lijst van werken
vorige bladzijde



vorige  bladzijde inderdaad, het mysterie randt de mens in het diepste van zijn menselijkheid aan; het is zo kwetsend dat het reden genoeg is om alle waarheid en waarheidsverstaan als een nieuwe belediging (en zelfbespotting) af te wijzen, – maar deze weigering miskent, dat een schepping die zou ophouden tevens grondeloos mysterie te zijn, terzelfdertijd ontkennen zou een góddelijke emanatie te zijn. Het mysterie is met God als onvermijdelijk, als impliciet met God gegeven. Was dit leven niet ergens in alles grondeloze stilte, het leven-zelf zou ontkennen een goddelijke schepping te zijn. Wat uit God voortkomt moet ergens even ondoorgrondelijk zijn als God. Omdat het, door God geschapen, niet anders kón geschapen worden dan: naar het beeld en de gelijkenis van God. In Gods ondoorgrondelijkheid deelt dan ook al het geschapene, – deelt ook het geringste grasje. Ook dit is op die wijze naar Gods beeld en gelijkenis. Het ontroert ons niet enkel, het vervult ons tevens met diezelfde huivering waarmede de ondoorgrondelijkheid van God en hét stilzwijgen van het heelal ons vervullen. Het plantje lijkt zo vertrouwd en schoon, maar zijn schoonheid is niet minder schrik-wekkend dan de cosmogenese der schepping en het exploderend heelal. De goddelijkheid van het grasje begint, bij wijze van spreken, niet daar waar wij de orde, de wijsheid van het grasje herkennen (in dit alles is het nog adequaat volgende bladzijde

[115]










volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 11-03-2010 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 25-10-2014