lijst van werken
vorige bladzijde




vorige bladzijde goddelijk-hulpeloos en armoedig-menschelijk naar buiten verscheen als het Rijk Gods hier in de wereld en in onszelf is. (na stilte): Zeker, wij aanvaarden, dat het goddelijke tegenover de wereld staat als David tegenover Goliath, doch dit aanvaarden wij vooral, als wij dien reus als een tweede reus zijn tegemoet getreden en desondanks verslagen wer­den. Degene echter, die het wagen zou — en Franciscus waagde dit — de wereld enkel met een slinger gewapend tegemoet te treden, wordt als een dwaas verbannen. Wij haten het, als de dwaas, die wij in werkelijkheid toch zijn, voor de wereld te treden. Franciscus niet, Franciscus beminde dit. Wij willen steeds de schijn wekken groote en machtige dingen tot stand te brengen — ach ja, met Gods hulp — Franciscus heeft dit nooit verlangd. Integendeel. Hij vreesde alle uiterlijk vertoon, dat in zegepralen doet gelooven, waar nederlagen de eenige werkelijkheid zijn.

C i s t e r c i ë n s e r :

Elias, goede vriend, als wij ook met Gods hulp niet anders vermogen dan de nederlaag van het goddelijke te bevestigen, — waarom leven en ijveren wij dan...

E l i a s :

Ik zeide het u: om dat goede leven te zijn, dat ons met Christus geopenbaard werd en om daarin niet meer te schijnen dan wij zijn. Gelijk Joannes de Dooper zeide: ,,ik wil niet meer ontvangen dan God mij gegeven heeft’’. — De schijn-glorie van het ,,nieuwe leven’’ echter, waarnaar de Kerk zoozeer hunkert, geeft zij zichzelf — om dan God nog te danken, als openbaarde zich daarin Zijn goedheid... (na stilte): Ach, hoeveel goddelijker zou het zijn als Christus’ plaatsbekleeder onder ons verscheen in de gedaante van den meest verworpene dan als heerscher dezer wereld, de heerscher die hij nooit is, en die Christus ook nooit volgende bladzijde


135





















volgende bladzijde
inhoud




aangemaakt: 10-06-2002 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-10-2009