lijst van werken
vorige bladzijde




Néén, luistert. Een niet inwendig levend priester gaat mijlen ver voorbij aan de bovennatuurlijke werkelijkheid, én, al even ver voorbij aan de hem omringende, natuurlijke werkelijkheid. Hij heeft de ziélen niet liéf, en hun n o o d is dus niet z ij n nood; hij heeft de Kerk niet lief, en dus is ook háár nood voor hem geen bitterheid. Integendeel! de alomtegenwoordige „Hallelujah Yells” waarmede elk schamel en valsch succesje gevierd wordt, verzetten hem in zoete wanen. — Hij kent ook niet de strijd om het bestaan, en hij mist dus ook datgene wat de menschen in de wereld althans eenigermate, althans naar één zijde vitaal houdt (en verdragelijk maakt). Over alles wat thans en in dit leven beangstigend is en een inspanning kon vergen, voelt hij zich gerustgesteld, volkomen veilig en gerustgesteld. Doch met deze drievoudige „teruggetrokkenheid” heeft hij zich ingekerkerd, ingegraven in dat naargeestig t u s s c h e n g e b i e d, waar men noch de hemel, noch de aarde vreet, waar men geen enkele werkelijkheid meer uitvecht, waar men niet leeft en niet dood is, doch als levende dooden 8) rondspookt, waar men hoogstens nog een duf stukje (niet eens opmerkelijke) kamerwijsheid vertegenwoordigt, doch waartegen alles wat lééft, heidensch, aardsch of bovennatuurlijk, en waartegen ook alles wat jeugd is en leven wil in verzet, in duizendvoudig en onweerhoudbaar verzet komt.

Ziedaar waarom, als het l e v e n in den mensch zijn rechten herneemt, het smakeloos geworden zout door de menschen vertréden wordt. — En dit is dan nog slechts het vonnis der áárde, van het leven .... volgende bladzijde


33


















volgende bladzijde




aangemaakt: 27-01-2008 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 15-01-2011