wij onszelf worden, „onszelf ontplooien en waar maken”; een kracht diep in onszelf wil zulks — op dezelfde wijze als niet de zon wil dat hét zaad bloem wordt, maar het zaad-zelf. Die kracht is zoo onaflaatbaar-werkzaam, zoo allesoverheerschend en listig tegelijk, dat zij alle gebeurtenissen, welke dan ook, gebruikt en benut om zichzelf vrij te maken in ons; „alle gebeurtenissen” ook in dien zin, dat, had die kracht geheel andere gebeurtenissen ontmoet, zij zich ook aan de hand daarvan en precies zoo zou hebben bevrijd d.w.z. den mensch van alles wat waan, verleugening etc. aan hem is zou hebben ont-daan. Dit zich ont-doen is de ziel, is onszelf bevrijden. Niét de gebeurtenissen vertoonen logica en zin en noodwendigheid (waardoor men er een buiten-menschelijken wil in veronderstellen gaat): ons diepste zelf ontwikkelt (bevrijdt) zich logisch d.i. geleidelijk, hoe toevallig en willekeurig de gebeurtenissen om haar heen ook zijn: uit elke gebeurtenis puurt het voor haar op dat moment noodige. Men begrijpt datgene waarvoor men rijp is, en datgene waarvoor men rijp werd, vindt men ook, d.w.z. dat laat het leven in ons rijp worden. Alle gebeurtenissen werken die logische en geleidelijke zelfbevrijding in de hand, en daarom schijnen de gebeurtenissen logisch, als het ware door een hoogeren wil bestierd, door een hoogere macht gewild en tot ons gevoerd; maar de eenige logica is de logica der geleidelijke zelfbevrijding, de eenige logica ligt in óns, in de zelfwerkzaamheid van ons levensbeginsel, van onze ziel. Of anders gezegd: het is niet zoo, dat de grond korrel na korrel vaneenwijkt om het uitbrekende kiempje door te laten, niet de grond vertoont de logica van het telkens iets hooger plaatsvindend uiteenwijken; het is het logisch en geleidelijk zich uit zichzelf ontwikkelend kiempje dat .laagje na laagje, den grond vaneen splijt. De zandkorrels nu mogen zus liggen of zoo liggen, en er mogen ook geheel andere korrels boven op het zaadje liggen, de kiem breekt er doorheen en komt naar boven, naar het licht, want dit gedreven worden naar het licht om er, bloem te worden, is zijn wezen, en de eenige, alles beslissende logica en wet. Er is, zoo wil ik concludeeren, zoo weinig buiten-aardsch of boven-persoonlijk in dit, ons leven.
Gaat men nu uit van „het lot”, als scheppend beginsel, dan komt men, gelijk Huebner, tot een overgave aan de gebeurtenissen, alsof dié ons leiden, tot het afwachten van „een stem”, het verwachten van een bovenaardsche inmenging, een zich laten drijven door een wil buiten ons — met als gevolg daarvan: een ondermijnen van den eigen wil; terwijl wij in het andere geval (dus het scheppend beginsel in onszelf situeerend) wél het geheele leven zooals het tot ons komt aanvaarden, volledig en dankbaar aanvaarden, echter niet opdat het óns beheersche, doch als het groote gevecht waardoor wij onze menschelijke bestemming (die noodzakelijk in dat leven ligt) vinden moeten, als de groote, durende confrontatie welke wij benutten moeten om ons van alles wat in ons leven leugenachtig of verleugend is te ontdoen en tot den waren zin van het leven en tot den waren zin van onszelf te geraken en aldus „onszelf” te worden. Dit brengt mee, i.p.v. een mogelijke ondermijning, van den wil en een overgave aan de gebeurtenissen, een voortdurend geactiveerden en hooggespannen wil, een waaksch, steeds . waakscher en helderder beheerschen der gebeur-

(Vervolg op pag. 1220 onderaan)


1) Uitgave L. J. C. Boucher, ’s Gravenhage, 1937. De uitstekende vertaling van dit werkje werd verzorgd door Aletta Meijer.
2) Verlag Gotthard Peschko, Darmstadt, 1942.
3) Idylle in Heidelberg, Zuid-Hollandsche Uitgevers maatschappij, Den Haag, z.j.
Victoria en haar Spiegelbeeld, Zuid-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, Den Haag, z.j.
Satan im Tulpenfeld, ein Roman unter Holländern, Kurt Wolff Verlag, Berlin, z.j.

















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 12-07-2012