lijst van werken
vorige bladzijde



III

     vorige bladzijdeLiefde was het enige dat Jezus bewoog en bezighield: Hij was zelf als mens niets anders. Zijn gehele menselijke natuur was m.b.t. het liefdeloze en wat de liefde in de mens bedreigt spontane innerlijke afweer, en kwam in felle opstand waar de liefde met voeten getreden werd. Reeds omdat Hijzelf van nature geheel liefde was, kon Hij niets anders vragen, en niets anders verkondigen dan: hebt elkander lief; hieraan zal men herkennen dat ge mijn leerlingen zijt. Wij zien Jezus steeds al te zeer als de verdediger van hoge (hoogste) zedelijke beginselen (die hun legitimatie ontlenen aan het feit dat het góddelijke geboden zijn) en zonde werd voor ons verloochening van een aan die zonde tegengesteld zedelijk beginsel of deugd. Maar bij Jezus lag dit alles fundamenteel anders. Wat wij zonde noemen is bij Hem zonde (actus deordinatus) omdat zij in wezen een vergrijp is aan de liefde, tegen de liefde indruist, het liefde-worden verhindert; en wat wij deugden noemen zijn voor Hem de gedragspatronen van de liefde zelf, inherent aan de liefde, in de liefde voorondersteld, – zoals Paulus zei toen hij ons voorhield: ,,De liefde is geduldig, de liefde is grootmoedig en niet afgunstig, zij beroemt zich niet op iets van zichzelf, zij is niet hoogmoedig, zij doet niets onedels en zoekt niet zichzelf, zij reageert niet met bitterheid maar rekent het kwade haar aangedaan niet aan” etc. (1 Kor. 13, 4 e.v.) en ,,Blijft niemand iets schuldig dan wederkerige liefde. Want hij die zijn naaste bemint, heeft de Wet vervuld”; ,,De liefde is de vervulling van gans de Wet” (Rom. 13,8.10). Zonden en deugden zijn in het evangelie geen op zichzelf staande werkelijkheden die men om hunzelfswil afwijst of beoefent, en beoefent om God te behagen. Zij ontlenen hun fundamentele ernst aan hun onlosmakelijke relatie met de liefde. Waarom dan ook Paulus vervolgde: Al sprak ik de talen van engelen en mensen, al bezat ik alle geheimen en kennis, al schonk ik alles weg wat ik bezit, als ik de liefde niet heb ben ik niets en dient dat alles tot niets.
    Wat wij zonde en deugd noemen vindt bij Jezus niet zijn oorsprong in een (verheven) zedenleer; Hij ervaart beide spontaan en direct, van uit zijn persoon, in hun relatie tot de liefde (die Hij met geheel zijn menszijn is), de een als in strijd daarmee, de ander als in overeenstemming daarmee, of anders gezegd: als in strijd of in overeenstemming met zijn menselijke natuur: de een is onvervreemdbaar daarmee verbonden, de ander onherroepelijk daaraan vreemd en vijandig. Al hetgeen Hij heeft gezegd en gedaan is dan ook tévens zelfexpressie en behoort als zodanig óók (niet enkel) tot dezelfde orde van menselijke verrichtingen als het levenswerk van alle groten en oorspronkelijken onder de scheppenden (wijzen, dichters en vromen) dat naar zijn wezen altijd zelfexpressie is; grote, unieke, onherhaalbare zelfuitspraken: zelfbevestiging van hun persoonlijkheid. volgende bladzijde















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 19-02-2010 Copyright © 2015 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 14-01-2015