terug naar lijst van werken
vorige boek



(h x b: 22 x 15,5)

Maar het belangrijkste is niet, dat de mens weet of weer herkent, dat hij liefde moet zijn; het voornaamste is, dat hij moet weten op welke wijze. En ook dit heeft Hij kenbaar gemaakt op een wijze die voor allen verstaanbaar was. (blz. 57)
,,Alles dus wat gij verlangt, dat de mensen u doen zullen, doet het ook aan hen” (Mt. 7, 12) of anders: ,,wat gij niet wilt, dat men u doet, doet het ook de ander niet”. En bemerk: de toetssteen voor ons handelen is hier niet, dat het in overeenstemming is met een goddelijke wil (die eerst in zijn hoogte en breedte en diepte moet worden ontsluierd), maar dat meest kenbare en onbetwistbare: de wil van de mens aangaande zichzelf. Ook het oordeel is geheel verlegd naar de mens, - nogmaals: een zo nederige, kenbare waarheid vertegenwoordigde deze Leraar der mensen.(blz. 58)

I N H O U D


BIJ WIJZE VAN INLEIDING
Het tweede gebod 13
MISSIONAIR CHRISTENDOM
I Neomissionaire xenophobie? 65
II Het Boeddhisme, - eine Bejahung inmitten von Verneinungen 96
III Onmacht der missie 128
IV Prioriteit van het woord Gods 156
V Zonder proselytisme. Beïnvloeden 182
VI Zuurdesem en Ziel 196
VII Oecumene der godsdiensten 209
Appendix (Naar een keerpunt?) 217
Aantekeningen 227


(Een aanbeveling van uitgeverij Verbum Humanum)


VORMKRACHT EN ONMACHT DER RELIGIE

MISSIONAIR CHRISTENDOM

DOOR HENRI BRUNING

In VORMKRACHT EN ONMACHT DER RELIGIE, dat de grote lijn die Brunings vroegere geschriften 1) verbindt, met vaste hand doortrekt, herkent men opnieuw de schrijver die in de dertiger jaren, zoekend naar een authentieke geloofsbeleving, vooropstelde, dat het katholicisme, van defensief offensief geworden, opnieuw creatief moest worden, bedreigd als het werd, van binnenuit, in zijn eigen offensief, door het voze optimisme van die hérésie des oeuvres, die uiterlijke werken en hun oppervlakte-succesjes, waarmee een verstard en uitge­hold geloofsleven zichzelf slechts continueert. Ten overstaan van dit luidruchtige offensieve vertoon, dat een weigering was zich van de werkelijke problemen van het leven en van de religie rekenschap te geven en waarvan het resultaat slechts een verder woekerende verwording en ontwaarding van het geloofsleven zou zijn, werden Brunings geschriften de verdediging van een innerlijke vernieuwing, een nieuwe spiritualiteit, een terugkeer van de gelovige mens naar dat inwendige leven met Christus en leven-met-het-evangelie dat oorsprong, grondslag en vormkracht van alle geloofshandelen is.
Deze stellingname, geinspireerd als zij was door het leven en de geschriften van actieve mystici als Franciscus, Johannes van 't Kruis, Theresia van Avila, Theresia van Lisieux, zou Bruning ook in de latere religieuze geschrif­ten van die jaren niet meer ontrouw worden. De thema's die hij erin zou uitwerken of naar voren brengen, vinden in die stellingname hun oorsprong en verklaring. De verdediging van een waarachtige, persoonlijke ge­loofsbeleving, als enige grondslag voor een creatief geloof'shandelen, voerde hem de realiteit binnen - de grote geloofsrealiteit - van de verborgen onzichtbare Kerk, de enige die, waar zij handelend wordt, of woord wordt, Christus' genade aan en in de mens - en temidden der mensen - zou "zichtbaar" maken, - waar zoveel andere "zichtbaarheid" deze vaak slechts dieper verduistert. Deze persoonlijke geloofsbeleving confronteerde hem ook met de realiteit van het persoonlijk geweten, de trouw daaraan, en met de creatieve waarde van het niet-katholieke, ook niet-christelijke denken als gewetensbezinning. Men herinnere zich de eerbied en aandacht die hij vroeg, met klem opeiste, voor de grote reformator Maarten Luther; zijn bewondering voor Nietzsche e.a. - En werd de nog zeer jonge Bruning - zo in zijn eerste literaire publicaties - verontrust door het door­dringend besef van Gods afwezigheid in de wereld, in zijn verdere ontwikkeling groeide deze ervaring tot een besef van Gods transcendentie en werd het geloof steeds letterlijker een akt van gelóven d.i, van niet-­wéten: een geloof'shandelen in de stilte van Gods zwijgen, - een zwijgen dat slechts verbroken scheen door Christus, diens evangelie, dat, als Gods woord aan de. mens, opnieuw en meer nog van centrale betekenis werd.

In VORMKRACHT EN ONMACHT DER RELIGIE laat Bruning deze en andere gewonnen inzichten niet los; zij bleven, met niet minder nadrukkelijkheid, ook in dit nieuwe boek aanwezig. Maar waar hij vroeger het chris­tendom doordacht en belichtte, als bovennatuurlijk leven, vanuit het evangelie en de onbevreesde interpreta­ties van zijn schoonste navolgers, daar doordenkt hij hier het evangelie vanuit de werkelijkheid van de mens, de menselijke situatie, de oorspronkelijke spanningen en fundamentele vragen van het natuurlijk geweten, - dat naar zijn wezen een religieus geweten is. De vraag die zich met het evangelie onontkoombaar opdringt, is die naar de betekenis van het evangelie voor de "zwakke en zondige mens," naar de betekenis van al die onmogelijke, extreme imperatieven welke, reeds tijdens Christus' leven, zovelen die tot Hem kwamen weer teleurgesteld deden heengaan en hen zo bittere verwijten deden uitspreken tegen Hem die toch gekomen was om met zijn woord het leven der mensen te zijn. Ook het christelijk geloofsleven werd een leven naast het evangelie, ver daarvandaan, vanuit andere impera­tieven dan die van het evangelie, dat, als Gods vraag aan de mens, toch het enig nodige verwoordt en het wezen van het geloofshandelen uitspreekt. Het is alsof het "letterlijk" verstaan, dat de Schriftverklaring als haar stelregel verdedigt, slechts geldt m.b.t. de woorden van het Laatste Avondmaal en onmiddellijk daar­buiten, m.b.t. de eisen van het evangelie, ophoudt geldingskracht te bezitten. - In het eerste, uitvoerige hoofd­stuk waarmee Brunings boek "bij wijze van inleiding" opent en dat tot titel draagt "Het tweede gebod", be­proeft de schrijver de verbinding te herstellen tussen de "zwakke mens" en het evangelie, en dit zonder de menselijke zwakheid te miskennen of de evangelische imperatieven hun onverminderbare geldigheid te ont­nemen. Integendeel, hij geeft zich volledig rekenschap van de extreme eis die met Christus' tweede gebod aan de orde werd gesteld. Tevens is hij in voortdurend verweer tegen de krampachtigheld en haar onwaarachtig­heden die zo vaak het "hatelijk" gevolg zijn waar men met het evangelie ernst maakt. De conclusies welke Bruning aan het tweede gebod, dat Christus ons zo mannelijk, moedig en strijdbaar heeft voorgeleefd, ver­bindt, reiken zeer ver; zij doen in de hartstochtelijke ernst waarmede hij zijn Umwertung van het christelijk geloofshandelen volbrengt, vermoeden dat hij met dit eerste hoofdstuk minstens een miskende kern van chris­telijke religiositeit openlegt. Het is vanuit de realiteit van de zwakke mens, dat de schrijver een nieuw pers­pectief opent op het religieuze handelen en op de opdracht van het christendom in deze wereld en in deze tijd.

Na deze poging van het eerste hoofdstuk het wezen van het christendom te belichten, stelt Bruning het probleem aan de orde van het apostolische christendom, het missionaire. Hier ontmoeten wij opnieuw de schrijver, die reeds van meetaf de fundamentele waarde van het niet-christelijke denken erkende, - een waarde welke hij hier demonstreert aan het boeddhisme, deze grote schepping van 'het niet-christelijke religieuze geweten. Het openbaart voor hem essentiëler dingen nog dan de schoonheid en diepte van zijn waarheidsleven en het wordt duidelijk dat Brunings bewondering voor deze religie niets uitstaande heeft met wat in sommige kringen gaarne wordt afgedaan als meedoen aan een modeverschijnsel. - Aan het probleem van het missionaire subs. apostolische christendom, 'zijn dan de volgende hoofdstukken gewijd, en dit onder de titels: "Neomissionaire xenophobie?", "Het boeddhisme (eine Bejahung inmitten von Verneinungen)", "Onmacht der missie", "Prioriteit van het woord Gods", "Beinvloeden. Zonder Proselytisrne", "Zuurdesem en ziel", "Oecumene der godsdiensten". Is dit boek een poging het probleem der religiositeit te verhelderen in gesprek met de religieuze vragen van deze tijd, in de samenvatting van het laatste hoofdstuk geeft de schrijver een diep doordachte visie op "de Kerk onderweg" temidden der andere godsdiensten, een visie welke zich voltooit in Augustinus' prachtige woord over de gelovige en diens "onderweg".

VORMKRACHT EN ONMACHT DER RELIGIE heeft een omvang van 240 bladzijden. De prijs van dit uiterlijk fraai verzorgde boekwerk bedraagt f 11,25; door de auteur gesigneerde exemplaren f 13,75. Het boek is ver­krijgbaar bij UITGAVEN VERBUM HUMANUM, postbus 330, Arnhem, en via de boekhandel.

1) Bedoeld zijn:
    Revisie en Richting (1933)
    Subjectieve Normen (1936)
    Verworpen Christendom (1938)
    Elias van Cortona (1940)
    Guido Gezelle, de andere (1954)
    Voorlopige Motieven (1954)




       Ondergetekende wenst te ontvangen:

       .......... xx ex. Vormkracht en onmacht der religie à f 11,25

       .......... xx ex. idem, gesigneerd door de schrijver    f 13,75



                                    Handtekening



                                    Adres




























terug naar lijst van werken
volgende boek

aangemaakt: 19-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 19-08-2014