lijst van werken
vorige bladzijde



V

     vorige bladzijde Wij, die al blij mogen zijn wanneer we de liefde als ,,deugd” ,,beoefenen”, kunnen van zulk een fundamenteel andere mens als Jezus, die liefde is, het innerlijk leven, dus datgene waaruit bij Hem denken, daad en woord geboren werden, niet doorgronden. Wij kennen, enigszins, de voorgrond van zijn leven (zijn woorden, daden en gedragingen, datgene wat naar buiten trad en waarneembaar werd) en wij weten dat liefde, deernis met de mens Hem bewoog; en met dit laatste kennen wij wel de geboortegrond van zijn woord, niet echter de geboortegeschiedenis ervan in Hem: niet welke achtergronden van ervaringen, reacties, van wordend weten, van onrust, van pijn en blijdschap om de mens etc. waardoor juist déze woorden en juist dit handelen van de liefde in Hem geboren en voor Hem wáárheid en verantwoord leven, het enige ware leven werden. Wij kennen niet de wordingsgang van dit geweten: niet die lange smartelijke weg vóór wat Hij is en krachtens zijn natuur geheel spontaan en nog zonder nevengedachten is, vóór dit enkel-zichzelf-zijn van zijn jongelingsjaren, ook gekénd wordt door Hem, vraag werd, zelfbezinning, ,,Selbstverständniss" en, méér dan de zelfexpressie van een persoonlijk geweten, door Hem ervaren wordt als een in Hem tot bewustzijn gekomen, mens-geworden waarheid van algemene geldigheid (antwoord op het drama van de mens) en daarmee het (verontrustend, schrikwekkend) bewustzijn van een geheel persoonlijke roeping in de wereld der mensen: de voor Hem wrede, eenzame, want voor de anderen onduldbare roeping: het geweten der mensen te zijn en dit bovendien op de wijze van het geweten der liefde; hetgeen de Schrift uitdrukt met de woorden: ,,het oordeel heeft Hij geheel gegeven aan de Zoon” (Joh. 5, 22). Met Hem, die zo dicht bij de mensen wilde zijn, is het oordeel in de wereld gekomen: ,,Was Ik niet gekomen en had Ik niet tot hen gesproken, dan hadden ze geen schuld” (Joh. 15, 22). Paulus omschrijft dit oordeel wanneer hij zegt: ,,Het woord Gods is levend en blijft niet zonder consequenties, het is scherper dan enig tweesnijdend zwaard: het stoot door tot waar het geest en ziel, gewrichten en merg, gedachten en beweegredenen vaneen splijt” (Hebr. 4, 12). De wreedheid en vereenzaming van dit lot, van de bestemming het geweten der mensen te zijn, herkent men in de woorden: ,,De vogelen des hemels hebben hun nesten en de vossen hun holen, maar de Mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen” (Lk. 9, 58) 1).
    Maar van dit innerlijk leven, deze innerlijke wordingsgang, weten we niets. Wij hebben een geheel andere voorgeschiedenis en geschiedenis. Reeds daardoor is zijn waarheid voor ons nooit op dezelfde wijze waar als zij waarheid is voor Hem. Ook als een woord van Hem (lang nadat we het vernamen) in en uit onszelf ,,geboren” wordt en zo óns ,,diepste” verstaan werd, ,,waarheid voor mij, waarvan van mij”, ,,geestelijk eigendom”, wordt het uit zoveel schraler achtergronden en zoveel zwakker geboren en verstaan wij maar van verre... een weinig. Terwijl Jezus zijn woord vanuit zijn eigen innerlijke wordingsgeschiedenis verstond en het, als zelfopenbaring, geheel van binnenuit, vanuit zijn geboortegrond-in-Hem verstond, zien wij, wij ontvangenden, ook als wij zijn woord aanvaarden en het ons gelukkig maakt, er van buiten af tegen aan, groeien wij het maar een weinig binnen - zoals het grasje dat maar een weinig de onmetelijke ruimten van het zonlicht binnengroeit, en niet alleen dat grasje, maar ook de grote, machtige boom waarin de vogelen des hemels zich nestelen. Nog sterker beseffen we dat als we geloven dat deze mens de Zoon Gods was. (Jezus schijnt over dit weinige weten te spreken als Hij zegt: ,,De wind waait waar hij wil en ge hoort zijn gedruis, maar ge weet niet van waar hij komt en waar hij heengaat; zo is alwie uit de Geest geboren is”, Joh. 3, 8). Dat is, behalve oorzaak van zoveel strijdvragen rond zijn woord, het kwellende van zijn woord; zijn waarheid niet te kunnen bezitten op de wijze waarop zij waarheid is voor Hem. Wij zouden zijn woord niet enkel als ,,blijde boodschap” willen vernemen, aanvaarden en ervaren, maar het tevens willen begrijpen als - wat zijn woord toch impliciet was - antwoord op het smartelijk probleem van het menselijk bestaan; wij zouden de wordingsgang van dit antwoord, heel de door Hem verworven visie op de wereld (de schepping, de mens, het samenleven der mensen en hun religie etc.) die ook bij Hem aan dit antwoord ten grondslag lag, waardoor Hij geleidelijk naar zijn waarheid als antwoord toe groeide, heel het waaróm van juist déze boodschap willen verstaan. Maar dat is niet zo. Wij zijn niet zijn waarheid; wij hebben slechts deel aan zijn waarheid: wij hebben uit zijn ,,volheid” ,,ontvangen” (Joh. 3, 8). Hoezeer wij de zekerheid in ons meedragen dat zijn woord het woord des levens is en hoezeer reeds ons weinige, altijd partiële verstaan ons vervult en gelukkig maakt, wij hebben aan de waarheid slechts deel zoals een bloem slechts deel heeft aan een verste afschijnsel van het zonlicht (maar reeds, of juist door dit verste afschijnsel ,,tot volle wasdom” - van haar wezen - komt).2) Ook ten overstaan van Jezus’ woord zien we als ,,in een beslagen spiegel”, ,,ten dele” en vervormd. Dat is niet enkel zo omdat Jezus’ woord een goddelijk woord is, maar ook omdat het de zelfuitspraak is van een die geheel liefde is, terwijl wij, wij anderen, de liefde ,,beoefenen” en maar zo weinig zijn. Men kan nooit meer ontvangen dan men zelf is: te ontvangen in staat is. Dit is te kwellender omdat het goede leven dat Hij als boodschap predikte en dat als antwoord op het tragisch probleem van de mens tegen zoveel menselijk ervaringsleven indruist, niet als waarheid te bewijzen en niet op de wijze van een bewijsvoering overdraagbaar is. Het is die afstand of afgrond tussen zijn weten en ons weten welke een ogenblik als het ware onverhuld waarneembaar werd, toen Hij aan de woorden ,,maar ook zijn er huwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen” (Mt 19,12) toevoegde: ,,Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het” 3). volgende bladzijde


1) De drie bekoringen in de woestijn zijn dan misschien te zien als bekoringen om aan dit lot te ontkomen: op een voor Hem minder onmenselijke wijze, dichter bij de mens, meer overeenkomstig diens verwachtingen (m.b.t. menselijke of goddelijke grootheid) goedheid en deernis te zijn.
    Niets immers richt bij de anderen een onneembaarder scheidsmuur van afweer, vijandschap en verwijdering op dan de bestemming het geweten der mensen te zijn, en dit bovendien nog, zoals gezegd, op de wijze van het geweten der liefde. Niets toch schijnt ongeloofwaardiger, irreëler, uitzichtlozer (en daarom onmenslievender), meer en gevaarlijker in strijd met de wetten van het ,,realistische” handelen dan de liefde als enige grondslag en norm. Het verwijt van Dostojevsky’s Groot-Inquisiteur is het – impliciete en expliciete – verwijt van heel de geschiedenis. Jezus echter kon niets anders zijn en verdedigen dan juist datgene wat voor de wereld dwaasheid is, een bij voorbaat verloren zaak, en zijn zachtmoedig woord moest als tegenspraak scherper treffen dan enig tweesnijdend zwaard. Hij, die krachtens zijn wezen juist dicht bij de mensen wilde zijn, was gedoemd de mensen van zich te vervreemden, onder hen de grote vreemde (spelbreker) en eenzame te zijn, een ,,teken van tegenspraak”, een ,,steen des aanstoots”, en voor het overige aangewezen te blijven op een groepje getrouwen dat, hoezeer Hem met grote liefde toegedaan, toch ook met veel aarzeling en veel onbegrip achter Hem stond en Hem op het beslissend moment in de steek liet; en op een menigte waarvan in een der evangeliën gezegd wordt: ,,en Hij vertrouwde hun Zichzelf niet toe omdat Hij allen kende”. Alles was onbetrouwbaar en geen steen om zijn hoofd op ter ruste te leggen kon Hij de zijne noemen. Omsloten, steeds nauwer omsloten ook als Hij werd door de woede en dodelijke vijandschap van hen wier gevestigde en heilige orde Hij scheen af te breken.
    Het is vanzelfsprekend dat Hij, toen Hij zich in de woestijn op zijn taak onder de mensen voorbereidde, veel hiervan – van dit drama der liefde – voorzag en dat beelden van andere, menselijker mogelijkheden van deernis en grootheid voor Hem opdoemden, – die Hij moest verjagen en ook verjoeg.
2) Zie Appendix
3) Men moet aannemen dat Jezus dit zelf wel heeft begrepen. Uit deze woorden kan men afleiden dat de ongehuwde staat bij Jezus niet iets toevalligs of bijkomstigs is, maar met dit weten ten nauwste verband hield en de noodzakelijke vormgeving van zijn leven is geweest.
    Wat het ,,omwille van het Rijk der hemelen” betreft, het volgende nog. In het gebed dat Hij ons leerde, lezen we: ,,Uw Rijk kome: Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel”. Het Rijk der hemelen wordt hier verstaan als een rijk voor deze aarde. Om dit te helpen voorbereiden, omwille van dit rijk op aarde, legde Hij zijn leven af, – ieder uur van zijn leven.















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 19-02-2010 Copyright © 2015 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 14-01-2015