lijst van werken
vorige bladzijde



144 G U I D O   G E Z E L L E,   D E   A N D E R E

Kerk de menselijke haat en vijandschap, hun macht en arglistigheid (of dit nu een verzet is buiten of binnen de Kerk tegen het goddelijke). Non praevalebunt noemde hij de ontroerende verbeelding waarin hij, reeds in 1862, aan een soortgelijke innerlijke rust en diep-verstilde liefde uitdrukking gaf, een gedicht dat, zoveel inniger van toon en wijzer van visie, haast een correctie schijnt (in samenwerking met H. van Doorne volbracht) op het geschetter van Gij leeft dan nog van een jaar te voren en van zijn Regina Coeli uit 1859. Gedichten als deze laatste zijn niet helemaal echt meer, of juister: hun echtheid is de echtheid van de oppervlakte en uiteraard, ook Gezelle bezat zijn oppervlakte, maar bij een ziel als Gezelle is een dergelijke oppervlakte-oprechtheid niet te waarderen: hij leefde betere ontroeringen. Doch als deze vlotte roffels zwijgen (en in de tweede periode is elke fanfaronnade hem vreemd geworden), bereikt hij onmiddellijk die schone verstilde liefde welke hij in Non Praevalebunt heeft uitgesproken en die zich later enkel nog meer verdiept:

De visscher slaat een stok in t zand,
waaraan hij zijne netten spant
   op vischvangst uitgetogen;
de zee, die t ziet, komt uit, komt op,
en schudt haar witgeschuimden kop,
   luidbulderend losgevlogen.

Zij scheurt den witten duine aan stuks,
zij zwelgt heur schoot vol ongeluks,
   zij spuigt het strand vol rampen,
om met een stok, en weinig dran,
die rustig in het zeezand staan,
   den reuzenkamp te kampen.

Het net beweegt, de stok staat pal,
geen zee die hem beroeren zal,
   de wakkre visscher weet het;
hij komt, wanneer t is uitgewoed,
hij vindt hetgeen hij vinden moet,
   en t andre hij vergeet het. volgende bladzijde




















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 13-07-2009 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 03-09-2009