lijst van werken
vorige bladzijde



H E T   W I E G E L E V E N. . . .

Het wiegeleven is een argloos achterlaten,
zeer stil voorbij een droom van licht ontwaken,
een buiten treden, en een diep vergeten,
een niet meer weten reeds der blijde streken
vóor dit aardsch bestaan - toch nog bespeurbaar
in de geur van ’t lijfje en het zachte haar,
en in den glimlach, even, die den sterveling gadeslaat –
het helder peinzen van dit klein gelaat.

Het knapenleven is een zich herinnerend
onrustig zwijgen, pijn, eenzelvig zinnend
op een vermoed gemis, een licht vrij wezen
dat wij achterlieten, verre klare dreven
gedwongen te verlaten voor een slaafsch bestaan;
verbitterd peinzen, eenzame, lage daden,
zijn heldre oorsprong wreken in een diep verraden
en aan verachte machten óndergaan.

Het man-zijn is van dit herheugen zich ontknechten,
zeer stil en trotsch op deze donkre wereld staan,
hard, opgericht een sombre jeugd beslechten
en onverdeeld dit tijdlijke zijn toegedaan.
Het is zeer aardsch zijn. D’aarde gaan aanvaarden
als vaderland. Eenzelvig droomen mijden
en, met licht’s felle wapenrusting aan,
beroofd en roekloos strijden.
Zwijgend verwinnen, zwijgend ondergaan.







31





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 17-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-06-2010