
|
te erkennen. Hij haatte elke doctrine en wenschte allerminst zélf een „gesloten systeem” te worden. Hij wist wat ook Pascoaes wist: „Er bestaan slechts ontwerpen.” „Ons zijn is een aarden massa, die zichzelf onophoudelijk vervormt.” Zoo ook ons denken, – dit eeuwig wisselend wórden dat nooit definitief gestalte neemt. Nietzsche leefde, hoe volstrekt hij ook scheen, geen gedachte, geen vijandschap en geen liefde volstrekt. Hij was te ervaren, en daarom te sceptisch ook tegenover zichzelf, om zich geheel met zijn heldere en hartstochtelijke vermoedens, en ’t contra dat daardoor zijn recht werd, te vereenzelvigen. Ook hier, en aldus, behield hij een afstand. Bij ter Braak is deze vorm van afstand – déze vorm van „humor”(?) – niet aanwezig, althans niet in zijn geschriften. Hij aanvaardt het met een glimlach politicus zonder partij (zonder aanhang) te zijn, maar de partij (de discussie) moet gewonnen worden. En waar er, practisch, en dus niet alleen in zijn geval, maar bitter weinig partijen „gewonnen” kunnen worden, bevreemdt het niet in zijn boek (vooral in het tweede deel) een fanatiek en eenzijdig attaqueeren te beleven, een bits opzijkegelen en afbekken zelfs van het bescheidenste contra, een doordraven en volmaakt maling hebben ook aan de discreetste interrupties eener intellectueele hygiëne. Zijn felle eenzijdigheid is grimmige en verbeten ernst, waaraan elke humor en elk spel vreemd is, als hij het christendom attaqueert. Op het beslissend moment heeft hij het christendom niet ónder zich, maar als een tegenstand tegenover zich; het ergert hem duidelijk nog op andere wijze dan als een kleine, laatste, onontkoombare invloed op zijn denken; het ergert hem als iets dat hij niet onder zich kan krijgen op
57
|
|