitvaagsel - niet meer herkenden, voor zichzelf wegscholen en op de een of andere manier een veilig onderkomen moesten zoeken, burgerman werden, of cynisch, of vol haat, of keiharde geldmakers en dit als enige mogelijkheid om zich overeind te houden, ook tegenover hun eigen kinderen die hen voor onbegrijpelijke idioten, halfzachten, imbecielen moesten gaan houden."

  2. "Ik ben een dochter van een NSB'er. Zodra ik ging begrijpen wat het nazi-regime had gedaan, heb ik zijn schuld, die hij tot zijn dood heeft ontkend, als het ware plaatsvervangend op mij genomen".

  3. nog zo'n dochter: "Wanneer je werkelijk die schuld beseft, word je krankzinnig. Of je pleegt zelfmoord. Of je ontkent. En wanneer je eenmaal met ontkennen begonnen bent, zul je daarmee moeten doorgaan om te voorkomen dat je alsnog instort".

  4. En nog zo'n dochter: Johanna Scheffel "Toen ik 8 was, hoorde ik op school dat NSB'ers schoften waren. Mijn vader was dus ook een schoft. Hij was bovendien een zeer strenge vader, dus dat paste in het plaatje. Wat hij zei, was sindsdien bij voorbaat verdacht. Ik heb hem altijd zeer schuldig gevonden. Veel te schuldig, daar kom je later ook weer achter".
    "Er is in Nederland gezegd: die mensen zíjn fout. Dan valt er dus nooit iets te verbeteren. En een kind van een foute ouder valt dus ook niet te verbeteren, want dat is gewoon fout, punt uit".
    "Ik zag mijn vader als helemaal fout. Want dan lag ik lekker op één lijn met heel Nederland. Maar zo werkt het niet. Je kunt de foute daad haten tot in het diepst van je ziel, maar de persoon die de fout heeft gemaakt, heeft ook andere dingen in zich. En die kun je niet ook veroordelen, dat is heel slordig gedacht".

 

---------------------

noten

1. J.Th.M. Houwink ten Cate en N.K.C.A. in 't Veld FOUT; Getuigenissen van NSB'ers 's-Gravenhage 1992

2. Henk Strabbing "Het bewonderde en verguisde nationaal geweten / Loe de Jong" (kopstukken van het laagland/64/een eeuw Nederland in honderd portretten) de Volkskrant 4 jan. 1999

3. Anneke Visser "Lou de Jong in Zomergasten" de Volkskrant 5 juni 1989

4. J.C.H. Blom "In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland" integrale herdruk van de inaugurale rede van 12 december 1983 in Tussen goed en fout (o.r.v. G. Abma e.a. Franeker 1986) 34. Blom citeert hier uit H.W. von der Dunk "Negentienhonderdveertig; van neutralisme naar nazi-heerschappij" in Vaderlands Verleden in Veelvoud. Opstellen over de Nederlandse geschiedenis na 1500. Deel II 19e en 20e eeuw samengesteld door C.B. Wels eindredactie e.a. Den Haag 2e herziene druk 1980 313

 

 

III teksten 1997-1999


(Terug naar: Inleiding)

 

Het interview van Michiel van Diggelen in HN van 3 mei 1997, De opstand der vitale krachten (1), was voor Jos Joosten aanleiding tot zijn column Fout(2) in KUnieuws van 23 mei 1997. Daarop volgde op 13 juni in KUnieuws zijn column Geweten(3) over Gerard Bruning. Bert Heffels voerde in KUnieuws van 12 februari 1999 in de column Jacques de journalist Gerard Bruning ten tonele met foto en onderschrift: "Gerard Bruning: vroom verticaal journaille". En op 26 februari 1999 wijdde hij zijn hele column 'De vermomde bakker'(4) in KUnieuws aan Gerard Bruning.

Uit de Volkskrant heb ik een ingezonden brief van Henri Bruning uit 1953 toegevoegd, Ultramontaans (2)(5), omdat deze voor de goede verstaander de filiatie binnen de "Nijmeegse School" van L.J. Rogier tot B. Heffels zo treffend demonstreert. Het "Naschrift redactie" heb ik eveneens overgenomen, omdat het te betreuren zou zijn, wanneer het anders onopgemerkt in de mestvaalt van de geschiedenis zou zijn verdwenen. Zo heb ik ook de columns van Jos Joosten en Bert Heffels onverkort weergegeven, omdat hun web site (http://www.kun.nl/kunieuws/nieuws/archief) een tijdje maar moeilijk bereikbaar was (gewijzigde adressering?) en ik mijn lezer ten behoeve van een objectieve oordeelsvorming graag de onmiddellijke beschikking zie hebben over alle argumenten van mijn tegenstander.

Iemand met goede oren hoort bij het lezen van Brunings ingezonden brief in de verte zacht het monotone gedreun op een kop van Jut, teweeggebracht door de man van wie Jos Joosten en Bert Heffels hun stiel afgekeken lijken te hebben. Heeft Rogier indertijd dat rumoer veroorzaakt doordat hij zich, volgens eigen getuigenis, zo sterk liet inspireren door de geschiedschrijving van een Geyl, wiens voorbeeld hij kennelijk als de rechtvaardiging van zijn eigen geschiedschrijving hanteerde in De Tijd van 14 december 1957? "Hij [Geyl heeft altijd het "historisme" afgewezen, het negentiende-eeuwse evangelie van een bleke objectiviteit, die meent geen maatstaven te mogen meebrengen om het verleden te beoordelen, die niets toejuicht, niets bewondert, niets liefheeft, niets afkeurt, niets afwijst, niets haat, die leeft uit het dogma van de 'onvermijdelijkheid'". En: "het is volgens hem [Geyl] de plicht van de geschiedschrijver partij te kiezen, mee te worstelen met de problematiek, mee te spreken en te getuigen, vooral ook te bestrijden wat hem rampzalig en gevaarlijk voorkomt". Nu, waar dat laatste rond die tijd op neerkwam, werd wel duidelijk uit de aanhef van een artikel van Rogier, dat een week later, op 21 december, in de Volkskrant verscheen: "Nu de gevangenissen weer opengaan en de schrijfverboden verjaard zijn, nu tevens de heugenis van de jaren 1940-1945 en een bedenkelijke collaboratie enigszins vervagen en nu er zelfs jongeren zijn, die er geen heldere herinnering aan kunnen hebben, maken zich allerlei lieden op om met "Es ist nicht wahr" niet slechts het begane kwaad te loochenen, maar zelfs in een merkwaardig omkeren van de moraal degenen, die het eens aan de kaak moesten stellen, van laster te betichten. Dit is een ondermijning van de moraal, waartegen ik slechts kan hopen dat de gemeenschap in verzet komt." Het lijkt wel, of ook Rogier, na Van Vriesland, qua aanpak en qua kwestie de weg voor een De Jong wilde banen.

Zo is dan dank zij het initiatief van Jos Joosten een wat Bruning betreft toch wel degelijk zeer belangrijke zaak alsnog aan de orde gekomen. Die is in mijn boek slechts één keer genoemd, namelijk waar ik in het eerste hoofdstuk heel de brief van 10 december 1954 heb opgenomen, die Bruning aan rector N. de Rooy schreef naar aanleiding van de foto die de Rooy Bruning had gevraagd om bij zijn tekst over Bruning in In Vrijheid Herboren af te drukken, de brief die ook door Hester Genefaas in een noot geciteerd wordt om een bepaald aspect van de relatie tussen Bruning en de 'eigen' katholieke kring gedetailleerder uit de doeken te doen1.

Er doet zich wat bedoelde belangrijke zaak betreft een merkwaardige parallellie voor, een parallellie met een gemeenschappelijk punt, wat in dit geval, in tegenstelling met de geometrie, niet resulteert in slechts één lijn, omdat de beide lijnen door de tijd gescheiden blijven. Tegen 2000 hebben, zoals gezien, Jos Joosten en Bert Heffels aan de ene kant en Hester Genefaas aan de andere kant een grondig tegengestelde visie op Henri Bruning op schrift gezet. In het geval van Genefaas was het vooroorlogs debat tussen Ter Braak, Van Duinkerken en Bruning het onderwerp van haar studie. In het parallelle geval, zich in de periode 1953-1957 afspelend, gaf ditzelfde debat rector De Rooy, mede-auteur van In Vrijheid Herboren met L.J. Rogier als andere auteur, aanleiding zijn mening aangaande Henri Bruning kenbaar te maken, nog sterker getuigend van bewondering en respect: "Bruning is verwant met sommige van de heel groten in het christendom: het geslacht der anachoreten, die het Romeinse rijk aan zijn lot overlieten, aan Gregorius VII, Savonarola, Pascal, Kierkegaard en Bloy. Hij vindt zijn geestgenoten in zijn tijdgenoten, de Spanjaard Unamuno en de Portugees Teixeira de Pascoaes, zowel als in de Fransman Bernanos. Zijn Verworpen Christendom getuigt ervan dat hij zich met deze mannen verwant gevoelt. Hij heeft ook een heimelijke sympathie met de grote ketters der historie en daarom kon Bruning een schets van Luther ontwerpen, die sterk getuigt van een scherp aanvoelingsvermogen van mensen en dingen der Reformatie. Voor Bruning kan het christendom nooit "arriveren", zoals hij het tot zijn verdriet arriveren ziet in Bloy's grote leerling Maritain; voor hem kan het slechts "agoniseren", naar een woord van Unamuno. Deze agonie is niet een langzaam en gewelddadig sterven, Bruning gelooft in de onvergankelijkheid van de Kerk, maar naar de oorspronkelijke betekenis van het woord is het een voortdurend hijgend strijden in een tragisch conflict. Wat voor Bruning een tragisch gevecht is op de rand van de afgrond, is voor Van Duinkerken glorieus en vol perspectief, voor Ter Braak is het slechts een spiegelgevecht ter aanmoediging van de omstanders, maar tevoren reeds beslecht door omkoping der gladiatoren. Voor Bruning, van nature individualist en dissenter, is het christendom der tegenwoordige Kerk verworpen door God, omdat het van alle heroïek afstand gedaan heeft en is het verburgerlijkt sinds het wordt geïmponeerd door massa, getal en uiterlijke roes." Op bepaalde, zeker niet onbelangrijke punten van deze beschrijving had Bruning de nodige critiek, waaraan hij in de brief aan De Rooy ook uiting heeft gegeven. Bijvoorbeeld dat hij een anachoreet zou zijn geweest die de wereld maar aan zijn lot zou hebben overgelaten.

Bij de volgende uitgave in 1956 van In Vrijheid Herboren, nu onder de titel Katholieke Herleving, de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland gedurende de honderd jaar verlopen sedert in 1853 dank zij Thorbecke de rooms-katholieke hiërarchie in Nederland hersteld was, waren zowel voormalig mede-redacteur rector De Rooy als de gunstige uitspraken met betrekking tot Henri Bruning van het toneel verdwenen. Dit is het gedeelte van de parallellie, dat door Joosten en Heffels gespiegeld wordt.

In die heruitgave van 1957 moest met name de journalist en priester M.A. Thompson, in het begin van de twintigste eeuw achtereenvolgens hoofdredacteur van De Maasbode en Rome, maar met name de belangrijkste representant van het integralisme hier te lande, het overmatig zwaar ontgelden. L.A. van der Linden heeft Rogier hierover op de vingers getikt in zijn brochure Ultramontaans Pleidooi (Heerlen 1957). De ontvangst van die brochure gaf Henri Bruning aanleiding zich met de reeds genoemde ingezonden brief in de Volkskrant te mengen in de ontstane discussie. Die kop van Jut met zijn zachte gedreun waarvan in het voorgaande sprake was, was Thompson.

Maar wat kon een Henri Bruning nu zo aan iemand als Thompson gelegen zijn, dat hij zich daarin meende te moeten mengen? Door bewogen en getuigend een beeld van Thompson te schetsen als van een katholiek die met zijn behoudende, door het integralisme bepaalde opvattingen een grote belemmering was geweest voor de ontwikkeling van een vrij, open en modern katholicisme, werden in het perspectief van Rogier integralisme en Thompson beide even verwerpelijke aangelegenheden. Integralist en integralisme werden in het kader van Rogiers visie op de katholieke kerk even vernietigende invectieven als de begrippen fascist, fascisme, nationaal-socialist, nationaal-socialisme, antisemiet en collaborateur dat zijn in het kader van De Jongs visie op de periode '40-'45. Rogier presteerde het de invectieven fascist en integralist gecombineerd op een reeks personen van toepassing te verklaren, zelfs tesamen met een derde invectief, dat voor zijn lezers al even afdoende was om iemand definitief zo ongeveer van zijn menselijke waardigheid te beroven: "integralisten, fascisten en andere totalitair-denkenden als Vincent Cleerdin, Wouter Lutkie, H. van Haastert, Gerard Bruning, Pieter van der Meer de Walcheren e.a.". Spreekt men in de politiek wel van aangeschoten wild, dit wild was daarmee voor Rogiers getrouwe en vol bewondering naar de meester opziende lezersschare, deze voorman van het open katholicisme, met één schot neergelegd. De term integralist was voor Rogier het wapen waarmee hij dergelijke lieden, met name ook de katholieke jongeren uit de jaren twintig, inclusief Gerard en Henri Bruning, moeiteloos kon uitschakelen, wat Gerard betreft dus linea recta tegengesteld aan wat Van Duinkerken in 1962 over hem op schrift heeft gesteld, zoals we in het voorgaande naar aanleiding van Jos Joosten en Bert Heffels hebben gezien. En wat Henri betreft versterkte Rogier daarmee slechts het beeld van verstgaande perversie, dat dank zij Van Vriesland met betrekking tot Bruning c.s. reeds in omloop was gebracht. Rogier had zo ook zijn duit nog eens even in dit zakje gedaan.

Begrijpelijk, dat Bruning een poging heeft gedaan om te kijken of hij met zijn ingezonden brief niet minstens indirect énig tegengeluid kon laten doordringen tot hen die nog oren hadden om te horen. En dit alles, terwijl die religieuze opvattingen van Bruning, zo duidelijk gekarakteriseerd met de titel van zijn in 1938 verschenen boek Verworpen Christendom, mijns inziens merkwaardig sterk lijken op de eisen, waaraan volgens David Flusser, blijkens het artikel van Ton Oostveen "Joodse Jezus-kenner David Flusser / Linkse christenen zijn antisemieten" in De Tijd van 16 juni 1978, beweerde dat het christendom had dienen te voldoen, maar waaraan het volgens deze joodse geleerde gedurende zijn hele geschiedenis nog nooit voldaan heeft - en waarom het in zijn ogen door Bruning dan ook niet ten onrechte zal zijn verworpen -, opvattingen die dus al helemaal buiten het conservatieve denkraam van een Thompson zullen hebben gelegen. Het waren juist deze unzeitgemässe opvattingen betreffende het christendom, die rector N. de Rooy tot het geciteerde portret van Bruning geïnspireerd hebben. Wat is er meer in strijd met deze zienswijze van De Rooy dan de woorden waarmee Rogier in Katholieke Herleving wel eens eventjes het bewijs zou leveren van de evidente waardeloosheid van bepaalde auteurs - daarbij duidelijk opnieuw mede, zo niet met name, op Henri en Gerard Bruning doelend -: dat "van verreweg de meeste katholieke letterkundigen, die omstreeks 1925 debuteerden, het creatieve werk dertig jaar later het noemen niet meer waard is. Dit is het lot, dat zich voltrokken heeft aan verscheidenen van de overmoedige auteurs die organen stichtten met namen als De Valbijl". Welke namen worden er immers meer met De Valbijl in verband gebracht dan juist de namen van de gebroeders Bruning?

 

Deze methode van het in diskrediet brengen van de vooroorlogse Katholieke Jongeren door hen met Thompson in verband te brengen en met integralisme te vereenzelvigen was door Rogier afgekeken van Gerard Brom, die deze techniek in zijn Amsterdamse rede van 1933 ter gelegenheid van de diës natalis van de r.k. studentenvereniging "Sanctus Thomas Aquinas" heeft geïntroduceerd. Bij die gelegenheid heeft Van Duinkerken zich persoonlijk aangesproken gevoeld, want in een bijlage van De Gemeenschap uit 1933, "Extra-hagel", heeft deze in een uitvoerig artikel Brom van repliek gediend. Met name verweerde hij zich daarin tegen de suggestie van directe en - namelijk via Vincent Cleerdin - indirecte invloed van Thompson en diens integralisme op de toenmalige katholieke jongeren: "Hij (Brom RB) zoekt het clair-obscur. Noemt hij een enkelen naam, dan is de drager dood, of Gerard Brom verklaart hem dood. Het liefst verzwijgt hij echter den naam van dengene, dien hij aanvalt, omdat dit liefdevol schijnt en daarenboven misverstanden wekt, die dienstig zijn voor het slechte begrip, waarop de spreker rekent. Of had hij zich niet werkelijk belachelijk gemaakt, wanneer hij na een bedekten aanval op Rector Thompson, een open aanval had gewaagd op Vincent Cleerdin? Toch is een beslissend deel der redevoering gewijd aan de anthologische werkzaamheid van dezen journalist. Hij immers was 'de leek, die een bloemlezing uitgaf met artikelen van de ketterjager(Thompson) en enkele jaren later een bundel leverde uit de werken van Léon Bloy'. De verdiensten van den schrijver Cleerdin worden niet miskend, als men historisch vaststelt, dat zijn invloed op de jongerenbeweging uiterst gering is geweest, terwijl van Rector Thompson heelemaal geen invloed uitging op iemand van onze tijd (curs. RB). Toch acht de heer Brom diens invloed den eersten, dien hij moet noemen en verdedigt hij deze valsche geschiedschrijving met het oncontrôleerbaar bewijs, dat van Thompson's werkdadigheid allicht iets bleef hangen. (...) Herleid tot den invloed van Thompson, die niet bestond, - tot den invloed van Cleerdin, die niet waarneembaar is, - tot drie brochures in een fellen toon, was de beweging van de jongeren een makkelijke buit voor iemand, wiens jachtlust steeds bij voorkeur werd gewekt door het kleinste wild."(I-III) Wat verder vat Van Duinkerken de beweringen van Brom samen in "drie stellingen des heeren Brom, gestold uit een stroom van loslippige insinuaties" en geeft hij zijn oordeel over de hoedanigheid van het beeld waarin Brom dit kleine stukje geschiedenis had vastgelegd met inbegrip van de reden waarom Brom het volgens hem op die manier had gedaan: "De heer Brom heeft met opzet van de jongere beweging een verward, een onvolledig en een valsch beeld gegeven, omdat dit een lichter prooi voor hem was dan het duidelijke, volledige en oprechte beeld, hetwelk zijn hoorders mochten verwachten."(V)

De drie brochures die het concrete materiaal zouden zijn geweest, waartoe Brom de katholieke Jongeren volgens Van Duinkerken herleid had, waren Neo-Communisten uit 1932 en Europeesche jeugd uit 1933 van Ernest Michel en Onze priesters uit 1933 van Michels vriend en, ik mag wel zeggen, medestrijder Henri Bruning. Met Neo-Communisten had Michel nogal wat stof doen opwaaien: het was een heftige kritiek op bestaande toestanden in de kerk. Pater Raymund van Sante o.p., sedert 1919 met Bruning bevriend, had het werkje in Roeping zowel zeer critisch als tegelijkertijd waarderend besproken, wat hem op afzetting als professor aan het Albertinum in Nijmegen, ontzetting uit zijn apostolaatswerk onder de studenten en de aanzegging van overplaatsing naar Curaçao was komen te staan. De studenten hebben getracht Van Sante voor zich te behouden, maar een verzoekschrift ondertekend door ruim zeshonderd voornamelijk studenten heeft de provinciaal van de dominicanen in Nederland niet op andere gedachten kunnen brengen. Curaçao is Keulen geworden. De bisschop van Den Bosch, Diepen, had de brochure in zijn bisdom verboden. Een gevolg was bijvoorbeeld, dat iemand als Fr. van der Meer over de brug van Nijmegen naar de overzijde van de Waal ging, want daar mocht hij het geschrift wel lezen.

In het redactionele artikel van "Extra-hagel", "Verklarende omstandigheden", werd gewezen op het feit, dat Brom met name sedert 1924 op de jongeren nogal gebeten zou zijn geweest. Brom had toen een bloemlezing uit de katholieke poëzie van die tijd samengesteld, door hem van een voorwoord voorzien en verschenen als nummer van "Orpheus". De redactie citeert dan uit De Valbijl van maart 1924 een deel van de kritiek van Henri Bruning op die inleiding : 'Brom bewéért, konstatéért verschijnselen, maar Brom vergeet te verklaren. Brom maakt er zich dus zeer gemakkelijk en goedkoop van af... Heel de inleiding van dit hooggeleeerde ventje werd (bij gebrek aan inzicht!) opgevuld met niets dan hatelike, inferieure verdachtmakingen, ordinaire sienismen, schoolmeesterig-hooghartige afbrekerij.... Telkens wordt Broms persoonlike meening naar voren geschoven waar niets dan een objectieve uiteenzetting gevraagd werd... Wij zullen, om Brom te sparen, niet het sfeertje waarin (de inleiding) werd geschreven, ontleden, en evenmin de ongure verdachtmakingen aanhalen.' (De Valbijl-Maart 1924-blz.21-22)" Verder citeert de redactie bovendien nog uit de kritiek die Karel van den Oever en Anton van Duinkerken toentertijd op Brom hadden geleverd, met als conclusie van de redactie: "Wie het oordeel van Brom over de jongeren op de juiste waarde wil schatten, moet weten dat het werd voorafgegaan door dit oordeel van de jongeren over Brom".(XI)

H.K. eindigde zijn gedicht "De Brombeer" met zìjn beeld van de diësrede: "Hij put zijn laatste krachten uit/ In leeg en lasterlijk geluid,/ En niemand valt hem bij./ In stilte wankelt hij terneer,/ Toch doet zó'n val zelfs óns nog zeer.(X)

Opmerkelijk is, dat Van Duinkerken zich in 1957 niet opnieuw geroepen heeft gevoeld op dezelfde gronden de katholieke jongeren, inclusief zichzelf, tegen de identieke verdachtmakingen van Rogier te verdedigen. Hooguit is zijn reeds meermalen genoemde, aan Gerard Bruning gewijde artikel uit 1962 misschien als een laat en onopvallend gebaar in die richting op te vatten. En daarmee heeft hij Gerard en Henri Bruning bij dezen alsnog een door mij moeilijk te overschatten dienst bewezen. Wel is duidelijk, dat de oorsprong van wat ik de Nijmeegse school noemde, nog verder terug gezocht moet worden dan de tijd van Rogier: die gaat terug op de begintijd van de KUN. Het is gewoon het vervolg van dezelfde school, die Henk van Gelre op het oog had, toen hij in 1957 de brochure, waarin hij deze kwestie uit de doeken deed, als titel gaf: Gerard Brom maakt school. Het is een school, die kennelijk karakteristiek is voor 75 jaar KUN-geschiedenis.

Met de opmerking over een speciale band van Henri Bruning met de KUN in het begin van deze tekst is toch waarlijk niets te veel gezegd.

 

Jos Joosten leefde kennelijk in de veronderstelling dat ik na het interview in HN met mijn manuscript van uitgever naar uitgever ben blijven zwerven. Ik heb het echter anders aangepakt, omdat ik dacht er beter aan te doen de uitgevers eerst over hun door mij veronderstelde vreesachtigheid heen te helpen. Vooreerst door op 19 mei 1998 aan dag- en weekbladen en aan in deze materie geïnteresseerde instanties een open brief(6) te sturen. Daarin maakte ik aannemelijk, dat de gangbare visie op ons oorlogsverleden bepaald wordt door de gemodificeerde en ingekapselde waarheid die door prof.dr. H.W. von der Dunk onverwacht onder de aandacht was gebracht. De tekst van deze open brief geeft een goed idee van de kwesties die in mijn boek achtereenvolgens aan de orde komen. Die betreffen inderdaad de manieren waarop de waarheid geleidelijk aan gemodificeerd en ingekapseld is en de wijze waarop ik, door de sporen van dat proces te volgen, haar in feite weer heb gedemodificeerd en ontkapseld heb. Aan de open brief had ik de beide diskettes met heel de tekst van mijn boek toegevoegd. Het effect? Nihil.

In de NRC van 4 september 1998 verscheen vervolgens het artikel van Ronald Havenaar "De oogst van onze eeuw \ J.B. Charles: Volg het spoor terug, 1953". Die gaf mij aanleiding tot een ingezonden brief van 13 september 1998 Een ander spoor teruggevolgd, 1954(7). In grote lijnen komt de tekst van deze ingezonden brief overeen met die van de open brief, behalve dat ik in reactie op opmerkingen, die dr. J.C.H. Blom , directeur van het NIOD, naar aanleiding van deze tekst mij per brief deed toekomen, laat zien, dat ik een veel fundamenteler doorbreking van de ban van goed en fout beoog dan waarmee hij genoegen neemt. Bovendien bevat deze ingezonden brief de verklaring voor het feit, dat ik de titel van mijn boek heb uitgebreid met de woorden "en geweten". Van de redactie van de NRC kwam geen reactie.

 

Vervolgens heb ik voor de volledigheid hier ook de tekst toegankelijk gemaakt van de open diskette(8) van 21 januari 1997. Deze is voor Michiel van Diggelen indertijd aanleiding geweest tot het interview in HN. In de Volkskrant van 7 februari 1997 herdacht Kees Fens Gerard Wijdeveld naar aanleiding van diens overlijden. De ingezonden brief, Kees Fens' 'waarom?!'(9), die ik in reactie daarop heb geschreven, werd door de Volkskrant niet opgenomen en daarvan kan daarom hier alsnog kennis worden genomen.

Naast voornoemde teksten heb ik nog een tekst, Veelhoek(10), van Henri Bruning zelf opgenomen en wel omdat mijn boek in plaats van een wetenschappelijke studie meer een polemiek is in de geest van de polemiek die ik in 1989/1990 in de NRC drie artikelen lang tegen Adriaan Venema heb gevoerd, zij het nu in uitgebreider vorm en tegen tegenstanders met meer gezag. In zijn tekst schetst Bruning een beeld van de volgens hem meest ideale polemiek. Deze uiteenzetting vormt de slotbeschouwing van de uit de oorlog bewaard gebleven inleiding op het boek Veelhoek, een bloemlezing gewijd aan de laatste anderhalve eeuw denken in Nederland. Dit boek is niet door de Duitse censuur gekomen en is met uitzondering van de inleiding bij het bombardement van het Bezuidenhout verloren gegaan. Lezing van dit deel van de inleiding zal begrijpelijk maken waarom dit op zich reeds de nazi's voldoende aanleiding kan hebben gegeven de publikatie van het boek te verbieden.

Verder is als elfde document een brief van 16 0ctober 1931 vanIsr. Querido aan Henri Bruning (11) opgenomen.

 

Lezing van deze internetteksten geeft een aardig idee van de structuur, samenstelling, schrijfwijze en strekking van mijn boek. Ook in chronologisch opzicht zouden ze heel goed gezien kunnen worden als het vijfde hoofdstuk ervan. Nu maar afwachten of er uitgevers in geïnteresseerd zijn geraakt.

Raymund Bruning

9 februari 2000

----------------------

Opsomming van de teksten (aantal pagina's (a4) tekst)
  1. M. van Diggelen De opstand der vitale krachten 3 mei 1997 (5 p)
  2. Jos Joosten Fout 23 mei 1997 (2 p)
  3. Jos Joosten Geweten 13 juni 1997 (2 p)
  4. Bert Heffels De vermomde bakker 26 februari 1999 (2 p)
  5. Henri Bruning Ultramontaans 1957 (2 p)
  6. Open brief 19 mei 1998 (7 p)
  7. Een ander spoor teruggevolgd 13 september 1998 (8 p)
  8. Open diskette 21 januari 1997 (13 p)
  9. Kees Fens' waarom?! februari 1997 (3 p)
  10. Henri Bruning Veelhoek, einde inleiding ca. 1953 (3 p)
  11. Isr. Querido Brief aan Henri Bruning 16 october 1931 (1 p)

noten

1. Hester Genefaas "Verworpen tussen steen en stroom"? jaarboek katholiek documentatie centrum 1997 91, noot 1

2. Voor deze uiteenzetting betreffende Rogier, Brom, Van Duinkerken, Thompson en integralisme heb ik me gebaseerd op de brochure Gerard Brom maakt school van de hand van Henk van Gelre en op de aflevering "Extra-hagel", de bijlage van De Gemeenschap van 1933, bestaande uit de bijdragen van Anton van Duinkerken "Gerard Brom en onze tijd" I-VI, A. Kuyle "Kokadorus in de aula, of de goochelaar zonder publiek" VI-X, H. K. het gedicht "De brombeer", de Redactie "Verklarende omstandigheden" X-XII en Jan Derks "Studenten en jongeren" XII-XIII.



(Terug naar: Inleiding)