lijst van werken
vorige bladzijde



     D R O E F H E I D   D E R   V R E U G D E


Vreugde en droefheid, ach, zij zijn ten laatste
zoo diep en onvervreemdbaar met elkaar vereend –
het zonlicht dat ten donkren vijverbodem daalde
is dieper niet met ’t roerloos water één.

Zoo stil-verlaten, droef en klaar werd ’t water
waar kleine visschen langzaam en peinzend zijn;
er dringt geen lachen meer, geen schuchter praten
in d’onverstoorbre stilten van zijn lichten schijn.

Zilveren bellen stijgen uit de diepten van de lange planten
langzaam en huivrend naar het verre oppervlak –
zoo droef, zoo durend, als een klachtloos smachten
naar een gemeenzaamheid, die deze stilten brak,

een hunkrend roepen, roepen dat al is verloren
voor het ten spiegel broos en stil verscheen...
Hoe schijnt het zonlicht nutloos hier geboren,
ach, hoe gaan allen ver langs dit licht-wonder heen.

Zoo staan wij allen eens met ’t schoonst en teederst hunkren
zóó eenzaam-roepend en onmachtig tusschen u alleen,
dat vreugde droefheid wordt, en droefenis en vreugde
ten laatste onvervreemdbaar, eeuwig zijn vereend.










9





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 17-08-2008 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 28-06-2010