Inhoudsopgave

   



Inleiding en verantwoording

Bruning heeft eens in een brief geschreven: "ik [geef] nooit onvoltooide dingen uit handen". Deze prozagedichten, met name de latere zijn, gezien de vele, voor mij onleesbare, krabbels zeker zodanig onvoltooid dat ze, naar de maatstaven van Bruning, niet gepubliceerd hadden kunnen worden, temeer omdat ik uitlsluitend de voor mij leesbare tekst heb opgenomen. Het is dan ook met de nodige schroom dat ik ze nu toch op onze website heb opgenomen.

De gedachten geformuleerd in deze prozagedichten, geschreven tijdens de oorlog, zijn een voorloper van de gedichten van Van Ziel en aarde. Bruning schreef daarover:
De gedichten van "Van Ziel en Aarde" zijn kort na de oorlog ontstaan, maar reeds tijdens de oorlog werkte ik aan een budel proza-gedichten waarin ik dezelfde gedachten (te voorbarig misschien) wilde uitwerken omtrent die "ziel in mij". Ik ben er niet mee gereed gekomen. Maar na de oorlog, in het kamp, begonnen die gedachten als gedichten te ontstaan (slot van een rijpingsproces?). Tijdens de oorlog publiceerde ik het begin van de onvoltooid gebleven bundel prozagedichten (bij wijze van - tweede - inleiding ) in een bundel aforismen, korte notities, "Vluchtige Vertoogen" genaamd, en met dezelfde (inleidende) gedachten () besloot ik ook het boek.
Elders schreef hij over zijn bundel Van ziel en aarde:
De bundel is wel zeer geprezen, maar in de grond heeft men er nooit goed raad mee geweten. Men meende de bron ervan te moeten zoeken bij mystici als Eckhart, maar de onderstroom van mijn gedichten behoorde tot een geheel andere (bijna tegenovergestelde) ervaringswereld of spanningsveld. Het is in mijn "Verworpen Christendom", dat deze onderstroom voor het eerst naar boven komt, in een stukje (nr. I) dat verscheen onder de relativerende titel "Ontheologische notities" (), wel vermoedend dat het voor de meesten wartaal zou zijn. Misschien was het dat ook wel, maar binnen die wartaal sprak ik iets uit dat me niet meer zou loslaten. Vandaag (in 1975) zou ik het anders, verzorgder formuleren, maar in die vroege jaren had ik er geen woorden voor.
Hieruit blijkt dus dat de gedichten van Van ziel en aarde de uitkomst zijn van een proces van meer dan 15 jaar.

Waarom nu dan toch deze onvoltooide en onverzorgd geformuleerde prozagedichten gepubliceerd? Omdat ze het verstaan van Van ziel en aarde vergemakkelijken, maar ook omdat ik geloof dat ze iets meer verwoorden dan in de gedichten tot uiting is gekomen. In ieder geval geven ze duidelijk de problematiek - door Bruning aangeduid met "de onderstroom" - weer die hem gedurende die 15 jaar ook heeft beziggehouden en dat ten tijde van de oorlog en zijn gevangenschap.

De onderstroom werd door Bruning als volgt (in 1975) verwoord:
Want in werkelijkheid handelt mijn bundel [Bruning doelt op Van ziel en aarde, maar het geldt evenzeer voor deze prozagedichten] toch hierover, dat er in mij (in de mens) een ontoegankelijk gebied is, dat tevens zijn schoonste is en ondanks alle gescheidenheid een bron van zeer pure blijdschap ("Ik ben niet een met U" etc.); dat ontoegankelijk blijft - "harde"- en tegelijk alle schoon der aarde, dat ons gebleven is en dat zo hevig vervĂșlling is, tot roof maakt; over het aanvaarden van deze hier op aarde onverzoenlijke tweespalt, over het, na de ontmoeting met de ziel, geslagen aanvaarden van het leven met en voor deze aarde, deze goddelijke, die tegelijk roof en uitbanning werd door de ziel.


Eindhoven, 07-05-2022
Theo Bruning





















   Volgende pagina

Inhoudsopgave   



aangemaakt: 30-04-2022 Copyright © 2022 by
Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 30-04-2022