lijst van werken
vorige bladzijde




B r.  A n d r e a s :

vorige bladzijde Wat mij bedroeft en beangst en verbittert is het vooruitzicht van Franciscus’ dood. Als hij is heengegaan, zal ook zijn leiding voorbij zijn, en plaatsmaken voor de uwe. Gij gelooft niet in de liefde; of bezit gij haar niet? Zooals sommige theologen ketters in een hoek drijven, om ze te beschamen en te vernederen, zoo, vrees ik, drijft gij zielen in een hoek. Gij vernedert dan, omdat gij willooze en be­schaamde werktuigen wilt in uw hand; Franciscus echter richtte het geknakte riet op, opdat wij willoozer werktuigen zouden zijn in Gods hand. Ik versta niet veel, broeder Elias, maar vaak vrees ik, dat uw wegen, en ook uw bedoelingen met de broederschap, geheel andere zijn dan die van Franciscus.

B r.  E l i a s :

Over dit laatste ben ik u geen verantwoording verschuldigd. De leiding der Orde werd niet aan u, maar aan mij toevertrouwd.

B r.  A n d r e a s :

Het is deze leiding, welke mij verontrust, en velen met mij. Indien ge naar de bron mijner droefheid zoekt, behoeft ge niet in een vernederend verleden te zoeken.

B r.  E l i a s :

(peinzend): Inderdaad. Gij moet u dan ook nederig onderwerpen aan hetgeen uw overheden beslissen. — En gij, die u zoozeer in uzelf bedrogen hebt, mocht wel de eerste zijn om te overwegen, of gij u ook niet in uw oversten be­driegt. — — Hebt gij mij nog iets te zeggen?

B r.  A n d r e a s :

(met een bitter accent): Neen, broeder Elias, ik heb u niets te zeggen. volgende bladzijde


23





















volgende bladzijde
inhoud




aangemaakt: 10-06-2002 Copyright © 2009 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 18-10-2009