Inhoudsopgave

   



Noli me tangere . . .

    Wat heeft het voor zin te weten, dat voor mijn ziel alles "ijdelheid der ijdelheden" is wanneer ik deze ziel - met liefde , zegt ge - háten moet, opdat ik MENSCH zou zijn, en voor deze mensch al dat "ijdele" héilig, heiliger dan heiligst is.
    Het heeft dezen zin: dat ik weet dat ik leef, dat er in mij een beginsel is, hooger dan het hoogste dat "ik" ben, dat reeds "is" terwijl "ik" nog "word" en "verwerkelijk", en waardoor ik ook al het goede dat ik ben om niet tel, van geen betekenis acht; dat ik ook het goede (en niet enkel het booze), het goede dat ik doe en dat ik zijn wil, dat ik strijdend tegen alles wat dit goede bedreigt en belaagt, tegelijk kan verachten. Het heeft dezen zin, dat ik, door het weten en leven van dit hoogste beginsel, innerlijk, hoewel aan vele plichten met liefde en hartstocht gebonden, geheel vrij ben - in een trots die wat ik ben nauwelijks wil kennen, en in een eenvoud die mij doet zijn wat ik ben en bereik zonder er acht op te slaan. Het goede is niet mijn laatste zorg, niet mijn laatste onrust en niet mijn laatste smart . . .
    En het heeft den zin van "wil mij niet aanraken": den zin, dat niemand mij mág aanraken, dat niemand zich dringen mag tusschen mij en mijn hoogste beginsel dat alles reeds bevat dat ik ben en eindeloos meer dan ik ooit kan worden; dat allen (evenals alles) jegens mij slechts de roeping kan hebben mij mijn ziel te doen vinden, die verborgen schat, opdat ik, door het laagste leven van mijn ziel, het hoogste zijn van mijn mensch-zijn verwerkelijk.
    En het heeft ook den zin dat niemand mij, mijn diepste zijn, kán aanraken; dat niemand zich dringen kán tusschen mij en mijn ziel, en niemand mij ontnemen kan wat reeds in mij is: de bron van alle genaden en alle leven. Men kan mijn willen, mijn opwaarts willen naar de ziel om mijn menschelijke perfectie te bereiken wel hélpen, niet vernietigen en ook niet tegenhouden. Dat kan alleen ik zelf. Het is door mijn ziel dat ik communiceer met God en God met mij, en vandaar ook dat de sacramenten alleerst "genaden aanduiden" en niét allereerst "géven".
    Ik bezit iets dat buiten alle zegeningen staat, en ook buiten alle vervloekingen. Ik wéét dit alles niet, ik ervaar dit; ik ervaar dagelijks dat dit alles buiten mij omgaat en mij niet ráákt, dat mijn diepste zijn ontoegankelijk is voor zegen en vloek, dat het geheel, daar buiten om, verder leeft en communiceert met de ziel en door de ziel met God, - met de ziel, o ziel, die alles in zich toelaat, alles is en zelf toch iets anders, iets dat stil en eeuwig in zichzelve gekeerd verder stroomt en aan alles voorbijstroomt - door niets gewekt, en op geen vloek of zegen hoorend. . .





















   Volgende pagina

Inhoudsopgave   



aangemaakt: 03-12-2021 Copyright © 2022 by
Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 30-04-2022