lijst van werken
vorige bladzijde



De werkplaats is een hooge lichte hal met breede ramen
waardoor de lentezon langs bloemen valt
die fonkelen, en peinzend toezien hoe de handen,
de harde handen van den man, het werk verrichtend,
een fijn en spelend wisselen
van zon en schaduw zijn. Hij glimlacht. Zie, hij denkt
hoe ’t leven heden is, en hoe het wás, eertijds,
rauw, prijsgegeven aan de hebzucht van de meesters.
Krachtig, vertrouwd, als ’t machtig dreunen der machines
waarin hij werkt, is nu zijn leven. Zuigers stooten,
fonklend en regelmatig, door het groot gedreun. Rond hem
arbeiden andren, kameraden nu. Rustig en opgewekt,
van bitterheid vervreemd, doen zij hun taak.
Ook hij. Hij mocht weer mensch zijn, ménsch. De bittre tijd
der knechtschap is voorbij. Eerbied en kameraadschap,
trots en zelf-bewustzijn deden hun intree. — En,
aan ’t eind der dagtaak, thuisgekeerd in de bescheiden woning
waar nu geen grauwe druk van eeuwge zorgen heerscht,
wachten de blijde vrouw, de kinderen, de tafel met het maal.
Zie; het is goed, hij weet, hij heeft zijn deel
— ook hij — aan aarde’s heldren zin.

’s Avonds het spel, dat het gespierde lichaam
staalt, jong en lenig houdt. Of d’arbeid met de vrouw
op ’t kleine akkerveld; waar in het late uur
de zomerdag het schoonst is en het stilst. Of wandelen
door parken, onder hoog geboomte; of langs grachten, waar
de zwaar-beladen schuiten — drachtige dieren — wachten.
Des Zondags, in de middagstilte, dwaalt hij vaak
ter kade van de haven; en met blijden trots ziet hij
de hooge stevens van de schepen die van verre kwamen,
voor verre reizen reeds weer gereed, — en onverhoeds,
telkens weer even hevig bonzend weet hij dan
zich staan in ’t hárt van ’t continent, en dat dit hart
overal is en klopt en roept en stuwt en levend houdt;



59





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 07-01-2007 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-03-2010