werken
vorige bladzijde



VROUW


Zij zat tegenover me in de vale trieste tram
van het erbarmelik=doffe Rotterdam.

(’t Verdwaalde waren van de tram straat in, straat uit
naar rechts naar links, dat — als het denken van de mens —
[weer met ’t beginpunt sluit.
’t Afmattend labirint van aldoor = eendre straten
met matte huizen, matte mensen: alles eindeloos gelaten.)

’k Zag even haar ogen blank en groot —
toen boog ze zich over naar het kind op haar schoot.
En ’k staarde naar
het warme glanzen van haar donker haar,
heur smalle ving’ren, die — zoet reukig’ offerand’ deez’
[blijde dienstbaarheid —
hielden het kind in tere gretigheid.
Zij praatte lachend, speelde duldzaam, waakte stil en goed,
o, in haar liefde was zij gàns zoals een moeder mòet
— hoe ze verbòrg, d’ontbering van haar hong’rend bloed!

Maar dan opééns: een ijle afwezigheid,
’n starten — naar — — Wáárnaar? — — Als de verwezenheid,
de blind geheven pijn:
»omdat ’t zo is, zal ’t zo wel moeten zijn«.

Toen riep het kindje dat naast haar stond
»kijk! tante!« — en ik ontweek
d’ontbering van die wrange moeder=stond
terwijl ik moe een andere kant opkeek:
»God!God! die pijn!
Dat men zoveel moet lijden
om zo schoon te kunnen zijn.«

52



















volgende bladzijde



aangemaakt: 09-10-2000 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-08-2011