naast het triomfante (aardsche en heidensche) „Lied van Heer Halewijn”, en het elegische:

Egidius, waar bestu bleven?
Mij langt na dij, gezelle mijn;
Du koors die dood, du liets mij ’t leven

    Grandioos en strijdbaar is het Roelantspoëem; rauw en aardsch het „Kerelslied”, „Die Blauwe Schuite”. In het sarcastische hoonen van de Vos Reynaerde, zwakker — braver —in Van Maerlant, en in het trotsche „Verheffing der Boeren” wreekt zich een grievend sociaal onrecht. Daarnaast vindt ge weer de Beatrijs, een beschroomd en aangrijpend stuk geestelijke epiek. Naast de Beatrijs het verfijnd, aphoristisch schertsen, den fonkelenden en borenden geest van Hein van Aken. En dan de dramatiek, hier helaas geheel verwaarloosd, doch die kan bogen op voortbrengselen als Marieken van Nieumegen, Elkerlijk, Die Zevenste Blijschap. En tusschen al deze stemmen, en als een hoogtepunt, de menschelijke en geteisterde stem van zuster Hadewijch, en Ruusbroec, die eveneens een der glories is van den vroegen Dietschen geest. „Zij (die in den gloed der liefde wandelen) moeten wonen in een heet en droog land, dat is in sterken gloed van liefde, en in een groote ongedurigheid”, schreef Ruusbroec, hetzelfde wat Hadewijch ervoer en zoo schoon tot uitdrukking bracht:

Der minnen plegen es ongehoord,
Als hij wel kent, die ’s hevet bekoord.
1)
Want zij in midden den troost testoort,
Hij ne kan geduren
2):
Dien minne geraakt
Hij gesmaakt
Vele ongemoeder uren.

Bij wijlen lief, bij wijlen leed,
Bij wijlen verre, bij wijlen gereed;
Die dit met trouwen van minnen versteet,
Dat es jubileeren:
Hoe minne versleet
Ende ommeveet
In één hanteeren.

    Het menschelijke leven werd op alle niveaux — aardsch zoowel als goddelijk — geleefd, doorleefd, vehement, onvervaard — onmeedoogend vaak ook, én groot.

     Dan, na de middeleeuwen, volgt het tijdperk der renaissance. Wij worden herinnerd (te vluchtig, gelijk ik zeide) aan gestalten als Erasmus, Anna Bijns, Revius; aan het agressief, bijtend-afwijzend „liedeken” van Weynken Claesdochter — resonans van een wereld van revolteerende gevoelens (men vergelijke Erasmus’ brief over Luther):

Dus liefelijk ontslapen
Is Wendelmoe in den Heer
Maar monniken en papen,
Die naar ’t Christenbloed gapen
Verzaad worden zij nimmermeer.

    Wij lezen, opnieuw, en opnieuw ontroerd, ons Wilhelmus, deze onsterfelijke belijdenis van tegelijk vromen en soldatesken levens- d.i. zelfstandigheidswil. Een aangrijpend-sobere illustratie van dezen levensmoed (d.i. ook stérvensmoed) aanschouwen wij in het fragment, hier opgenomen, van Hoofts Historiën, het sterven beschrijvend van de graven van Egmondt en Hoorne — wellicht een der schoonste bladzijden van onze Dietsche letterkunde. Wij zien hoe in hem, Hooft, ook het minnelied der middeleeuwen, doch met verfijnder wendingen thans, wordt voortgezet; hoe in Vondel als het ware alle stralen van het leven samenkomen en met hem een gestalte opstaat, wiens machtige geest hemel en aarde te omvademen schijnt. Naast hem de vrome en vervoerde desperado Bredero; Huygens, met zijn steeds weer het bloed sneller stuwende „Scheepspraet”; Michiel de Swaen’s „Mocht ik eens met Petrus weenen”, en tenslotte de gevoelig mystieke, zachtmoedige Jan Luyken. En wij zijn met een tweede tijdperk, een tweede hoogtepunt van Dietsche „goede letteren”, van Dietschen geestesrijkdom — zij het van verre — in aanraking geweest.


EEN periode van inzinking en stilstand volgt. De stemmen worden bescheidener; de vermetelheid van voorgaande eeuwen, begonnen met „Aloeëtte, vogel klein” en eindigend met Bredero, Rembrandt, Seghers


1) die onder haar invloed is gekomen.
2) en omdat zij temidden van geluk leed brengt, kan hij niet gelijkmatig zijn.

„DE WAAG”, 13 FEBR. 1941
















aangemaakt: 19-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 22-01-2012