zich bevindt. Uit deze tegenstelling, die hij als scherpzinnig en gevoelig mensch helder en elk oogenblik en als het ware aan den lijve ervaart, uit het bewustzijn ook van zijn persoonlijke onmacht deze tegenstelling te beslechten, is zijn haat, zijn wreken, zijn gejudas, zijn verontrusten en opjagen, heel dat paroxisme van gif en venijn verklaarbaar. De reactie van den voornamen mensch is, in meneer Visser, negatief. Hij is als een schoone bloem, waarvan de kelk zich niet openvouwde doch integendeel naar binnen omkrulde tot een duistere, weerbarstige prop; doch men behoeft slechts — met eenige liefde voor het redelijke en schoone verlangen dat hier vernederd werd — men behoeft de kelkblaadjes slechts open te vouwen en open te strijken om de vorm-noblesse, de beschadigde vorm-noblesse dér blaadjes te aanschouwen en te beseffen, dat hier iets zeer edels te gronde ging.
Meneer Visser (neen, ik verdedig hier geen boek — ge kunt het stellig zonder schade ongelezen laten — ik bespreek slechts een levensverschijnsel), meneer Visser is een persoonlijkheid die negatief reageerde; hij is Vestdijk’s negatieve reactie op de wereld rondom, negatief tot de giftigste en onredelijkste ... redelijkheid, tot den meest consequenten haat en verdelgingswoede. Hij heeft met die bigotte wereld om hem heen niets gemeen en hij wil er ook niets gemeen mee hebben. Zijn houding tegenover die wereld om hem heen, tegenover die wereld welke zelfs in haar zg. „goedheid” nog abominabel is en tegenover dat abominabele nog volmaakt weerloos staat, zijn houding is die van volstrekt afwijzen en verwerpen. Dit afwijzen verbindt Vestdijk met figuren als Slauerhoff en A. Roland Holst; het verbindt hem ook met al degenen eener vorige generatie van welke Ortega y Gasset Schreef: „Dit niet meer weten van herwaarts of derwaarts te gaan, is de innerlijke toestand waarin zich de beste jongeren der wereld bevinden.” Dit volstrekt afwijzen van een samenleving, waarmede wij ons niet mógen vergemeenzamen, deed Maurice Roelants eens schrijven: „Verwijt de dichters niet dat zij out-laws geworden waren, — het is veelal hunne en onze waardigheid geweest, hun vurig verzet”; het verzet, voeg ik er aan toe, hetzelfde verzet, dat ook als één element ten grondslag ligt aan de wereld-revolutie welke wij heden ten dage beleven. In meneer Visser echter voltrekt zich het drama, waarvoor reeds Nietzsche waarschuwde in zijn Also Sprach Zarathustra toen hij schreef dat een voornaam en scheppend mensch niet slechts het gevaar bedreigt dat hij een „goed” mensch wordt, d.w.z. een braaf, ongevaarlijk, alom gewaardeerd want berustend en dus anti-scheppend mensch, het gevaar, dat hij zijn hoogste opdracht, n.l. een stuwer te zijn naar nieuwe waarden, een verontruster en bouwer, gaat vreezen en verachten, maar dat hij „ein Frecher, ein Höhnender, ein Vernichter” wordt. Dat is het drama, het door Nietzsche voortdurend gevreesde en voortdurend geconstateerde drama van den voornamen mensch, den mensch van stijl, den mensch uit één stuk. En het is dit drama, dat hier in Holland in Vestdijk zijn verste consequentie vond: tot de eigen menschelijke zelfvernietiging toe, dus tot de klaarblijkelijk geworden onhoudbaarheid van die levenshouding. Het is dan ook niet te verwonderen, dat sedert dit avontuur van den haat andere accenten in Vestdijk’s werk zijn gaan doorklinken, accenten die op een milder levenshouding wijzen, op een groei naar een eenvoudige menschelijke goedheid die veel vergeeft en veel wil vergeten.


Gelijk ik zei: stijl veronderstelt allereerst een persoonlijke én voorname (dit is gevoelige en heldere) reactie op de wereld rondom, op de wereld van feiten, menschen, begrippen, waarden en onwaarden. Meneer Visser reageerde als een voornaam mensch (vanuit het besef der menschelijke waardigheid), doch hij reageerde negatief. Hij reageerde vanuit een instinct dat


















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 16-07-2012