werken
vorige bladzijde



WEERKEER


Jong en bij dag traden wij uit (: ’t gedempt licht, de
    gevangenschap der woningen versomberde ons:
in ons was wassende, onverzettelik, de kracht der ochtend=
    like aarde):
ons gistend bloed trok naar de zonnezeeën der velden,
en de zoete weemoed onzer jeugd
vroeg
om de koele schaduwen der verre bossen.
Zó — was het allereerste.
Maar na een korte poze vervreemdden we van de dag, en
    verlangend wachtten we het ruisen der nachten.
Maar de nacht bevredigde ons niet,
en van de nacht keerde ons hart zich af: om het
    verlangen:
voor ŕllen een nieuwe maatschappij —
waarin de mensen sterk zouden zijn, goed en rechtvaardig:
door geloof, hoop en liefde.

Maar de mensen bevonden we hard en laf, en we redden
    ons=zelve aan de warme schoot der moederlike aarde
— maar de dag liet ons leeg, en de siddering der nachten
    beangstte ons.
En weer klemden we ons vast aan het verlangen:
voor ŕllen een nieuwe maatschappij —
waarin de mensen sterk zouden zijn, goed en rechtvaardig:
door geloof, hoop en liefde.

Zó zwierven we gepijnigd rond;
en in diepst=bevende momenten (waarin we geloofden dat
    onze liefde allen omspande)
zochten we niets dan de bevrediging van ons prangend
    verlangen naar schoonheid.


46



















volgende bladzijde



aangemaakt: 07-08-2011 Copyright © 2011 by
R. Bruning en Th. Bruning
copyright
laatste aanpassing: 07-08-2011