lijst van werken
vorige bladzijde



D E   V I S S C H E N

I

De visschen klimmen in het helder vijverwater,
naderen peinzend, wijken, als weerzijds belaagd;
zonlicht glanst zacht in ’t ijl beweeg der vinnen
dat hunne onrust door deez stilte draagt,

door water, blauw van ’t verre blauw des hemels
dat, als het zonlicht, om hen is en toch niet is;
onrust breekt plotseling het oppervlak in lichtgewemel
en daalt weer naar een grond, die ook slechts weerschijn is.

O glinsterende banen, die de visschen peinzend
beschrijven in het roerloos water, in het roerloos licht;
zoo opgenomen zijn en zoo gescheiden,
o water, dat alleen een kleine spiegling is.

O onaanraakbaar zonlicht in welks grondelooze diepten
hun brooze lijven zachte transparanten zijn,
zonlicht dat nimmer nadert, in welks onbewogen glorie
zij zóo verlóren, zoo gevangen zijn.













32





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 17-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-06-2010