overige onder-schikt, denkt hiërarchisch. De vraag is dan alleen maar: denkt hij hiërarchisch-zuiver. Dit nu moet ik ontkennen bij hem, die het sociale primair stelt. Primair is altijd de innerlijke vrijheid van den mensch. Dit is het hoogste doel van het menschelijk leven en ook het hoogste doel en het essentieele van al die groote historische transformaties, welke wij revoluties plegen te noemen. Aan dit hoogste goed is alles ondergeschikt, daartoe dient alles een voorwaarde te zijn. De godsdient, de staat, de maatschappij, de cultur, kortom, het geheele samenleven der menschen dient tot niets anders dan dit hoogste goed, de innerlijke vrijheid van den mensch te helpen verwerkelijken. En een revolutie die het totaal des levens fundamenteel vernieuwt, wil dan ook niets anders dan juist een nieuwen mensch, een nieuwen vrijen mensch; daarom, en als daaraan dienstbaar, wil zij het totaal des levens, zijn vormen, verhoudingen en dragende ideeën vernieuwen.
Omdat de mensch, omdat diens innerlijke vrijheid het hoogste doel van het leven en dus ook het hoogste doel eener revolutie is, daarom staat, waar wij spreken over de dingen van het natuurlijke gemeenschapsleven, het volk en het ras — als de gegeven en natuurlijke orde-eenheid en de vóór alles te behoeden bron van alle zedelijk-geestelijke krachten — het eerste in onze liefde. Daarna volgt de Staat of het Rijk — als de hoogste orde-eenheid op het gebied van die te scheppen gemeenschapsordening, en is de maatschappelijke orde — als één der voorwaarden die noodig zijn voor het menschelijk heil — de derde in onze liefde.
Overigens is dit alles geen kwestie van hiërarchisch denken: het is terugkeeren tot de natuurlijke rangorde van het léven, — een orde welke verstoord wordt, anti-vitaal meer nog dan anti-hiërarchisch verstoord, wanneer men het sociale primair stelt. Dit laatste is zelfs zoo weinig primair, dat men gerust kan zeggen, dat, wanneer het maatschappelijk récht is hersteld, het eigenlijke werk (en misschien ook wel de eigenlijke onvrede) eerst begint. De mensch eischt iets beters en meer; hij eischt vóór alles zijn innerlijke vrijheid op als het eenig mensch-waardige. Niet slechts het staan op de levensbasis van het maatschappelijk recht, maar een diep-geworteld staan in zijn natuurlijk geestelijke eigenheid en vrijheid bevredigt den mensch als mensch. Hij wil zich niet redden als maatschappelijk, maar hij wil zich realiseeren als scheppend wezen. Zoo ook een volk, en zoo ook een ras. Deze wil beweegt de revolutie, beweegt élke revolutie zoodra zij, na alle partieele doelstellingen waaruit zij geleidelijk geboren werd, eindelijk zichzelf is geworden: haar centrum en zenith heeft bereikt.
Neen, ik tel het maatschappelijk onrecht niet licht en ik spreek er niet over als een blijmoedig-wijsgeerig buitenstaander. Ik ken de zure tragiek, de sinistere vernederingen, de grauwe pijnen van hen die daarvan het slachtoffer werden; ik weet wat het vernielt (en op afgrijselijke wijze vernielt) zelfs in die van nature weerbaren voor wie maatschappelijke welstand au fond niets beteekent, eenvoudig omdat die welstand — of hij nu groot is of-klein — niets wezenlijks in hen zou bevredigen; en ik ken ook de (vaak onherstelbare) misdaad aan de geestelijk en materieel weerloozen door het maatschappelijk onrecht,bedreven. Men behoeft niet helderziend te zijn om die misdaad te peilen. En desondanks weiger ik het maatschappelijke primair te stellen. Want zelfs daar waar het maatschappelijk onrecht onze woede, onze verontwaardiging en onzen haat oproept, is dit niet allereerst om het maatschappelijk onrecht, maar omdat dit onrecht in zoo talloozen den mensch als mensch vernielt, ontwricht, hem zedelijk en geestelijk ont-adelt, omdat het hem nooit aan zijn menschelijke mogelijkheden doet toekomen, omdat hij ergens diep onder het niveau van zijn mogelijkheden als mensch te gronde gaat. De verontwaardiging en haat, door het maatschappelijke onrecht gewekt, is een veel diepere en essentieelere dan enkel een sociale verontwaardiging.
Was de maatschappelijke verontwaardiging de diepste, dan zou een orde, die géén maatschappelijke verontwaardiging oproept, den mensch ook geheel of in zijn diepste wezen bevrédigen: maar er is zeer wel een maatschappelijke orde denkbaar, die geen enkele sociale verontwaardiging oproept en die toch tegelijk een dermate diepen afschuw opwekt, dat men dengene gelijk geeft, die ten overstaan van die orde zegt: „dan nog liever crepeeren, dat was dan toch in ieder geval nog een ietsje minder mensch-onteerend."
En wat zou het schokkendste zijn bij een Duitsche nederlaag? Dat dan een maatschappelijke orde voorgoed of voor zeer langen tijd vernield wordt? Of dat een groot, scheppend volk voorgoed wordt weggevaagd?
En wat zou het schoonste zijn bij een Duitsche overwinning? Dat dan maatschappelijk recht geschiedt? Of dat dan eindelijk een schoon en scheppend volk, een schoon en scheppend ras eindelijk zichzelf wordt en dan, behalve het maatschappelijk recht, dingen zal tot stand brengen die vele malen schooner zijn dan maatschappelijk recht?

Mijn oppenent besluit zijn eerste beschouwing met de opmerking: „De gedachte aan den socialen nood wordt, wijsgeerig, maar met het gevaar van letterlijkheid, opgeheven. ln een andere bekommering, de bekommering over volk en land. De vraag is nu maar, of dát de juiste gedachtenbeweging is en of
















aangemaakt: 05-12-2010 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 24-12-2011