lijst van werken
vorige bladzijde



DE DOOD

                                I

Wie was mij meer gemeenzaam in dit leven
en wie mij vreemder dan de goede dood,
hij heeft aan elke vreugd’ haar zuivre stem gegeven,
en geen heeft mij toch minder van mijzelf ontbloot.

Geen kwam zo zonder vijandschap als deze,
geen heeft, mij naderend, oprechter liefgehad,
hij was het koele najaar waarin vruchten rijpen,
het dorrend vallen van het nutloos wordend blad.

De nacht werd zacht en helder en de dag mij vreemder,
elk ding werd stil, als van zichzelf ontdaan,
ontledigd scheemren de vertrouwde, blonde beemden, –
ontledigd levensveld, o, eindlijk henengaan!


                                II

Geen was zo onaflaatbaar en zo onmeedogend
als hij bij al mijn handelen mij toegedaan,
geen woorden hebben mij zo zoet bewogen,
geen vrede heb ik zo bevreesd verstaan.


                                III

Hij was de zuivere tilt’ in elk te aards verblijden,
en als ik wankelde was hij mijn bondgenoot,
hij vergezelde droefheid met een hemellicht verbeiden,
en geen heeft mij toch minder van mijzelf ontbloot.










21





















volgende bladzijde
inhoudsopgave

aangemaakt: 09-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 06-03-2010