lijst van werken
vorige bladzijde



DE MOEDER

De zomer was zeer schoon, en ook haar lichaam
dat in d'oranje vlam der ligstoel lag,
vermoeid van veelmaals moeder-zijn, was schoon
gelijk de lome weelde van de zomerdag.

Naast haar het streng gelid der zonnebloemen,
het zware blad, de hoge, harde stammen
met hunne vuren bloei, hun trots opvlammen
in de doorwaaide stilte van de zomernoen.

Zo eenzaam rust zij in de zon en ’t zomerlicht,
de vlam der ligstoel rond haar blonde haren,
haar kleine sterke hand, haar sluimerend gezicht
vermoeid en weggeborgen aan den zwaren tooi der aarde.
Het is zo schoon en droef, haar zo alleen te zien:
kindren zijn jong, hun blijdschap en gespeel
is zorgeloos en ver en lacht in andre gaarden,
maar hier heft elke zonnebloem voor haar de
hoge glorie van een stille vlam.

Mijn hand omvat een sterke stam, –
voel ik het leven van mijn kind
wanneer de blaadren opwaarts ruisen en de wind
de stam buigt en zijn pezen spant
tussen de pezen van mijn vaste hand?

Voor ieder kind staat hier een zonnebloem geplant,
en ieder kind is als een trotse stam.
– Jij schone kindren tien, ik tien gevloekte boeken, –
leven is trots- en kracht-zijn dat men óverplant,
en zelf verbloeden.

Eens zal ook dit voorbij zijn, als zoveel
dat reeds hoe onherroepelijk aan ons ontzonk.
Treur niet om wat ons wisslend streelt en wondt, –
het is liet lied van droom en dood, van zon en grond,
van God en aarde, van ons trots aanvaard verbond.






9





















volgende bladzijde
inhoudsopgave


aangemaakt: 09-09-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 06-03-2010