lijst van werken
vorige bladzijde



XII

     vorige bladzijde Al deze preciseringen, deze "irreële" uitspraken over de gedragspatronen der onderlinge liefde verwoorden niet enkel de zelfexpressie van het geweten der liefde (p. XX ), de onvervangbare kern van "de spiritualiteit der medemenselijkheid" 1), zij zijn (met de Vader-gedachte) de alles dominerende gedachte, het centrale thema van Jezus’ prediking tijdens zijn leven; zij zijn ook datgene wat de leerlingen die nog tijdens zijn leven werden uitgezonden, kónden verkondigen 2). Het was mede, of allereerst, door dit woord (en Jezus als de aangrijpende gestalte van dat woord), dat reeds in de dagen van zijn rondgang onder de mensen een van hen (namens velen) zei: Hij spreekt de woorden van het eeuwige leven, en dat zij vermoedden of de diepe overtuiging meedroegen dat Jezus de Verwachte was, de gezalfde des Heren, de Messias, de Zoon Gods, – en dit laatste misschien enkel nog in de toenmaals gangbare (Rahner pg 103 ), nog niet letterlijke, betekenis 3). Want met dit woord hetwelk de trouw aan de vormendienst van de Wet doorbrak en aan hun bestaan een geheel nieuwe essentie, een geheel nieuwe diepte, dimensie en een geheel nieuwe richting gaf, voltrok zich de fundanmenteelste Umwertung toen al deze dingen centraal werden gesteld. Uit dit alles blijkt welk een alles dominerende betekenis aan deze gedragspatronen en hun praxis moet worden toegekend. Deze woorden zijn aan alles voorafgegaan en als aanvang de grondslag van alles. "Andere grondslagen kan niemand leggen dan die gelegd zijn door Jezus Christus". Zonder deze praxis is al hett overige op zandgrond gebouwd en worden de latere gebeurtenissen – Dood en Verrijzenis – ontheemde en vervreemdende geloofszekerheden. Zonder deze reële praxis stort geheel Jezus' conceptie – zijn wereld- en levens- en toekomstbeeld – in elkaar. Hij sprak hierover zonder restricties, onverbloemd, voortdurend en nadrukkelijk. Hij richtte er zich niet mee tot een elite, maar tot de menigte, onverschillig welke en bij willekeurig welke gelegenheid. Hij bedoelde precies wat Hij zei, niet iets wat Hij niet zei. Hij kon er niets aan afdoen, niets aan toevoegen, noch erover onderhandelen. Wat Hij zei was voor Hem het woord des levens en dat kan men niet verminkt of gehalveerd overdragen noch reserveren voor een selecte groep. Dat woord zou zelf wel selecteren: de scheiding der geesten bewerkstelligen. Hij zocht geen aanhang, maar vrije volgers. Daarom laten deze woorden zich niet reduceren tot vrome vermaningen, tot vrijblijvende frasen, tot een ver ideaal waaraan men hoogstens (op het gepaste ogenblik) op gepaste wijze d.i. (omwille van de zwakke broeder) bescheiden, "humaanr", "prudent" mag herinneren. Men dient ze volstrekt ernstig te nemen. Welke ook de veranderingen zijn die in de christelijke leer plaatsgrijpen, deze woorden zijn onveranderlijk en ondubbelzinnig als leer en als praxis. Zij zijn de onverwisselbare en onaantastbare essentie. Alle woorden kunnen voorbijgaan, maar déze woorden zullen niet voorbijgaan. Zij zijn de eeuwige edelsteen, die, welke ook de vattingen zijn of worden, zelf onverwisselbaar is. Dit moet voor ons vooropstaan. volgende bladzijde


1) (Voetnoot door HB vergeten.)
2) Men gelooft niet in een woord ómdat de spreker een profeet is, maar om zijn woord gelooft men dat hij een profeet is.
3) De boodschap van de Vader werd in Jezus' woord dan ook niet in haar volheid kenbaar gemaakt. Jezus was zich hiervan ten volle bewust: "Als Ik zal zijn heengegaan, zal Ik u de geest der waarheid zenden", en eveneens wist hij dat zijn Dood en Opstanding de boodschap van de Vader zouden voltooien. Over zijn Dood en Opstanding heeft Hij slechts in bedekte termen en tot slechts weinigen gesproken.















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 19-02-2010 Copyright © 2015 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 15-01-2015