Terug naar menu autobiografische teksten


Henri Bruning in een brief (1974) over Auschwitz

       U spreekt van "vergooid idealisme". Wat zal ik - autobiografisch gesproken! maar niet alleen autobiografisch - daarvan zeggen. "Wij hebben wel een taak, maar geen functie".79 Dit levensgevoel dateert van veel? veel vroeger dan toen ik dit zinnetje (vóór de oorlog) opschreef en uitwerkte, en het is me mijn leven lang bijgebleven. Dat komt niet omdat ik me 'n onbegrepen genie zou voelen, het is datgene wat ik bij iedere mens waarneem en iedere mens in staat is bij zichzelf waar te nemen (als hij in staat is zijn oogkleppen af te doen). Je mag al blij zijn als je bemerkt dat ergens 'n paar woorden van je weerklank hebben gevonden. Dat is nu niet bepaald een resultaat waarvan je opleeft, laat staan leeft. Ik leef van woorden die in mij weerklank hebben gevonden. Onder andere dáárdoor werk je verder aan datgene waarvan je veronderstelt dat het je opdracht is. - Ik geloof ook dat men onderscheid moet maken tussen kunstenaars (e.d.) die bij de politieke strijd betrokken raken en de rest. Kunstenaars verliezen niet zo heel veel of verliezen niet alles als zij hun politiek ideaal verliezen. Zij léven van andere zaken of, binnen hun politieke betrokkenheid, nog een andere, hun eigen wereld. Ik geloof dat iedere kunstenaar zich op elk moment dat hij zich politiek inzet en volstrekt inzet, zich bewust blijft van het betrekkelijke waarvoor hij zich inzet. De wond van het verlies kan wel diep zijn, maar niet dodelijk. Hij, de mens, geneest weer, en werkt verder. - Iets anders, moeilijker te verwerken, is, dat men dit "vergooide idealisme" (als ik de eerste 8 jaar na de oorlog niet meereken) twintig jaar lang steeds verwoeder en vernederender heeft bevuild en ontluisterd, dat men erop heeft staan dansen en trappen tot de mens in de idealist totaal vernield was. Dat houdt me niet bezig wegens mijn "idealisme", maar wegens die talloze jonge idealisten, gewone jongens die oprecht in een ideaal geloofden, die die stroom van vuil niet hebben kunnen verwerken, die zich niet konden verdedigen, zichzelf niet meer begrepen, zichzelf - uitgemaakt voor rapalje en uitvaagsel - niet meer herkenden, voor zichzelf wegscholen en op de een of andere manier een veilig onderkomen moesten zoeken, burgerman werden, of cynisch, of vol haat, of keiharde geldmakers en dit als enige mogelijkheid om zich overeind te houden, ook tegenover hun eigen kinderen die hen voor onbegrijpelijke idioten, halfzachten, imbecielen moesten gaan houden. Ik verwijt dit niemand. Het is geen tegen-beschuldiging. Het is de sinistere gang van de geschiedenis en haar onvermijdelijkheden. De laatste en diepste oorzaak is Auschwitz dat U deed schrijven: "en al ben ik van 39: ik moet en zal iets met Auschwitz te maken hebben", het Auschwitz waarover Jochanan Bloch p. 7 van zijn Judentum in der Krise schreef, het zinsverbijsterend gegeven van zes miljoen vernederde, mishandelde, uitgehongerde en tenslotte vergaste joden. "Het is treurig maar zal nooit veranderen", voegt U eraan toe. Dat geldt voor U zowel als (maar anders) voor mij (of "ons"). Ik geloof dan ook dat we van Auschwitz moeten uitgaan, niet om Auschwitz te verklaren, maar om enig licht te werpen op wat ik hierboven schreef en dat zijn oorsprong vond in wat men genoemd heeft onze medeplichtigheid, of minstens onze medeverantwoordelijkheid.

       U bent van '39 d.w.z. U ziet vanuit Auschwitz (het nu gekende) terug op het fascisme; voor U zijn Auschwitz en fascisme onverbrekelijk met elkaar verbonden, onverbrekelijk één. Maar voor ons heeft het fascisme 10, 20 jaar d.w.z. een hele jeugd lang bestaan zónder Auschwitz. Het wás er eenvoudig niet en kon ook niet worden voorzien. Men kán niet voorzien wat nog vandaag onbegrijpelijk is, "ausserhalb der historischen Kategorien steht" (Bloch). En toen geruchten daarover begonnen door te dringen, tijdens de oorlog, kónden we het ook niet gelóven (om redenen die ik dadelijk zal noemen) en geloofde de tegenpartij ver beneden de wérkelijkheid van Auschwitz, niet alleen omdat die pas na de oorlog volledig bekend werd, maar vooral omdat die werkelijkheid, "ausserhalb der historischen Kategorien" staande, het normale menselijke voorstellings- en bevattingsvermogen ten enenmale te boven ging. Dat verklaart ook (ten dele) waarom het nederlandse volk niet adequaat heeft gereageerd, - reden waarom de joden de nederlanders lange tijd - geheel ten onrechte overigens - lafheid hebben verweten. Maar afgezien van het onbevattelijke, wij geloofden het niet omdat er voor ons geen enkele reden was de tegenpartij te geloven (de duitsers zelf deden er vanzelfsprekend geen mededeling van). De geruchten van de tegenpartij (dat was wederzijds zo) waren so wie so ongeloofwaardig. De meest dolzinnige geruchten werden geloofd, niet door éen partij, maar door beide. Men klemde zich vast aan alles wat de spoedige ondergang van de andere partij in het vooruitzicht scheen te stellen, en aan alles wat de tegenpartij voor de een tot een klootjesvolk, voor de ander tot een troep misdadigers maakte. Men geloofde wat in het belang van de eigen partij was of waarmee men zich in de verschrikkingen, spanningen en onzekerheden van die tijd overeind hield. Gelooft U, dat Zwart Front zijn sinistere antisemitische spotprenten zou hebben gepubliceerd als het weet had gehad of geloofd had wat er in feite aan de hand was? Ik heb het ook niet geloofd, sterker nog, ik heb het eens - iedereen was in die tijd dadelijk over zijn toeren in dergelijke gevallen - honend en sarcastisch opzijgeschoven toen er eens iemand over begon. Je kon zo nu en dan wel denken: om die en die reden zouden de Duitsers joden kunnen vergassen (joden die in het verzet waren geweest of om een andere reden, - maar waarom vergássen), maar niet dat ze bezig waren een heel volk te vergassen. Ik vond al het woord "gaskámer" een reden om er niets van te geloven. Nog op het eind van de oorlog maakte ik iets mee dat het hele gerucht leek te logenstraffen. Thans zijn er al hele generaties opgegroeid die vanuit Auschwitz op het fascisme terugzien, voor wie fascisme en Auschwitz een en hetzelfde zijn; die alles van het fascisme interpreteren vanuit Auschwitz of daarmee in overeenstemming brengen; het is nooit iets anders geweest (ook in zijn vroegere jaren) dan een voorspel op Auschwitz. Daar moest het krachtens zijn wezen op uitlopen. - Vanzelfsprekend dan dat de haat in de loop der jaren moest toenemen. Voor U is het anders. U koestert dat gevoelen niet, zo heb ik begrepen. Auschwitz verbijstert U. Dat doet het ook mij. Als je erover gaat nadenken, het brein dat op dát denkbeeld kwam, de man die de oven ontwierp (misschien maanden lang perfectioneerde), het in werking stellen ervan, het erheen brengen van de joden, het opsluiten, het wegslepen erna van de lijken die bij opening naar buiten vielen, de verbrandingsovens, de stank daarvan, en dat alles enkele jaren lang, in een eindeloze herhaling, dan heb je al het gevoel dat je krankzinnig gaat worden. Hoe hebben die mensen dat kunnen volhouden zónder het te worden; of zonder dat het enige menselijke reactie in hen opriep. Als het dieren waren geweest zou dat volgehouden vermoorden al nauwelijks te begrijpen zijn. Dit laat zich niet verklaren met woorden als antisemitisme, racisme, nationaal-socialisme, ook niet met vijandschappen die door de joden zelf zouden zijn opgeroepen. Misschien met de waanzinnige wraakzucht van de verliezer die - laten we het even zo stellen - zijn levenswerk, zijn volk een nieuwe toekomst te geven, zag instorten door een oorlog die hijzelf begon en zich toen wierp op de enige vijand die hij nog kon vernietigen; maar ook dat is nauwelijks een antwoord. Te velen zijn er bij betrokken geweest. Men kan beestachtigheden bedrijven als het uitroeien van de katharen; dat gebeurt dan door de uitvoerders in "heilige" "woede" (of uit moordlust) en is met een paar maanden gebeurd, men komt niet tot bezinning, er is geen tijd voor. Maar Auschwitz heeft jaren geduurd. Ik kom er niet uit. Auschwitz is iets totaal anders geweest dan een exces (daar bestaan woorden voor als antisemitisme, racisme e.d.). Excessen heb ik wel gevreesd, al voor de oorlog, maar iets als Auschwitz, ik zei het al, kon men niet voorzien.
































Terug naar menu autobiografische teksten
vervolg



aangemaakt: 04-04-2017 Copyright © 2017 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 04-04-2017