lijst van werken
vorige bladzijde



IX

     vorige bladzijde Jezus’ bede: ,,Uw Rijk kome, Uw wil geschiede op aarde” is wel de meest rechtstreekse bevestiging van de met Jezus zich voltrekkende wending van de religie naar de aarde, de Diesseitigkeit van Jezus’ opdracht en goddelijke bewogenheid. Zijn verlangen is dat van de Vader: dat de aarde weer goed en schoon en nieuw wordt en een vreugde voor de mens, en dat de zijnen deze nieuwe aarde helpen voorbereiden. Het ,,onderweg” van de zijnen is een onderweg daarheen. Hij voert de mens niet weg van de aarde, Hij voert hem juist daarin binnen, en daarin binnen met een geheel nieuwe aardse verbondenheid. Jezus beschouwt de wereld niet als een verloren zaak, waarvan men beter doet zich geheel los te maken, noch de mens als een verworpeling en zondaar (Hij doet beroep op hem, op zijn edelste vermogens); noch is zijn heil een heil voor slechts weinigen (uitverkorenen, of exceptioneel begaafden); Hij spreekt tot allen, en tot allen zendt Hij de zijnen; en als Hij weet dat hij hen onder wolven zendt, voorzegt Hij alleen dat hun opdracht een zware is en grote vijandschappen zal oproepen. Zijn weg is het volstrekte tegendeel van escapisme, of heul zoeken in eigen heil. Het persoonlijk heil is geen doel in zichzelf; het zijn-in-het-heil is een vanzelfsprekende voorwaarde voor het werkzaam onderweg zijn, het voorbereiden van een nieuwe aarde. Voor andere religies is het persoonlijk heil voltooiing en doel der religie, maar Jezus doorbrak deze begrenzing toen Hij bad: ,,Uw wil geschiede op aarde”. Met Jezus wordt religie een liefdevolle, strijdbare bezorgdheid om het lot en de toekomst der aarde. Er is in Hem geen tegenstelling tussen horizontalisme en verticalisme. Zijn dienstbaarheid trouw aan de aarde is tevens zijn trouw aan de Vader. In deze strijdbare bezorgdheid om het lot en de toekomst der aarde stemt Hij overeen met wat vandaag ook de politiek, waar deze zichzelf verstaat als ,,aards messianisme” en ,,dienst aan de mens”, 1) met haar revolutionaire dynamiek en dynamische vormwil als doelwit vooropstelt. Op dit punt komen de wegen van politiek en religie (die van Jezus) samen, maar hier gaan ze ook tevens uiteen. De weg van de politiek is niet de weg van de religie, en de weg van de religie is niet de weg van de politiek. Beiden zijn, als een onderweg naar een nieuwe aarde, hun onderweg in een ander perspectief en daarom met andere middelen, een andere ,,strategie”, een anders geïnspireerde dynamiek, een ander realisme, een andere wijze van functioneren. Beiden zijn en volgen een geheel eigen weg, een geheel eigen offensief.

    Het opmerkelijke is al dadelijk dat Jezus de politiek en zo ook haar middelen levenslang ongemoeid, onbenut heeft gelaten, en datzelfde deden – enkele lange eeuwen lang – degenen die in Hem geloofden. Hoewel zowel in Jezus’ vonnissen als in zijn positiviteit (zijn denkbeelden over de goede mens en het goede leven) een onbarmhartige maatschappij-critiek aanwezig was en zijn woord een niet mis te verstaan getuigenis was van ,,aards messianisme” en ,,dienst aan de mens”, en hoewel ook Zijn denken een fundamentele breuk was met welk statisch denkpatroon ook, heeft Hij de weg der politiek nooit betreden. Deze verwaarlozing van de politiek was geen onverschilligheid voor de noden van Zijn volk, geen vrees voor ,,vuile handen”, geen naïeve onkunde m.b.t. het feit dat door zijn afzien van elk politiek gevecht de machtsposities van de machthebbers in weerwil van zijn vonnissen onaangerand bleven; en wel allerminst hield ze verband met een poging om met het vooruitzicht op een gelukkig hiernamaals het tranendal van deze wereld te doen vergeten. Jezus was volstrekt solidair met de armen, verdrukten en uitgebuiten, een onbevreesd engagement, ook voor het hier en nu, met de wereld maar – misschien de meest onbevreesde uitdaging – een substructureel engagement. Dat klinkt verdacht. Als een eclipseren dat zichzelf met de tussenvoegingen ,,onbevreesd” en ,,uitdaging” tracht te ontkennen. Laat ik daarom dit substructurele karakter – dat tot de weg en het wezen van Jezus’ religiositeit behoort – trachten te verduidelijken door enkele verschillen aan te wijzen tussen dit engagement en het politieke.

    a) Jezus’ handelen als ,,dienst aan de mens” is niet primair een werken vóór de mens, maar primair en onafgebroken een werken aan de mens (en op die wijze vóór de mens), aan diens innerlijke goedheid, de enige grond slag voor een waarlijk nieuwe aarde. Niet aldus de politiek als ,, dienst aan de mens”. Politiek is critiek op de maatschappij en op de mens in zover hij anti-sociaal, anti-medemenselijk handelt. Jezus’ critiek gold de mens en is gericht op diens innerlijke goedheid, – datgene wat voor de politiek, de revolutionaire strijd, de revolutionaire staat (en willekeurig welke staat) geen primaire noodzaak is, en niet zelden een spelbreker. Hoofdzaak is dat de mens in zijn handelen is ingevoegd in de doelstelling van het geheel (van de revolutionaire strijd of staat) en geen tegenkrachten tot ontwikkeling brengt. Ook dat behoort tot ,,de onmisbare revolutionaire rationaliteit” 2).

    b) Politiek is een strijd voor goede en rechtvaardige wetten, nieuwe structuren, nieuwe instellingen, nieuwe vormen van organisatie en samenleving. Dat alles waarborgt het juiste maatschappelijke handelen en verhindert dat destructieve, anti-sociale machten de gemeenschap tyranniseren of ondermijnen. Vrijwillig of gedwongen, allen onderwerpen zich aan de goede wetten. Jezus is een breuk daarmee. Hij streeft naar zijn doel zonder de waarborg van wetten en al dergelijke fixaties. Het goede, rechtvaardige, menswaardige, sociale handelen behoort intrinsiek en onlosmakelijk tot de wijze van leven die men, Hem volgend, in vrijheid als de goede levenswijze en blijvend richtsnoer gekozen heeft. Met Jezus’ woord heeft men ook alle consequenties van de eerbied voor de mens en de dienstbaarheid aan de mens vrijwillig op zich heeft genomen. Jezus legt niet aan banden en Hij beveiligt geen toekomst met wetten. Jezus zegt niet: ,,ik eis dat je zus en zo leeft”, maar alleen: ,,als ge Mijn volgelingen wilt zijn, dan moet ge doen wat ik u heb voorgehouden”, daarnaar streven oprecht en standvastig.

    c) Voor de politieke revolutionair is de wereld van vandaag een vervuild gordiaans kluwen dat zich niet meer laat ontwarren, dat eerst vernietigd moet worden, wil een nieuwe wereld mogelijk worden. Jezus echter zegt, laat de doden de doden begraven, en Hij begint binnen die oude wereld met de zijnen een eigen wereld op te bouwen, een nieuwe aarde voor te bereiden, die reeds daarmee binnen de oude reëel aanwezig is, en als het ware zonder verplichtingen jegens haar: ,,men zet geen nieuwe lap op een oud kleed”, ,,men doet geen jonge wijn in oude zakken”. Als Jezus hiermee een exodus is, is Hij wat ook de politieke revolutionair is: ook deze erkent m.b.n de wereld die hij bestrijdt, geen verplichtingen, tenzij de verplichting haar hoe dan ook te vernietigen; zijn revolutie rukt en roeit het onkruid uit. Jezus daarentegen laat het onkruid met de tarwe opgroeien, en de enige verplichting die Jezus voor de zijnen bestemde, was: binnen die oude wereld met woord en daad als een waarlijk nieuwe wereld aanwezig te zijn, – een verplichting, waarvan men de grote ernst en betekenis niet mag onderschatten en die men – enkele lange eeuwen lang – ook in al zijn ernst verstaan en aanvaard heeft. Vandaag wordt her woord ,,zonder smet of rimpel” door velen verstaan als een absurde pretentie, of als een onmogelijke eis. In de eerste eeuwen is het een telkens herhaalde verwijzing naar, een vermanend herinneren aan het feit dat men voor Gods aangezicht wandelt, voor het aangezicht van Hem aan Wie men alles te danken heeft, en daarnaast, en niet minder, was het een vermanend herinneren aan de essenrtiële functie van de met Jezus gekozen levenswandel. Van alle wapens heeft men afstand gedaan; gebleven is alleen de verkondiging, en deze is slechts geloofwaardig als het eigen leven daarmee in overeenstemming is, of oprecht wil zijn. De verkondiging is tevens de grote bezorgde verbóndenheid met de wereld waarvan men zich heeft losgemaakt: het kenbaar maken van de blijde boodschap aan allen die in die wereld hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid en menselijke goedheid. – En er is ook deze verbondenheid, dat men zich oprecht verheugt over het goede en waarachtige dat in die wereld, waarvan men zich heeft losgemaakt, aanwezig is; dat men dit goede bevordert, steunt zich er door laat onderrichten. Recht doen aan het goede van een wereld die men bestrijdt, is echter datgene wat het revolutionair gevecht, de revolutionaire strategie, zich niet kan veroorloven. Maar ook datgene waarmee de volgeling van Jezus zich nooit – laat staan geheel – kan vereenzelvigen. In diepste wezen is hij slechts betrokken bij het eigen doel van Jezus’ leven en werken, bij wat Jezus bedoelde toen Hij sprak van een nieuwe aarde en onderling van een nieuw ,,gebod”, een nieuwe ,,wet”: de onderlinge liefde waarin het gebod niet meer als gebod en de wet niet meer als wet bestaat.

    d) Het onontbeerlijke wapen van de politiek is macht. Politiek is altijd een machtsstrijd. Voor en na de machtsovername een onverminderd verwoede strijd om het bezit, het behoud, de uitbreiding van de macht. Jezus daarentegen streefde enkel naar gezag, het gezag worden van zijn woord, en gezag is volgens een al te vroeg institutioneel weggeblafte definitie ,,de invloed van het goede op de intellectuele wil van de mens” 3) Ook daarom is elke vorm van dwang Jezus vreemd. Ook hierom: omdat de zijnen een vrije en vrijwillige gemeenschap vormen en haar omvang wisselend, aan geen vast aantal gebonden is. Men treedt er vrijwillig tot toe, en men is vrij haar weer te verlaten. Zulks in tegenstelling met de (al of niet revolutionaire) staat, die en constante groep onderdanen, namelijk allen die binnen die staat leven, omvat en de staat is gehouden hen overeenkomstig de als goed aanvaarde wetten te doen handelen, en dit omwille van het welzijn van het geheel der gemeenschap, van welk welzijn de staat de behoeder is. Jezus kon zeggen – met een bedroefd hart: ,,Wilt ook gij heengaan?” De staat daarentegen kan op een bepaald moment zelfs zeggen (en hij zegt dat met zijn strafrecht: ,,Du sollst”. De staat gaat onder met zijn macht; religie gaat onder met haar gezag. De staat verdedigt zich tot het uiterste tegen zijn ondergang (daartoe gedwongen door zijn verantwoordelijkheid voor de gemeenschap); religie kan slechts beproeven, opnieuw datgene te worden wat zij verloor: gezag, invloed van haar goed op de wil van de mens. Haar doen (en tevens haar schoonheid) is dat men in vrijheid tot haar moet komen, in vrijheid haar gezag over het eigen leven moet aanvaarden. Het is dan ook niet zo onbegrijpelijk dat ten overstaan van de overmachtige vijandige of destructieve krachten in de mens en in de wereld ook de religies bezwijken voor de bekoring van het macht of machtsinstituut worden. Maar Jezus aanvaardde zelfs de vernederende ondergang aan het kruis (hoezeer dit de zijnen ook zou ontredderen). Hij verlangde slechts dat zijn woord gezag werd. Daarom was zijn engagement met de wereld een substructureel engagement: daarom onderwierp Hij de mens niet aan wetten, weigerde Hij macht en dwang, was zijn werken voor de mens een wervend werken aan de mens, bouwde Hij op die wijze aan een nieuwe wereld binnen de oude en liet Hij de mens in vrijheid beslissen.
    De menselijke vrijheid is overeenkomstig de waardigheid van de mens en niet minder overeenkomstig de waardigheid van het goddelijke, de eer van God (waarmee een afgedwongen ,,gehoorzaamheid” in strijd is).

    Deze vier factoren: gezag zijn, de vrijheid van de mens, de waardigheid van God de waardigheid van de mens zijn ook bepalend voor ,,de zuiverheid der middelen” 4) De politiek hanteert met betrekking tot de zuiverheid van háár middelen geheel andere normen. Politiek is een strijd om het bezit en behoud van de macht: de voorwaarde voor een nieuwe wereld; en deze beslissende voorwaarde rechtvaardigt de middelen. Men zal er goed aan doen zich van deze machtsstrijd geen te huiselijke voorstelling te maken. Het is daarom nodig er een ogenblik afzonderlijk aandacht aan te besteden. Het zal misschien ook Jezus’ streven, zijn wijze van voorbereiden van een nieuwe aarde, zijn ,,strategie”, meer overtuigend maken. volgende bladzijde


1) De term politiek wordt hier steeds in deze betekenis gebruikt.
2) Marcel Xhaufflaire in Afscheid van ’n teologie, Utrecht 1972.
3) R.K. van Sante o.p.: Gezag, Roermond, 1932. Wij spreken meestal van gezag als we de gezagsdragers bedoelen. Zij zijn echter de eerste dienaren van het gezagsgoed of gezagsdoel (b.v. het welzijn van de gemeenschap). Dit gezagsgoed is hert eerste waaraan men gehoorzaamheid verschuldigd is.
4) Berrigan merkt terecht op dat door de onzuiverheid der middelen ,,de bron van actie en passie bevuild wordt”; Ondergrondse Kerk, p. 58, Utrecht, 1968. Hierbij dient men echter te overwegen, dat de zuiverheid der middelen bepaald wordt door positieve factoren.















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 19-02-2010 Copyright © 2015 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 15-01-2015