lijst van werken
vorige bladzijde



310

  De zonde beleedigt God niet, zij beleedigt den mensch. God lijdt niet onder de zonde, het is de mensch die er onder lijdt. De zonde tast niet de orde aan waarin God leeft (Hij rust in Zichzelf), de zonde tast de orde aan waarin een goddelijke Liefde den mensch heeft willen plaatsen. Het trouw zijn aan deze orde is geen heil voor God, het is het heil van den mensch. Niet om Zichzelf, maar om den mensch zou God zich om dit heil kunnen verheugen.

311

  De menselijke vrijheid bestaat in het zich vrijwillig onderwerpen aan zijn plicht, in het vrijwillig doen van het goede. Door deze vrije gehoorzaamheid zijn wij ménschen; door — háár onderscheiden wij ons van en verheffen wij ons boven het dier, dat deze vrijheid tenopzichte van het goede niet kent; voor het dier is het goede een wet, waaraan het rede-loos onderworpen is, welke het rede-loos volbrengt. — Het goede doen is de eenige levenswet: van mensch, dier en — plant; al het geschapene moet zich daaraan onderwer­pen, — de ménsch echter vrijwillig, hij alleen, — en slechts gedwóngen als hij tegen dezen plicht der natuur revolteert (op een wijze die ook anderen benadeelt).

312

  — Of bestaat zij — deze, mijn menschelijke vrijheid — slechts in het met eerbied aanvaarden van datgene waartoe ik gedwóngen ben. Gedwóngen, want ik kan mijn ziel -


134

volgende bladzijde





















volgende bladzijde



aangemaakt: 10-06-2002 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 17-10-2009