Terug naar bronnen over zijn leven
vorige bladzijde



gedoemd van lieverlee, of al heel spoedig, bij mij op de achtergrond te raken, om niet te zeggen in het vergeetboek.
     Mijn jarenlange politieke afzijdigheid had echter andere oorzaken dan enkel mijn afkeer van de politiek die ik in arnhem had opgelopen. Wat mij al heel vroeg, al op de collegebanken, bezighield, beter gezegd obsedeerde (maar toen nog een obsessie in haar jeugdvorm was), was het probleem van de religie, voorts het lot van de mens op deze aarde, inclusief het raadsel van mijn eigen bestaan. Dat alles kwelde, pijnigde mij meer dan de hollandse politiek van die dagen, die trouwens geen enkele jongere aansprak. Mijn religieus geweten en mijn maatschappelijk geweten zochten antwoord op vragen die door geen politiek beantwoord konden worden. Vervolgens was er mijn eigen werk (als "aankomend literator") dat na Arnhem volledig beslag op me legde. Vóór Arnhem had ik niet veel gelezen, maar na Arnhem en door Arnhem kwam daarin een totale verandering. Ik had daar namelijk een opvoering bijgewoond van Strindbergs "Pasen" en dat toneelstuk had zulk een geweldige indruk op me gemaakt dat ik meteen zijn volledige werken aanschafte. En door Strindberg leerde ik Nietzsche kennen, de tegenpool van Strindberg en voor mij in veel opzichten een bevrijding. In diezelfde tijd (vóór 1927 dus) ontdekte, las en verslond ik ook Ibsen en Dostojewsky. In '27 begon ik met de lectuur van de spaanse mystici (Joannes van 't Kruis, Theresia van Avila). Ruusbroec had ik in 1919 proberen te lezen, maar toen begreep ik er na 30, 40 bladzijden geen woord meer van; niettemin hadden die weinige bladzijden een zo sterke indruk op me gemaakt (een geheel onbekende wereld van religiositeit was voor me opengegaan) dat ik vastbesloten was de lectuur van de mystici op een later tijdstip te hernemen. Dat gebeurde in '27, maar toen werden het de Spáánse mystici en Eckhart. Deze figuren raakten veel diepere lagen van de religieuze kant van mijn wezen dan het abstracte denken van Thomas van Aquine die toch vele zaken hielp verhelderen. Intussen hadden zich al enkele denkers aangediend die mij gedurende de dertiger jaren zouden vergezellen en van grote betekenis voor me zouden worden: Unamuno, Max Scheler, Sjestow en Ortega y Gasset, Fr.Heiler en (23 jaar voor het Concilie) "Der Katholizismus, Sein Stirb und Werde" (von katholischen Theologen und Laien).

     Het was tot ver in de dertiger jaren een rijke tijd. Ontdekking volgde op ontdekking. Ik was rustiger en rijper geworden. Ik had afgerekend met het "conventionele" christendom en had reeds (via Suzuki) mijn eerste schreden gezet op de weg naar de religies van het Verre Oosten. In wézen was het "conventionele" christendom voor mij al een voorbije zaak toen ik, bemerkend dat het geen antwoord gaf op de vragen die het leven mij voorlegde, me in '22 in het evangelie begon te verdiepen = het woord van zijn Urheber. Toen werd mij duidelijk dat de ons vertrouwde vorm van "christelijk leven" een verdwazing en aftakeling was en in zijn oorspronkelijke eenvoud en ernst hersteld moest worden. Een sublieme poging in die richting scheen mij Franciscus. Maar goed, dat doet hier niet ter zake. - -duidelijk zal zijn dat er in die jaren van mijn innerlijke evolutie en vorming eenvoudig geen plááts was voor het politieke leven van ons land. Daarvan ging totaal niets uit, niets dat mijn belangstelling kon wekken naast de dingen die mij zo intens bezighielden. Het "gelijk" of gebalk van de "meerderheid" zei mij niets. In mijn oog was democratie niet regeren door het volk maar: regeren voor en in dienst van het volk. De vooroorlogse democratie was echter een kwestie gebleken van: hoe bespeel je de massa, hoe krijg je een van niets wetende massa op je hand = hoe pleeg je demagogie. Het grauwe politieke geharrewar der partijen onderling, elke partij met zijn eigen "ideologie" en elk in het bezit van de enige reddende waarheid, liet geen andere keus over dan het bedrijven van demagogie, en zulks omwille van de stembusuitslag: hét grote partijbelang. Wat die strijd van allen tegen allen aan positiefs kon opleveren, was een beetje lapwerk waaronder de grote vraagstukken aan het oog onttrokken werden, en waarvan de arbeiders en de middenstand de dupe werden. De enige "partij" die bij die innerlijke verdeeldheid (of verscheurdheid) van het volk en de lamlendigheid en machteloosheid van de toenmalige democratie belang had, was de plutocratie! Die gedijde, kreeg vrij spel en benutte de kansen van het "verdeel en heers" waaraan de democratie zichzelf had uitgeleverd. Men zou dus beter hebben kunnen spreken van plutodemocratie of plutocratendemocratie. - De belangen van het volk zouden pas na de tweede wereldoorlog ernstiger aandacht krijgen; toén pas - in de jaren 45-48 - erkende men ook dat de vooroorlogse democratie grondig gefaald had; en met de beste voornemens bezield ging men aan het werk, - om vandaag, verwoeder dan ooit, opnieuw tegenover elkaar te staan.



2
























volgende bladzijde

laatste aanpassing: 16-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
aangemaakt: 16-08-2008