vorige kolom

    vorige kolom We hebben iemand verlaten waarvan we hielden om zijn naieve, beminnelike argeloosheid, zijn stuntelige hulpeloosheid in het droeve, donkere, harde leven — en in onze afwezigheid ontdekte de persoon, drong, als door een plotseling toeval, tot hem door dat hij beminnelik was en wat hem zo beminnelik maakte. Als we hem terugzien vinden we het vroegere weer, maar nu gespeeld, nu bewust, nu uitgebuit. Maar helaas, die éne veroverende nuanse, die laatste nuanse van onbevangenheid en onbewustheid is weggeslagen, die vinden we niet meer terug, daar is een onherstelbare leemte — en met deze leemte is alles verdwenen. Passief en vervreemd, pijnlik verwonderd en zeer teleurgesteld volgen we deze nieuwe, ons vreemde, in zijn schoonste eigenschappen verminkte mens.
    Zo ongeveer met Charlie; zo ongeveer is de uitwerking van Charlie’s journal van al zijn charmes, die nu geen charmes meer zijn....
    Zijn spel, de détails zijn ook niet meer verzorgd; snel, beslissend, in een oogwenk voltrokken en verdwenen, gespannen, en trillend als een veer — zo schoten in vroegere films de gebeurtenissen voorbij; hier zijn ze tot in het eindeloze uitgebierd en verwaterd. Ik behoef alleen maar te herinneren aan die verkaaide vondst van het spiegel-kabinet in het lach-huis. Wat was er van dit prachtig gegeven, een verflitsend moment van paniese schrik, niet te maken geweest, en het is niets geworden: geforceerd naar het grof-komiese effekt en tot driemaal toe herhaald gevoelt men nauweliks lust tot lachen.
    Men heeft bij de premiere te Weenen de verandering die er in Chaplin had plaats gegrepen vagelik waargenomen. En een criticus trachtte het te verklaren door een anders zijn ingesteld op de werkelikheid: een andere, meer nuchtere Charlie — een Charlie met beide-benen-op-den-grond, stond vóór ons. Maar daar is geen sprake van. Er is hier alleen sprake van een leeg, ontzenuwd spel, een bijna gesloopte aktiviteit, een vervreemd en afwezig tasten met een enkele maal oogenblikkelike nerveuze opflitsingen en kortstondig grijpen — en dan waar het troosteloos verder-filmen en uitstallen van scenetjes waarin Charlie eenmaal zoveel bereikte — vroeger, vooral, voor zich zelf, nu, voor al voor het publiek... dat uitgelaten lacht!
    Maar even voor het einde gebeurt het Wonder. Toch nog. Charlie zit op een kist, voorover gebogen, groot nabij. Aan zijn voeten ligt de papieren ster van de koepel waar het circus-meisje met een ruwe smak doorheen gesmeten werd. En plotseling uit zijn verlaten, gewonde mijmeren opziend, bemerkt hij deze gescheurde ster....
    Even later zien we hem, ver en klein en stil, een donker roerloos figuurtje, en langs hem rijden de kermis-wagens, de een na de ander, weg. Tot de laatste wagen verdwenen is en hij begint te lopen, in tegenovergestelde richting, over het grote eenzame veld, langzaam, eerst, vermoeid, een zwervertje van verdriet naar verdriet, dan sneller, sneller, gehaast, nerveus-geaffaireerd tenslotte.......
    Dat is een oogenblik van grote, zuivere, diepe bewogenheid, dat ogenblik is hij weer geheel zichzelf, geheel zoals hij vroeger was, — en we vergeten dan ook het spel met die papieren ster — het verfrommelen en wegschoppen, nu hij datzelfde zoveel zuiverder en heviger vertolkte in het gehaaste, nerveus-geaffaireerde „verder-gaan” der laatste oogenblikken.....

HENRI BRUNING.
















aangemaakt: 22-01-2012 Copyright © 2012 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 29-04-2012