|
JEUGD EN LEVEN
Jéugd is een argloos-overmoedig spel,
een fier geloof in ’t eigen, vrije zijn:
’t losspringen en het zacht en schertsend zingen
door ’t voorjaar van een kleine water-wel;
jeugd is een blijde overdaad, die helder henenvliet,
een alom zich wegschenken dat zich niet
vermindren laat of binden.
Leven is plotseling de éigen Wet, alleen zichzelf, hervinden,
het ééne, éigenst, onbezweerbaar lied
dat uit onszelf ontspringt, slechts om zichzelve zingt —
als ’t eenig zijnde:
een voortgedreven zijn van rijm naar rijm
en in een wisselklank verstrikt, gevangen zijn
tot ’t onafwendbaar einde.
Leven is noodlot worden, noodlot zijn.
O laatste vreugde en pijn, —
slechts ’t éigen hooge schoon
wil trotsch wetgevend zijn.
7
|
|
|