lijst van werken
vorige bladzijde



H E T   V E R W A C H T E N

Het lichte dwalen door de voorjaarszon,
door ochtend-stille bosschen en hun koele waaien,
waaien dat plotseling verrukt alom begon
te ruischen en te stroomen in het bladerengroen der lanen.
Het waaien werd een vloed, een opwaartswervelen
van glanzingen, een nederstroomen, baren
van vreugde woelend in het licht, het teeder tegenzingende
dat puur en roerloos hing, een alom ommewaren
en wentelen, lucht en onstuimig, in licht’s evenwicht.

O dit hoog lente-dansen, dit zonneglanzen, –
en dit bang hart, dat zóoveel wegen ging,
dat altijd werend was de leniging
waarom de dagen vragend waren.

Maar zij die naast mij liep... zie, haar gezicht
lachte zoo stil, terwijl zij lenig ging
in zonnestralen langs de ijle pracht der blaren –
geheel ontvangenis, in niets verdediging;
zij lachte vrijer dan het kleine spel der bron,
dan ’t kleine wonder van dit ingehouden zingen,
zij ging alsof de aarde met haar zuivre dingen
nog eenmaal, groot en nieuw, als een heelal begon.

En later toen haar lichaam in de middagstilte
der zacht-doorgeurde, schaduw-koele woon
loom en verzaad van zon en ruimte rustte,
woei er een koelte door de open ramen,







25





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 17-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-06-2010