politiek en economisch leven verstoort, doch de overige, niet minder reëele aspecten van dit eeuwen-oude probleem laten ons onberoerd. Etc. Deze houding is het resultaat van een idylle waarin wij geen cultuur probleem, hoogstens, en te langen leste een economisch en politiek probleem leefden. Dat in dezen tijd, dat in de synthese die de jonge volken van Europa veroveren, cultuur-problemen van ééuwen worden uitgevochten en hun beslissing naderen, ontgaat niet alleen de idylle-menschen, het ontgaat ook velen die met inzet van hun geheele persoon voor een nieuwe Europeesche orde strijden. De langdurige idylle, waaruit hen eerst een economische en politieke ontreddering deed ontwaken, heeft ook hen aan het probleem der Europeesche cultuur voorbij gevoerd; en diezelfde idylle heeft hen ook vreemden gemaakt ten overstaan van het antwoord dat de huidige tijd inluidt. Ook hén heeft de nieuwe tijd ten deele onvoorbereid gevonden. Ook in hén heeft zich de idylle gewroken.

Deze ontwikkeling moge begrijpelijk zijn, en hachelijk, zij is slechts verontrustend, doch dan zéér verontrustend, als wij ons deze ontwikkeling, die een pijnlijken cultureelen achterstand inhoudt, niet bewust durven zijn. Een noodlot is slechts gevaarlijk (doch dan zéér gevaarlijk), als wij weigeren ons van zijn aanwezigheid rekenschap te geven.
Slechts bij zeer weinigen zijn, door eigen nood, door eigen, gekweld besef van Europas cultuur- nood, de nieuwe cultuur-waarden van het jonge Europa tot een geestelijk eigendom geworden: onvervreemdbaar en scheppend eigen-leven. Sociaal-economisch en politiek leven wij op het niveau der Europeesche revolutie, doch cultureel bleven wij er onder; cultureel bleven wij, voor het meerendeel, vreemden en onmondïgen; cultureel werden wij, op zijn best, belangstellende en leergierige toeschouwers, dankbare (en ietwat onhandige) ontvangenden, — niet schéppenden. Onze cultureele prestaties vertegenwoordigen een verontrustenden achterstand bij onze politieke en economische, en een nog verontrustender bij de cultureele prestaties elders. Het verontrustende van deze situatie dringt te nadrukkelijker tot ons door als wij ons rekenschap geven van Europa’s toestand nà den oorlog.
Reeds uitentreure werd herhaald, dat de onderlinge verhouding der Europeesche volken in de toekomst een totaal ander beeld zal opleveren dan in het verleden, doch één aspect van deze gewijzigde verhouding heeft, men m.i. te zeer toch verwaarloosd. Over die komende veranderingen sprekend, dachten wij steeds vóór alles aan een ingrijpende staatkundige en economische revisie. Inderdaad, deze revisie zal haar beslag krijgen. Doch er is geen levend en scheppend Europeesch volkeren-leven denkbaar zonder een wedloop der Europeesche volkeren onderling. Het is deze wedloop, die de creatieve krachten activeert en tot ontwikkeling brengt. Tot dusver betrof deze wedloop een roofzuchtigen, moordenden en verdeelenden handelsstrijd (met al de imperialistische gevolgen van dien op de gebieden der binnenlandsche, buitenlandsche en koloniale politiek). Deze destructieve wedloop (destructief ondanks allen „vooruitgang” die er het gevolg van was) zal in een door de jonge volken gereorganiseerd en gepacificeerd continent definitief voorbij zijn, gelukkig! want hij heeft Europa aan den rand van den ondergang gevoerd. De wedloop echter, die dán Europa’s hoogste creatieve krachten zal activeeren én opeischen betreft het eigen aandeel der verschillende Europeesche volken in de cultureele werkelijkheid van ons continent; hij zal datgene betreffen, eindelijk betreffen, wat de hoogste opgaaf van een volk is, en niét meer, gelijk tot dusver, datgene waartoe lotsverbonden broedervolken zich nooit hadden mogen verlagen: een

















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 02-02-2012