terug naar werken Henri Bruning
vorige bladzijde


vorige bladzijde vreemde en vijandige culturen, cultureel op het gebied van ONS g e e s t e s-leven, een d e s t r u c t i e f element. Ook Papini wees hierop in zijn veel- omstreden boek « Gog ». Aan zijn critisch doorwroeten danken wij nu, zooals de joden gaarne suggereeren, een zeer w a a r d e-vol, maar wel, zo als ook N i e t z s c h e te verstaan geeft (13) een zeer g e v a a r-vol deel(?) onzer geestesgoederen. — « Het gevaar is niet gevaarlijk », kan men met Wichman zeggen, en inderdaad: het gevaar i s niet gevaarlijk als... als we er ons van bewust zijn én : de consequenties trekken. En zeker is waar hetgeen Bolland zeide : « Maar al waren de joden tezamen ieder voor zich edelsteenen (in dit geval: edelsteenen van belangelooze objectiviteit H. B.), ze blijven vreemdheden en onverwerkbaarheden, die in het Europeesch samenlevingsgestel ziekelijkheid van gevoel en onwelzijn veroorzaken, tot verettering toe ». Want zouden zij dan al belangeloos kunnen doorwroeten, zij kunnen zeker niet belangeloos en liefdevol opbouwen.
Ziedaar een eerste gevolg van het opnemen der Joden in ons gemeenschaps- leven : een knagen, uithollen en ontwaarden van onze geestelijke en culturele waarden. En dit als fatum en « geestesmerk » van een trots, een minachting die geen assimilatie, geen erkennen der hen omringende waarden gedoogt.
    Dit opnemen heeft nog een tweede gevolg. Het joodsche volk laat zich niet, zooals wij zeiden, met christelijke volken samen s m e l t e n , maar een de[el] wenscht er toch mee samen te l e v e n minstens als gelijke, als gelijkberechtigd. Zijn trots duldt geen assimilatie, zijn trots duldt nog minder de vernedering van het eeuwig vreemdeling zijn : de diaspora. Dit deel van het jodendom « emancipeert » d.w.z. tot op zekere hoogte ontjoodscht het zich rebelleerend tegen datgene wat een scheiding veroorzaakt, wat hem tot een ander wezen maakt en een normaal samenleven onmogelijk maakt. Hij ontjoodscht zich wat zijn religie betreft, zijn nationaal verleden (14), hij wil beide als een lastig, onverdragelijk en onmenschelijk geworden vooroordeel vergeten : hij wil een gemeenschappelijk levensniveau ; hij wil dat de diaspora een einde neemt, en voor goed.
    Hier werkt het opnemen van den Jood in onze gemeenschap ook naar zijn kant destructief : het leidt tot verloochening van zijn religie, tot ontrouw aan zijn verleden. En dat niet alleen : het leidt fataler nog, tot een bewust, systematisch ont-waarden van de godsdienst als zoodanig, want niet enkel de joodsche, ook de christelijke moet « uit den weg » worden geruimd: beide, immers veroorzaken de diaspora en haar vernedering : beide verhinderen een als gelijke gemeenschappelijk samenleven. Om een geliefkoosd woord van Menno ter Braak te bezigen: het is het « b e l a n g » van den geëmancipeerden jood de godsdienst als zoodanig in haar grondslagen te schenden, aldus neer te storten, uit den weg te ruimen. Ik twijfel er niet aan : Ook in dit licht, in het licht van d i t « belang » moet men de werkzaamheid zien van Marx, Freud e.a. Marx vond de kleineerende formule (en hiermede haalde hij met een haal een streep door heel een verleden), dat godsdienst verklaard moet worden als een product van maatschappelijke en economische verhoudingen.
Freud kleineerde de religie zoo mogelijk nog dieper : hij verklaarde haar uit sexueele driften. Met deze genealogie is de godsdienst – de groote sta in den weg – als iets minderwaardigs en waardeloos van haar voetstuk gelicht. In beide gevallen blijkt de godsdienst een fictie, een (eindelijk[)] ontmaskerd zelfbedrog. Raakt men hiervan doordrongen, dan is voor alle eeuwigheid een punt gezet achter een verleden dat zooveel vernedering heeft voortgebracht en een nieuwe weg ligt voor de menschheid, voor het jodendom, open. – Ja, hier zou inderdaad sprake zijn van een « motiefvervalsching » ; en ik geloof dat déze « motiefvervalsching » een heel wat rëeler ondergrond is van Freud’s ongodsdienstigheid dan het Oedipus-complex dat hij onder onze godsdienstigheid schuift. (15) En de háást waarmede Rathenau een verleden van eeuwen als een onbeteekenend en afgedaan zaakje wenscht behandeld te zien, kan ik evenmin anders zien dan in het licht van een joodsch « belang ». Men moet hier niet vergeten hoeveel vernedering de diaspora, het als vreemdeling leven, eeuwen lang voor de trots van het joodsche volk heeft meegebracht ; hoeveel leed ook ; hoe iedere jood deze vernedering en dit leed aan den lijve ervaart ; hoe elke pijn — veroorzaakt door het enkele feit van zijn jood zijn — h e e l e e n v e r l e d e n oproept ; hoe in elke pijn heel die eeuwen lange doem en druk van zijn volk opstaat, én : hoe het in de natuur der dingen ligt dat hij hieraan te ontkomen tracht, en voor goed ! Hoe déze wil in den jood iets o v e r h ee r s c h e n d s kan worden, iets dat heel zijn denken (ondergrondsch maar hardnekkig) voortstuwt, voortdrijft, richt en bepaalt.
Wat hier ook van zij : tot ontjoodsching leidt het opnemen der joden in onze samenleving onvermijdelijk, en dit veroorzaakt het navolgende verschijnsel waarop ik hier vooral wilde wijzen. De jood die met zijn verleden breekt is een ontwortelde jood, en, als elk ontworteld mensch, geestelijk en zedelijk weldra zonder houvast ; hij is zedelijk en geestelijk een losgeslagen, een ontredderd, en, als het meerendeel der ontredderden, ook weldra een zedelijk en geestelijk minderwaardig mensch. Deze ontwikkeling is onvermijdelijk. Een groote kinderloosheid (als gevolg van hun stoffelijke genotzucht), erfelijke ontaardingsverschijnselen van geslachtelijken aard, een snel uitsterven, dat alles is, bij « geëmancipeerde » joden (evenals bij « geëmancipeerde » christenen), geenszins verwonderlijk : het is logisch. Een losgeslagen volk is een haard van geestelijk en zedelijk bederf : voor zichzelf, maar óók : voor het volk dat het opnam, voor óns. Het leven heeft voor het meerendeel der « geëmancipeerde » joden nog maar één zin, en ’n zeer materialistische : genieten, zich uitleven, uit alles munt slaan (munt en macht), en dit cynischer zonder gewetensbezwaar, ook waar dit geschiedt ten koste van het volk dat hen opnam. Wat (welke eerbied) zou hem kunnen afhouden van zijn zeden bedervende publicaties, zijn pornografische films, zijn cynische handelsmoraal, zijn financieën : zwendelpractijken, van al zijn speculeeren op de minderwaardigste instincten van een volk. Niets. Wat kan het den « geëmancipeerden » jood schelen of zijn gastheervolk innerlijk, moreel, in zijn volkskracht ontbindt, verwildert, dat het godsdienstig indifferent, maatschappelijk ontwricht wordt. Niets. De ontwortelde jood heeft geen enkele rem ; er is niets dat hem met dat volk, met die gemeenschap, met die orde verbindt. In tegendeel ! Hij zal die verwording niet zonder welgevallen gadeslaan : het zal een oud wraakgevoelen in hem bevredigen.
    Natuurlijk : ieder volk zet dergelijke minderwaardige exemplaren af. Maar hier leidt h e t o p n e m e n van dit volk in een hem vreemde cultuur er rechtsstreeks toe. Geestelijk, zedelijk werkt dit naar twee zijden destructief.

Dit opnemen in ons midden heeft nog een derde fataal gevolg. Ik herinner hier nogmaals aan de uitspraak van Alfred Döblin : « Wie zijn jullie met je volgende bladzijde
























volgende bladzijde