terug naar werken Henri Bruning
vorige bladzijde



vorige bladzijde dat die z.g. « vervalschingsvrees » (de vrees namelijk dat de ongereptheid eener nationale cultuur door joodschen invloed bedreigd wordt) « een uitvloeisel, om niet te zeggen bedenksel, van politiek-literair intellectualisme » is (3), dat hij zich dan rekenschap geve van de beteekenis van Rathenau’s woorden: deze verdediging eener tweevoudige nationaal-cultureele vernietiging. Samensmelting impliceert zelf-ontjoodsching eenerzijds, zelf-ontkerstening en denationalisatie anderzijds: een t w e e v o u d i g e « emancipatie », een tweevoudige o n t w o r t e l i n g. Het belang van den g e ë m a n c i p e e r d e n jood is een geestelijk, zedelijk, nationaal en cultureel VACUUM. Men onthoude deze (eenig mogelijke) voorwaarde voor samensmelting, zij opent aanstonds nog meerdere perspectieven.
    De vrijzinnige, de « geëmancipeerde » jood assimileert zich slechts op deze voorwaarde ; hij assimileert zich dus niét. De orthodoxe jood assimileert zich nog minder. Hoe komt dit ? En wat is het, anderzijds, dat dit volk tegenin alle ontbindingstendenzen, tegenin alle verspreiding, tegenin alle vervolging zoo vast en machtig bijeenhield ?
    De joden zelf verklaren hun bijeenblijven vaak als geboren uit den drang tot zelfbehoud temidden der hen steeds dreigende gevaren en vervolgingen. Terecht merkt Dostojewsky hiertegen op: « De weerstandskracht die noodig is voor zelfbehoud, zou toch nooit of te nimmer voor een volle veertig eeuwen toereikend zijn geweest.
    Zelfs de grootste en sterkste culturen hebben zich nog niet gedurende de helft van dien tijd kunnen handhaven; hun politieke kracht en nationale zelfstandigheid gingen in nog korter tijd ten gronde. Hier is geen zelfbehoud de eerste oorzaak, maar een Idee die met zich meesleept, leidt en in stand houdt ». Hier werkt een p o s i t i e f beginsel. « Dat het religieuse karakter in deze Idee het overwicht heeft, is aan geen twijfel onderhevig ». D e z e I d e e was het die een « tot een religieus dogma verheven afzondering en afgeslotenheid veroorzaakte tegenover alles wat niet tot het Jodendom behoort, die het onmogelijk maakt zich te versmelten met andere volkeren, die gelooven dus dat er in de heele wereld maar één enkel persoonlijk Volk bestond — het joodsche — en die de overtuiging deed post vatten, dat de andere volkeren, ŕls ze dan al bestonden, moesten behandeld worden alsof ze niet bestonden » Wat behelst, beveelt deze Idee dan? Dostojewsky citeert hier de Talmoed, en terecht, want de Talmoed heeft sedert eeuwen den geest van het joodsche volk gevoed, gevormd, gericht. « Ga uit het midden der volkeren en vorm uwe bizonderheid en weet, dat gij vanaf heden alleen bij God zijt. Vernietig de andere, maak ze tot uw slaven of buit ze uit. Geloof aan uw zegepraal over geheel de wereld, geloof dat alles u onderdanig zal zijn. Alle andere volkeren moet ge verafschuwen en met geen ervan moogt ge omgang hebben. En zelfs wanneer gij uw land en uw politieke onafhankelijkheid verliest, zelfs wanneer gij over geheel de wereld onder alle vol-keren verstrooid zult zijn — het doet er niet toe : geloof alles wat u beloofd werd, blijf gelooven dat het aldus geschieden zal — en inmiddels: leef, ver-acht, buit uit en... verwacht, verwacht, verwacht... » (4).
    Citeeren wij in dit verband hier nogmaals een uitspraak van Alfred Döblin. Na gewezen te hebben op de idee, Gods Uitverkoren Volk te zijn, als verklaring van het onvergelijkelijk weerstandsvermogen van dit veel bezochte volk, verklaart hij ons, met pijnlijke openhartigheid, welke houding zich aan deze idee verbond: « Tegenover alle Romeinen », zegt hij, « tegenover elk soort Romeinen bezitten zij den trots: wie zijn jullie met je staten, koloniën, oorlogen. Wij hebben geen staat, maar God ». Terecht voegt Döblin hieraan toe: « De diepste vrijheid der menschen kan geestelijk niet fundamenteeler gesteund worden ». (5). Inderdaad. Geestelijk. Maar waar het geestelijke ophoudt, waar de geestelijke zin der Uitverkiezing rassistisch geprofaneerd ontgoddelijkt wordt, is een dergelijk besef geen bron van (innerlijke) vrijheid, maar van vijandschap: verachting, minachting, trots; kweekt het het tegendeel van de groote deemoed en liefde waarvan de profeten van het Oud Verbond de personificaties waren. En men beseffe: deze trots impli- volgende bladzijde
























volgende bladzijde