lijst van werken
vorige bladzijde




D E   K N A A P   E N   H E T   L E V E N


            I

Toen hij nog knaap was stond hij in den dag
gelijk een zwaard staat in den greep eens krijgers,
een fonklend dreigement, een zwaar en vurig feest
voor den Heerschzuchtige en zijn trotsch strijden.

Het was zeer stil om hem. Het licht beroerde hem
gelijk een hand, die t hoog gevest vaster omklemde,
hij sidderde, hij werd een heete stem,
een vlam, een fier geweld, dat niets meer temde.

O dag die komt! Een jong onstuimig ros
stuift driest en brieschend door de strakke landen,
hoog in het zal de Krijger, manen waaien los
en waaien wapprend om den kalmen greep der handen;

de wolken zeilen wit ten horizont voorbij,
de wind speelt blinkend over groene weiden,
en door het stralend licht, den morgen in, rijdt Hij
het breede staal geveld spoorslags ten strijde.

... Zoo droomde hij, nog knaap, en in zijn blijde
en ingetogen hart leefde een zekerheid
vervoerd en stil, want als een zwaard was hij,
een hard en vonkend staal, dat fonkelend zou splijten.







96





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 22-04-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 13-08-2011