vonden heeft. Daaraan zullen alle volken noodwendig en met den inzet hunner edelste mogelijkheden medewerken. Daarom ook zal het cultureel bereiken in niets gelijken op een „toegiftje”, een plaisant „eereboogje”, doch integendeel bittere en schoone (schoonste) innerlijke noodzakelijkheid zijn, het resultaat van een wedstrijd die bepalend is voor het zijn der volken en voor het zijn van Europa, een wedstrijd waarbij het edelste waarover de volken beschikken wordt ingezet en waarin cultuur-gruttertjes en cultuur-nihilisten uiteraard van geen tel zijn.
Stellig zal, is de oorlog eenmaal beëindigd, het zwaartepunt zich steeds meer verleggen naar den strijd om een cultureele synthese. Zulks is onafwijsbare noodzakelijkheid. — Politiek, economisch, staatkundig heeft Duitschland het beslissende en verlossende woord reeds gesproken: het is zich ervan bewust dat het — in zijn eeuwenlangen strijd tegen de anti-krachten gerijpt (en niet vernietigd!) — ook cultureel leidend, hét leidende volk, moet en ook kan zijn; het is zich ervan bewust dat het, eeuwenlang strijdend tegen de anti-krachten en dezen thans overwinnend, niet slechts zijn eigen probleem, maar ook een groot deel van Europa’s cultureele problematiek overwinnende was (en is). Gelijk thans (en voorheen) op militair, sociaal-economisch en staatkundig terrein zal het in de toekomst op cultureel gebied het niveau zoo hoog mogelijk opvoeren. Zulks is het verplicht aan zijn verleden en aan zijn toekomst, zulks is ook noodzakelijk ten overstaan van den cultuur-wil, het cultuur-streven der overige Europeesche volken. Deze volken, zelve komende uit velerlei cultuur-problemen en velerlei beproevingen, zullen weldra en diep verstaan, dat Duitschland, strijdend om zijn eigen problemen te overwinnen, ook een groot deel van Europa’s cultureele problematiek heeft overwonnen d.w.z. goeddeels ook hun eigene!! — Wat ligt dan meer voor de hand dan de wil tot diepere gemeenschap, tot gemeenschappelijk opwaartsstreven.

Maar wij dan? Wij, die onszelf geïsoleerd hebben — ook in een cultureele idylle? Wij, die uit een idylle kwamen, wij alléén, van alle volkeren van Europa? Wij, die reeds eeuwen staan buiten het eigenlijke cultureele dispuut — het hooge en vehemènte twistgesprek — dat in Europa aan de orde was? Wij, die slechts als intelligente toeschouwers, en ter demonstratie van onze intelligentie, van onze belangstelling blijk gaven? Wij, die het minst van alle volken op een strijd rond de diepere levensproblemen zijn voorbereid? Geen wil tot zelfbehoud, geen wil tot zelfbevestiging heeft ons gedwongen naar het zwaard van den geest te grijpen. Geen eeuwenlange nood en (derhalve) geen eeuwenlang gescherpte realiteitszin hebben ons („realisten”) met de wérkelijkheid der feiten, met de grimmige problematiek achter de feiten in aanraking gebracht. De vragen, die de Europeesche cultuur heeft opgeroepen zijn reeds lang niet meer ónze vragen, en het antwoord — dat zich thans formuleerende is — gaat voor een groot deel langs ons heen. Terwijl wij politiek en economisch scheppend werk verrichten, staan wij, op cultureel terrein, tusschen de volken van Europa, als de meest berooiden; staan wij, als de éénigen, wildvreemd en kinderlijk onhandig in het groote geestelijk avontuur dat Europa in beroering bracht; staan wij, cultureel, cultureel vooral, zeer beneden het niveau der huidige revolutie. Terwijl bij de overige volken de voorwaarde aanwezig is om dit niveau te betreden, omdat hun verleden het probleem en ook velerlei ellenden kende, bedreigt ons het bittere gevolg van het feit, dat ons verleden idylle was, nl. een cultureel niet-begrijpen; cultureele onvruchtbaarheid. De eeuwen zijn over ons heengegaan en we hebben ze over ons laten heengaan, want we hadden het goed, we zaten ruim in het geld en we zaten loge, alsmaar en breed-uit loge tijdens de vele bedrijven van Europa’s cultureele worstelingen. Thans doen wij na, wij praten na, ijverig en begeesterd, maar au fond begrijpen wij toch maar zeer matig en dunnetjes hetgeen wij zoo begees-

















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 02-02-2012