lijst van werken
vorige bladzijde



vorige bladzijde stemgebruik op zijn eentje. Niet omdat hij bemerkt zou hebben dat hij eigenlijk geen inhoud voor haar had, maar omdat hij bevreesd was bij dit spreken in zijn eentje betrapt te kunnen worden. Men moest geen minder vleiende dingen van hem denken. Veiliger, maar minder volkomen helaas, was de stilzwijgende zelfbespiegeling voor den spiegel.
    Ook hij had zoo zijn onrustjes dus. Niettemin lag hij in den langzamen, vredigen voortgang zijner dagen genesteld als een klein fluweelig dier dat in de zon zoetjes ligt te spinnen. — Inderdaad, zoo was zijn leven. En zoo bleef het ook, — vele jaren lang.
    Toen kwam er — als voor eenieder na een gegeven moment — onverwacht vaart in zijn dagen, en plotseling ontdekte hij tot zijn schrik dat hij de dagen nauwelijks meer kon bijbeenen. Hij zat nog in het gisteren als het reeds een dag lang vandaag was. ,,Kleine suffer, slaapkopje”, sprak hij dan welluidend, en hij lachte voor den spiegel zijn gave, blanke tanden bloot. — De boerin die zestig, zeventig jaar op hetzelfde erf woont, op dezelfde boerderij, bij denzelfden boomgaard, temidden van dezelfde velden, — deze boerin was hij toen snel, en verontrust, vergeten. Hij hield wel van vergelijkingen, doch niet van tegenstellingen.
    Kort daarop begon zijn carrière. Tot dusver had hij als het ware geleefd in de rust van den nog ongeboren dag, zijn nog ongeboren leven. Doch nu bemerkte hij: hij moest zich háásten, — ook hij! En hij haastte zich. Het leven wil geboren worden, — en het wérd geboren.


2


    Vijf en twintig jaar lang was alles toen goed gegaan: geheel overeenkomstig zijn verwachtingen. Thans was hij vijf en veertig.
    Vanaf zijn 17de levenslente had hij zichzelf gaarne hooren spreken, klanken hooren vormen tot woorden, woorden tot zinnen, zinnen tot geanimeerde gesprekken, en geanimeerde gesprekken tot heele redevoeringen. Zijn geest zocht geen woorden om zichzelf tot uitdrukking te brengen, — in zijn geval zochten zijn woorden hun geest én: activeerden zijn geest. Want zooals zijn welluidend stemgeluid hem voortdurend aanspoorde, aanvúúrde, om te spreken (en dit vermogen stellig verbluffend had ontwikkeld), zooals dit voortdurend en welluidend kunnen spreken hem zelfvertrouwen, zekerheid in den omgang en tenslotte een ongemeen gemak in den omgang had geschonken, zoo stimuleerde en activeerde het vaste levensfundament van zijn welluidend stemorgaan ook zijn niet onschranderen geest, en wel tot meeningen. Werkelijk, het vormde meenîngen in hem, meeningen over dit en meeningen over dat, ,,fonkelende” volgende bladzijde


60





















volgende bladzijde
inhoudsopgave



aangemaakt: 22-01-2007 Copyright © 2010 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 08-03-2010