lijst van werken
vorige bladzijde




vorige bladzijde tha’s waarheid en ook mijzelf, mijn onwaarheid wellicht, verdraag...

C i s t e r c i ë n s e r :

Gij verdrààgt Rome... En gij zegt, dat gij geen gevoelens van wrok koestert...?

E l i a s :

Neen, wij zijn allen ons noodlot. Wij zijn allen de gevan­genen van onze waarheid. Franciscus was dit. Rome was dit. Elias van Cortona was dit. En thans is hij dit opnieuw. Het is een eeuwig en eeuwig-eender drama. Ik bezit mijn waarheid, doch waar waarheid is of recht, weet ik niet — tenzij bij Christus, en Hem tracht ik te volgen, op mijn wijze, zooals de anderen dat op hun wijze doen.

C i s t e r c i ë n s e r :

Niemand wilt gij volgen. Alleen uzelf volgt gij. — Elias, gij moogt gebroken zijn, uw oude hoogmoed is niet gebroken — hij heeft slechts de gedàànte der volkomen nederigheid.

E l i a s :

Om dit woord te voorkomen heb ik mij vernederd tot elke oprechtheid...

C i s t e r c i ë n s e r :

Elias, gij vreest niet als een geëxcommuniceerde te leven. Vreest gij ook niet in dien staat te sterven?

E l i a s :

(zacht, smartelijk): Ik heb slechts getracht Christus meer te beminnen dan Franciscus... (berustend): Gij meent, dat het ’s menschen boosheid is, die hem weerhoudt te doen wat gij onder ,,goed’’ verstaat, doch het drama der menschen is anders. De mensch ,,zondigt’’, omdat hij het goede niet kent. Omdat hij ziende toch blind en hoorende toch doof is. Christus maakte de blinden ziende en de dooven hoo- volgende bladzijde


140





















volgende bladzijde
inhoud




aangemaakt: 10-06-2002 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-10-2009