lijst van werken
vorige bladzijde



vorige bladzijde namaals en als centrum de mensch) komt de psychologie van de mystiek, met als centrum God, aan de orde, wil men waarlijk met het christendom afrekenen. Ik verplaats hiermede de discussie niet naar een terrein dat ik, heimelijk, alleen voor „ingewijden” toegankelijk zou achten (de mystiek is, voor zoo ver zij in het woord werd vastgelegd, evenzeer toegankelijk en beoordeelbaar voor den mensch als willekeurig welk menschelijk denken), ik meen alleen dat, als de psychologie van het christendom moet ontmaskerd worden, men de psychologie van de mystiek tot object moet kiezen, omdat men hier zijn essentie (en zuiverste uiting) betreedt.


*     *
*

Nog één opmerking. Eén ding vraagt men zich bij ter Braak toch telkens weer af (telkens weer verwonderd, dát men zich deze vraag stelt omdat zij reeds zoovele malen door ter Braak beantwoord werd): niét of de relatie Augustinus-Plato mogelijk nog ánders verklaard kan worden, maar waarom Augustinus zijn heele moraal, plus zijn verbinding oudheid-christendom opbouwde. Waarom? Wat had hij er toch in Godsnaam voor „belang” bij, als het hem, gelijk ook ter Braak, niet om „waarheid” te doen is geweest, als hij niet overtuigd was althans een stukje „waarheid” genaderd te zijn? — Ik zei het reeds: ter Braak antwoordt. En hij antwoordt: „de strijd voor de gelijkheid tegen alles, wat nog de pretentie heeft van robuuste ongelijkheid zonder slecht geweten”, zijn rancune, zijn ressentiment was de oorsprong van zijn moraal, en dat ressentiment had álle belang bij die moraal als doctrine. — Wat een weerlegging hier volgende bladzijde

67



















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 03-02-2007 Copyright © 2013 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 24-01-2013